Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:2053

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-04-2020
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
AWB- 19 _ 5635
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5635 PW

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 april 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] eiser

gemachtigde: mr. A. van Tol-Macharoblishvili,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau (het college), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 11 juli 2019 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW) afgewezen.

In het besluit van 26 september 2019 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Door de uitbraak van het coronavirus heeft het onderzoek ter zitting in Breda op 15 april 2020 niet kunnen plaatsvinden. Partijen hebben toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1 Feiten

Eiser heeft in 2016 een totaalbedrag van € 148.216,00 uit een erfenis ontvangen. Op 12 oktober 2018 heeft hij een bijstandsuitkering aangevraagd op grond van de PW. Per brief van 20 december 2018 heeft het college de aanvraag afgewezen. Volgens het college heeft eiser niet kunnen aantonen waaraan hij de erfenis heeft besteed en welke bedragen hij ontvangt via zwart werk, de verkoop van goederen en van zijn ex-vrouw. Ook kan hij niet aantonen dat deze geldstromen verminderd of gestopt zijn. Onder deze omstandigheden is het recht op bijstand niet vast te stellen.

Eiser heeft zich op 28 maart 2019 opnieuw gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de PW. Op 14 mei 2019 heeft eiser de aanvraag ingediend. Naar aanleiding daarvan heeft het college per brieven van 20 mei 2019 en 13 juni 2019 bij eiser onder meer de volgende stukken opgevraagd:

  • -

    alle afschriften van alle spaar- en betaalrekeningen vanaf 9 januari 2019 tot en met 14 mei 2019, waaronder die van de Rabobank-rekening;

  • -

    een bewijsmiddel van de opzegging van de rekening bij de Triodosbank;

  • -

    loon- of uitkeringsspecificatie(s) van eiser en een eventuele partner vanaf december 2018;

  • -

    bewijsmiddelen van de besteding van de ontvangen erfenis.

Het college heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat eiser, ondanks de verzoeken hiertoe, niet alle bovenstaande gegevens heeft ingeleverd waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij zijn bezwaarschrift heeft hij diverse stukken overgelegd.

De behandeld ambtenaar bezwaar en beroep van de gemeente Baarle-Nassau heeft het college op 16 september 2019 geadviseerd om het bezwaar ongegrond te verklaren. Eiser had met het ontvangen bedrag uit de erfenis een veel langere periode in het levensonderhoud kunnen voorzien. De besteding van een bedrag van € 80.000,00 van de erfenis kan niet worden verklaard. Eiser heeft de inlichtingenplicht geschonden doordat hij niet het vereiste inzicht heeft gegeven in de besteding van de erfenis. Het college wordt daarom geadviseerd om de bijstandsuitkering te weigeren op grond van artikel 11 en 17 van de PW.

Het college heeft in het bestreden besluit het primaire besluit gehandhaafd en de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Volgens het college geeft de verklaring van eiser over de besteding van de erfenis, die deels niet met stukken is onderbouwd, niet het vereiste inzicht waardoor het niet mogelijk is om zijn vermogenspositie op de datum van de aanvraag vast te stellen. Door deze schending van de inlichtingenplicht kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld of hij op 14 mei 2019 in de omstandigheid verkeerde dat hij niet over middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. De bijstand is eiser daarom terecht geweigerd.

2 Wettelijk kader

Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

3 Omvang geschil

In geschil is of het college de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering terecht heeft afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij in bijstand behoevende omstandigheden verkeerde. In geval van een aanvraag om bijstand loopt de te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Niet in geschil is dat eiser zijn aanvraag niet zo snel mogelijk na de melding heeft ingediend en hem dit te verwijten valt. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 14 mei 2019 tot en met 11 juli 2019.

4 Beoordeling

4.1.

