Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1909

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
28-04-2020
Zaaknummer
AWB- 19_5385
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5385

uitspraak van 2 april 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen aan den Rijn, verweerder.

Derde partij: [naam vergunninghouder] , te [plaatsnaam] , vergunninghouder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 februari 2019 (bestreden besluit) over de verlening van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een paardenbak, mestplaat met overkapping, lichtmasten en een lantaarnpaal op het perceel [straat] [nummer] in [plaatsnaam] .

In de beschikking van 21 oktober 2019 heeft de rechtbank Den Haag de zaak voor de verdere behandeling en de beslissing verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 12 maart 2020.

Eiser is verschenen en werd bijgestaan door zijn partner.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger]

Vergunninghouder is verschenen, en werd bijgestaan door zijn gemachtigde [naam gemachtigde]

Overwegingen

Feiten

1.1.

Vergunninghouder woont op het perceel [straat] [nummer] te [plaatsnaam] . Hij houdt daar paarden. Bij besluit van 13 maart 1995 (oude vergunning) heeft verweerder aan vergunninghouder een vergunning verleend voor de realisering van een paardenbak met een oppervlakte van 810 m² op het perceel [straat] [nummer] . De vergunning van 13 maart 1995 is in rechte onaantastbaar geworden.

1.2.

Eiser is in 2014 eigenaar geworden van het perceel [straat] [nummer2] te [plaatsnaam] . Hij heeft bij verweerder geklaagd over de geur wegens het gebruik van de op het perceel [straat] [nummer] aanwezige mestplaat. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder een onderzoek ingesteld.

1.3.

Tijdens het onderzoek is gebleken dat vergunninghouder op het perceel zonder vergunning de volgende bouwwerken heeft gerealiseerd:

- een paardenbak met een oppervlakte van 837 m²;

- een mestplaat van 25 m²;

- twee lichtmasten met een hoogte van ongeveer 6,75 meter en;

- een lantaarnpaal met een hoogte van 3,3 meter.

1.4.

Op 5 januari 2018 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend om verlening van een omgevingsvergunning voor het legaliseren van de hiervoor aangeduide bouwwerken op het perceel.

1.5.

Bij besluit van 14 augustus 2018 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag toegewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Het bezwaar is behandeld door de commissie bezwaarschriften van de gemeente Alphen aan den Rijn (commissie), die op

13 november 2018 heeft geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen. Volgens de commissie is er sprake van een onevenredige aantasting van een goed woon- en leefklimaat.

1.6.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder – in afwijking van het advies van de commissie van 13 november 2018 – het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

Standpunten van partijen

2.1.

Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit noch het primaire besluit in stand kunnen blijven. Daartoe voert hij – kort en zakelijk weergegeven – aan dat:

- verweerder de beslissing op de aanvraag had moeten voorbereiden met de uitgebreide voorbereidingsprocedure in plaats van de reguliere;

- de omgevingsvergunning in strijd komt met het ‘Kwaliteitsplan Alphen aan den Rijn 2011’ (Kwaliteitsplan);

- geen geldige reden bestaat voor het vergunnen van de mestplaat in zijn huidige gedaante;

- milieuregelgeving zich verzet tegen het in stand houden van deze mestplaat en;

- verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan zijn belang bij een rustig woon- en leefklimaat op en rond het pand [straat] [nummer2] .

2.2.

Verweerder en vergunninghouder willen dat het beroep ongegrond wordt verklaard. Daartoe voeren zij – kort en zakelijk weergegeven – aan dat:

- de beslissing op de aanvraag terecht met behulp van de reguliere procedure als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Wabo is voorbereid;

- het Kwaliteitsplan niet van toepassing is op de nu bestaande – en bij het primaire besluit vergunde – situatie;

- de mestplaat in zijn huidige gedaante nodig is voor het optimaal gebruiken van de paardenbak;

- deze mestplaat niet hoeft te voldoen aan specifieke milieuregels en;

- het belang van eiser bij verplaatsing en verkleining van de op het perceel [straat] [nummer] gerealiseerde voorzieningen minder zwaar weegt dan het belang van vergunninghouder bij behoud van de nu bestaande situatie ter plaatse.

Wettelijk kader

3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Omvang van dit geschil

3.1.

De rechtbank mag in dit geschil slechts beoordelen of de omgevingsvergunning voor het legaliseren van de paardenbak, de mestplaat, de lichtmasten en lantaarnpaal op juiste wijze en rechtmatig is verleend.

3.2.

Dit betekent dat de rechtbank – anders dan eiser wenst – geen antwoord mag geven op de vraag of vergunninghouder de paardenbak commercieel gebruikt omdat derden er ook gebruik van maken, of verweerder openheid van zaken moet geven over afspraken die hij met vergunninghouder heeft gemaakt, en of eiser aanspraak op vergoeding van planschade maakt. Eventuele geschillen daarover kunnen pas aan de rechtbank worden voorgelegd indien de specifiek daarvoor bestemde besluitvormingsprocedures zijn gevolgd. Deze uitspraak vormt niet het geschikte middel om precies uiteen te zetten wat eiser moet doen om geschillen over handhaving (gebruik van de paardenbak), openbaarheid van bestuur (afspraken met vergunninghouder) en gedeeltelijke schadeloosstelling (planschade) aan de rechtbank te kunnen voorleggen.

De voorbereidingsprocedure

4.1.

Partijen zijn het erover eens dat de realisering van de paardenbak, de mestplaat, de lichtmasten en lantaarnpaal in strijd is met bestemmingsplan ‘Buitengebied [plaatsnaam] ’ (bestemmingsplan). De bouwwerken bevinden zich namelijk buiten het bouwvlak (artikel 4.3.1, onder a, van de planregels) en bovendien zijn bouwwerken ten behoeve van mestopslag en paardenbakken niet toegestaan (artikel 4.3.4, onder d, van de planregels).

