Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:191

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-01-2020
Datum publicatie
30-01-2020
Zaaknummer
BRE 19_2263
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gebruik van het pand voor detailhandel is in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft in redelijkheid omgevingsvergunning kunnen verlenen voor het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Van een onzorgvuldige/onjuiste belangenafweging is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/2263 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2020 in de zaak tussen

[naam vereniging eiseres] ’ (eiseres) en [naam eiser] (eiser), [woonplaats] eisers

gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 4 april 2019 (bestreden besluit) van het college inzake de aan [naam vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder) verleende omgevingsvergunning.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 11 december 2019.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] , bijgestaan door gemachtigde. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen drs. [naam vertegenwoordiger college] .

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Op 6 november 2018 heeft vergunninghouder een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het wijzigen van de bestemming van een deel van het pand [vestigingsplaats] te Goirle van ‘Gemengd-2’ in ‘detailhandel’.

Bij besluit van 12 november 2018 (primair besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

2. Beroepsgronden eisers

Eisers voeren aan dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden of bouwwerken voor detailhandel in strijd met het bestemmingsplan een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt.

3. Wettelijk kader

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voor zover hier van belang, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt, in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien de vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder a, onder 2°, van de Wabo, voor zover hier van belang, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

De hier bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Op grond van artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II bij het Bor, voor zover hier van belang, komt voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking het gebruiken van bouwwerken.

4. Bestemmingsplan

Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Centrumgebied’ rust op het perceel de bestemming ‘Gemengd-2’.

Op grond van artikel 6.1 van de bij het bestemmingsplan behorende planregels zijn voor ‘Gemengd-2’ aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijven op de begane grondlaag van gebouwen, voor zover voorkomend in de categorie A of B van de Staat van bedrijfsactiviteiten;

b. detailhandel op de begane grondlaag van de gebouwen, uitsluitend ter plaatse van de

aanduiding ‘detailhandel’;

c. dienstverlening op de begane grondlaag van de gebouwen;

d. horeca uit categorie B, C, of D van de Staat van horeca-activiteiten op de begane grondlaag van de gebouwen tot een maximum van 150 m² bvo per horecabedrijf, met dien verstande dat bij bestaande horecabedrijven de bestaande oppervlakte is toegestaan;

e. woningen, waarbij uitsluitende ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’ gestapelde woningen zijn toegestaan;

f. nutsvoorzieningen;

g. speel-, groen- en parkeervoorzieningen;

h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede kunstwerken ten behoeve van waterhuishoudkundige voorzieningen;

i. aangebouwde bijgebouwen mogen worden gebruikt voor wonen.

alsmede voor:

j. de instandhouding en bescherming van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’ aangegeven gebouwen;

k. de instandhouding en bescherming van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ aangegeven gebouwen.

5. Niet in geschil is dat het gebruik van het pand voor detailhandel in strijd is met het bestemmingsplan. De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2° van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheid van het college. Het college heeft daarbij beleidsruimte en volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2018:3903) moet de rechter zich beperken tot de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten de omgevingsvergunning te verlenen .

6. Het college heeft in het bestreden besluit voor de motivering verwezen naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften. In dat advies wordt overwogen dat het plan past binnen de ambities en doelstelling van het (herijkte) Integraal Ontwikkelplan centrum Goirle (IOP). In het IOP zijn als uitgangpunt en doelstelling opgenomen ‘het realiseren van een kwalitatief hoogwaardig centrumgebied, onderscheidend en concurrerend binnen de regio’. In het IOP is het Kloosterplein aangewezen als horecaplein en Kloppend Hart. Het realiseren van een horeca met een terrasfunctie op de locatie [vestigingsplaats] past binnen de ambities en doelstellingen van het in 2016 geactualiseerde IOP en met het plan wordt verdere invulling gegeven aan dit Kloppend Hart. Het college heeft daarbij overwogen dat het grootste deel van het bestaande pand wordt ingevuld met de bakkerij en de horeca-activiteiten. De detailhandelsactiviteiten, bestaande uit een counter en schappen, beslaan slechts een klein deel van het pand. Van een omvangrijke toevoeging van detailhandel is naar oordeel van het college geen sprake. Bij de beoordeling van het plan is onderkend dat het initiatief geen bijdrage levert aan de opvulling van de bestaande leegstand op De Hovel en aan de Tilburgseweg. Het college heeft echter het positieve effect op de leefbaarheid van het centrum dat wordt voorzien met de invulling van het pand, en daarmee de verdere ontwikkeling van het Kloosterplein als Kloppend Hart, zwaarder laten weten dan het negatieve effect van een beperkte uitbreiding van het aantal vierkante meters detailhandel.

Gezien het voorgaande heeft de commissie bezwaarschriften geconcludeerd dat invulling van een leegstaand pand aan het Kloosterplein samen met een versterking van de gewenste horecafunctie op die locatie een zodanig positieve impuls kan geven aan het streven naar een bruisend hart, dat de daarbij gevraagde beperkte uitbreiding van de detailhandelsfunctie niet opweegt tegen het grotere belang van een ‘bruisend hart’ zoals dat ook in het IOP is verwoord.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarmee afdoende gemotiveerd waarom zij medewerking wenst te verlenen aan het plan. Eisers hebben in beroep volstaan met een verwijzing naar wat zij in bezwaar hebben aangevoerd en hebben ook in de toelichting ter zitting geen andere gronden naar voren gebracht.

Het is de rechtbank bij die stand van zaken niet gebleken dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en evenmin dat er, zoals eisers betogen, sprake is van een onzorgvuldige belangenafweging. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid het belang van vergunninghouder bij verlening van de omgevingsvergunning kunnen laten prevaleren boven het belang van eisers. De rechtbank ziet in wat door eisers is aangevoerd geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

8. De conclusie van het voorgaande is dat het bestreden besluit stand houdt.

9. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van

W.J. Steenbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.