Eiser heeft in zijn beroepschrift verwezen naar zijn bezwaarschrift en verzocht die gronden als herhaald en ingelast te beschouwen. Hij heeft geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen het bestreden besluit. Eiser heeft in de bezwaarprocedure stukken overgelegd en stelt zich op het standpunt dat uit deze stukken blijkt hoe hij heeft ingeteerd op de erfenis en dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

Volgens eiser heeft hij zijn erfenis - een bedrag van € 148.216,00 - in vier delen ontvangen:

  • -

    18 januari 2016: € 50.000,00;

  • -

    21 januari 2016: € 25.000,00;

  • -

    21 januari 2016: € 25.000,00;

  • -

    12 oktober 2016: € 48.216,00.

En heeft hij dit bedrag als volgt besteed:

  • -

    aankoop recreatiewoning op 18 maart 2016: € 54.841,37;

  • -

    opknappen recreatiewoning: € 30.000,00, waarvan hij een bedrag van € 12.550,35 met bonnen zou kunnen onderbouwen;

  • -

    aanschaf motor, inclusief reparatiekosten en benzine: € 12.000,00, waarvan hij een bedrag van € 2.038,98 zou kunnen onderbouwen;

  • -

    terugbetalen leningen van vrienden op 11 februari 2016: € 35.000,00;

  • -

    investeren in het opzetten van verschillende bedrijven: € 10.000,00, waarvan hij geen bewijstukken heeft;

  • -

    aflossen van een CJIB-schuld: € 10.000,00, waarvan hij ook geen bewijsstukken heeft;

  • -

    voeding, waarvan hij een bedrag van € 970,25 met bonnetjes kan onderbouwen.

4.2.

Volgens het college heeft eiser met bewijsstukken onderbouwd en daarmee voldoende aangetoond dat hij ongeveer een bedrag van € 67.400,00 heeft besteed aan de aankoop en verbouwing van zijn recreatiewoning, maar de noodzaak van deze aankoop (en verbouwing) wordt betwijfeld. De verklaring met betrekking tot het aflossen van een lening, acht het college niet bewezen omdat er geen leningsovereenkomst is overgelegd. Daarnaast zou eiser eerder aangegeven hebben al een bedrag van € 10.000,00 aan leningen bij vrienden te hebben terugbetaald. Het college vindt het aannemelijker dat eiser een bedrag van € 35.000,00 heeft uitgeleend, omdat er op de bankrekening van eiser meerdere bijschrijvingen van verschillende bankrekeningen zichtbaar zijn met de omschrijving ‘terugbetaling lening’.

Verder heeft eiser niet aangetoond dat hij een deel van de erfenis heeft besteed aan bedrijfsinvesteringen en/of aan het aflossen van schulden, aldus het college.

4.3.

De rechtbank overweegt dat de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij aanvragen om bijstand in beginsel op de aanvrager rust.1 In dat kader is een betrokkene verplicht juiste en volledige informatie over zijn financiële situatie te geven, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand.2 Het niet of in onvoldoende mate voldoen aan deze inlichtingenverplichting, vormt een rechtsgrond voor weigering van de bijstand als door schending van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Uit de verklaring van besteding van de erfenis en de overgelegde stukken blijkt dat een fors deel van de besteding niet onderbouwd kan worden. Dit betekent dat eiser niet met verifieerbare gegevens heeft aangetoond waar hij het bedrag van € 148.216,00 aan besteed heeft en dat hij daarmee de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

Uit het voorgaande volgt dat eiser zijn financiële situatie ten tijde van de aanvraag en in de te beoordelen periode niet inzichtelijk heeft gemaakt, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag dan ook op goede gronden afgewezen.

5 Conclusie

Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzitter, en mr. P.H.J.G. Römers en mr. E.J. Govaers, leden, in aanwezigheid van mr. J.M. Van Sambeek, griffier, op 29 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier* w.g. mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzitter

* De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage: wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 8:57, eerste lid, van de Awb, bepaalt dat de bestuursrechter kan bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht.

Participatiewet (PW)

Artikel 11, eerste lid, van de PW, bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Artikel 17, eerste lid, van de PW, bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

1 Dit is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie onder meer de uitspraak van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2846.

2 Zie de uitspraak van de CRvB van 19 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3660.