4.2.

Het voorgaande brengt met zich dat de gevraagde omgevingsvergunning slechts mag worden verleend met behulp van de reguliere voorbereidingsprocedure als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), als sprake is van:

( a) een in het bestemmingsplan geregelde afwijkingsmogelijkheid, de zogenoemde ‘binnenplanse afwijkingsregeling’ (artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 1, van de Wabo) of;

( b) een in Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) aangewezen geval, het zogenoemde ‘kruimelgeval’ (artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2, van de Wabo).

Als daarvan – ook als het slechts één bouwwerk betreft – geen sprake is, dient de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb gevolgd te worden. Het betreft immers één aanvraag voor alle bouwwerken.

Paardenbak

5.1.

In geschil is of de paardenbak van 837 m² kan worden vergund met toepassing van de ‘binnenplanse afwijkingsregeling’ als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de planregels.

Partijen zijn het er overigens over eens – en de rechtbank stelt vast – dat geen sprake is van een ‘kruimelgeval’.

5.2.

De vraag die ter beoordeling voorligt is of:

(i) de wijziging van de locatie, namelijk een verplaatsing van de paardenbak met 15 meter ten opzichte van de vergunde locatie (vanwege de bereikbaarheid van de bestaande dam), een aanpassing van geringe mate betreft in de zin artikel 22, eerste lid, onder b, van de planregels of;

(ii) de verandering van de maatvoering ofwel de omvang van de paardenbak van 810 naar 837 m² maximaal 15% bedraagt en of die verandering noodzakelijk is, zoals artikel 22, eerste lid, onder d, van de planregels vereist.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat de verplaatsing van de paardenbak met 15 meter, gelet op de afmetingen van de paardenbak van 45 of 46,5 meter lang en 18 meter breed, niet als een geringe aanpassing kan worden beschouwd. Bovendien heeft de verplaatsing tot gevolg dat de afwijking van het bestemmingsplan nog groter wordt, omdat de paardenbak verder van het bouwvlak komt te liggen. Voor wat betreft de verandering van de omvang van de paardenbak van (45 x 18=) 810 naar (46,5 x 18=) 837 m² heeft vergunninghouder ter zitting laten weten dat die verandering niet noodzakelijk was en dat hij bereid is om de omvang terug te brengen naar 810 m² zoals in 1995 is vergund. Het college heeft de noodzaak van de vergroting van de paardenbak evenmin duidelijk gemaakt. Nu de verplaatsing van de paardenbak geen geringe aanpassing betreft en de vergroting van de paardenbak niet noodzakelijk is, kan de paardenbak niet worden vergund met toepassing van de ‘binnenplanse afwijkingsregeling’.

5.4.

Het voorgaande betekent dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure had moeten worden toegepast in plaats van de reguliere voorbereidingsprocedure.

Conclusie

6.1.

De rechtbank zal het beroep wegens strijd met artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wabo gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen. Dit betekent dat verweerder wederom op de aanvraag moet beslissen met behulp van de uitgebreide voorbereidingsprocedure.

6.2.

Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, moet verweerder het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht aan eiser vergoeden.

6.3.

De rechtbank zal verweerder veroordelen tot vergoeding van de - niet betwiste - reiskosten die eiser heeft gemaakt om bij de zitting aanwezig te zijn. Eiser heeft die kosten begroot op een bedrag van € 39,04. De rechtbank ziet geen reden om hiervan af te wijken. Voor een vergoeding van overige (proces)kosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op wederom een beslissing op de aanvraag te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 174 aan eiser vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiser gemaakte reiskosten tot een bedrag van € 39,04.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten - Badal, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.M. Koenraad, griffier, op 2 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

w.g. mr. L.M. Koenraad, griffier w.g. mr. R.A. Karsten-Badal, rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo – voor zover hier relevant – bepaalt dat het verboden is gronden of gebouwen te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan zonder een daartoe strekkende omgevingsvergunning van het bevoegd gezag.

Artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo – voor zover hier relevant – dat een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, indien de met een bestemmingsplan strijdige activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en kan worden verleend:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking (binnenplanse afwijking);

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (kruimelgevallen); of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wabo – voor zover hier relevant – bepaalt dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien:

- de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c;

- en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a sub 3.

Bestemmingsplan Buitengebied [plaatsnaam]

Volgens het bestemmingsplan rust op het perceel [straat] de bestemming ‘Agrarisch met waarden – landschap 2’.

Artikel 4.3.1, onder a, van de planregels bepaalt dat bebouwing ten behoeve van

de bestemming slechts binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak is toegestaan, met uitzondering van kassen.

Artikel 4.3.4, onder d, van de planregels bepaalt dat bouwwerken ten behoeve van mestopslag, silo’s en paardenbakken buiten het bouwvlak niet zijn toegestaan.

Artikel 22, eerste lid, van de planregels bepaalt dat burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de bepalingen in het bestemmingsplan ten aanzien van:

a. (…);

b. het in geringe mate aanpassen van het plan, teneinde enig onderdeel ervan, zoals een bebouwingsgrens of een weg nader te bepalen, indien bij definitieve uitmeting en verkaveling blijkt, dat deze aanpassing in het belang van een juiste verwerkelijking van het plan redelijk, gewenst en/of noodzakelijk is;

c. (…);

d. het veranderen van de voorgeschreven maatvoeringen voor bouwwerken met ten hoogste vijftien procent indien in verband met ingekomen bouwplannen deze veranderingen noodzakelijk zijn.