Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1868

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-04-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
AWB- 19_2844
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WET

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/2844 WET

uitspraak van 17 april 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. K. Vierhout

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 mei 2019 (bestreden besluit) inzake de aan haar opgelegde bestuurlijke boete van € 30.800,00 wegens zeven overtredingen van artikel 2.4:13, tweede lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (hierna: het Atbv) juncto artikel 32, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 165/2014 (hierna: Vo 165/2014).

Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak af te doen zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 20 november 2017 is door twee brigadiers van politie geconstateerd dat [chauffeur] als chauffeur ten behoeve van eiseres vervoer verrichtte met een voertuigcombinatie, bestaande uit een Volvo vrachtwagen met oplegger. De beide brigadiers hebben vastgesteld dat de vrachtwagen een laadvermogen van meer dan 500 kg betrof, dat de verordening (EG) nr. 561/2006 van toepassing is en dat in het controleapparaat als bedoeld in de Vo 165/2014 een bestuurderskaart werd gebezigd die niet op naam gesteld was van [chauffeur] maar op naam van [naam zoon] , zoon van de directeur-grootaandeelhouder van eiseres. De bevindingen van de controle op de weg zijn neergelegd in een op ambtseed opgemaakt boeterapport van 24 november 2017 (hierna: het boeterapport). In het boeterapport is geconcludeerd dat eiseres in de periode van 25 oktober 2017 t/m 20 november 2017 in totaal 11 keer niet heeft zorggedragen voor een correcte werking en correct gebruik van de digitale tachograaf en bestuurderskaart.

Op 3 januari 2018 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt dat hij eiseres een bestuurlijke boete wil opleggen van € 30.800,00 omdat zij op 25 en 30 oktober 2017 en op 2, 6, 7, 9 en 20 november 2017 artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv juncto artikel 32, eerste lid, van de Vo 165/2014 heeft overtreden.

Tegen dit voornemen heeft eiseres een zienswijze ingediend. Nader onderzoek heeft ertoe geleid dat verweerder op 8 mei 2018 een nieuw voornemen heeft gestuurd. Daarin is aangegeven dat abusievelijk geen rekening is gehouden met artikel 10:5, derde lid, van de Arbeidstijdenwet, waarin is bepaald dat de ter zake van deze wet en de daarop berustende bepalingen gestelde overtredingen gelden ten opzichte van elke persoon, met of ten aanzien van wie de overtreding is begaan, en met betrekking tot elke dag in de loop waarvan deze overtreding is begaan. Omdat sommige overtredingen doorliepen tot de daarop volgende dag, zijn deze dagen als extra pleegdata in dit nieuwe voornemen opgenomen, wat ertoe leidt dat het boetebedrag op (10 x € 4.400,00 =) € 44.000,00 is gesteld.

Ook tegen dit voornemen heeft eiseres een zienswijze ingediend.

Bij het primaire besluit van 17 juni 2018 heeft verweerder, onder weerlegging van de zienswijze, eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 44.000,00.

Tegen dit besluit heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren gegrond verklaard voor wat betreft de naar een volgende dag doorlopende overtredingen en daarmee het aantal dagen waarop eiseres wordt verweten dat hij [chauffeur] op de bestuurderskaart van [naam zoon] heeft laten rijden, teruggebracht tot 7 dagen. Verweerder heeft de bestuurlijke boete verlaagd naar € 30.800,00 en het primaire besluit herroepen.

2. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder niet heeft aangetoond dat zij onvoldoende toezicht heeft gehouden op de correcte werking en het correct gebruik van de digitale tachograaf en bestuurderskaart door haar werknemer [chauffeur] . Volgens eiseres kon zij er niet mee bekend zijn dat [chauffeur] in de 28 dagen voorafgaand aan de controle op 20 november 2017 zou hebben gereden met de bestuurderskaart van [naam zoon] .

Voorts heeft eiseres betoogd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 5 van de Beleidsregels omdat niet is aangeknoopt bij de matiging van een boete die maximaal per boetebeschikking kan worden opgelegd bij een eerste bedrijfsinspectie.

Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de aard, ernst en verwijtbaarheid van de overtredingen.

3. Ingevolge artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv is het, voor zover verordening (EG) nr. 561/2006 van toepassing is en voor zover hier van belang - verboden te handelen in strijd met de artikelen 32, eerste tot en met vierde lid, van verordening (EU) nr. 165/2014.

Artikel 32, eerste lid, Verordening (EU) nr. 165/2014 luidt:

Vervoersondernemingen en bestuurders zorgen ervoor dat digitale tachografen en bestuurderskaarten correct werken en correct worden gebruikt. Vervoersondernemingen en bestuurders die gebruikmaken van analoge tachografen, zorgen ervoor dat deze correct werken en dat de registratiebladen correct wordt gebruikt.

Artikel 13, eerste lid, onder b, Verordening (EU) nr. 561/2006 luidt:

Mits geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van artikel 1, mag elke lidstaat voor zijn eigen grondgebied of, met instemming van de betrokken staat, voor het grondgebied van een andere lidstaat uitzonderingen toestaan op de artikelen 5 tot en met 9, en deze uitzonderingen laten afhangen van bijzondere voorwaarden, voor vervoer dat wordt verricht met:

( b) voertuigen voor goederenvervoer van, of zonder bestuurder gehuurd door landbouw‐, tuinbouw‐, bosbouw‐, veeteelt of visserijbedrijven die in het kader van hun eigen bedrijvigheid worden gebruikt voor ritten binnen een straal van 100 km rond de vestigingsplaats van het bedrijf

Artikel 2.3:1, aanhef en onder a, van het Atbv luidt:

Met uitsluiting van het Arbeidstijdenbesluit zijn dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen van toepassing op iedere verplaatsing, die geheel of gedeeltelijk over voor openbaar gebruik toegankelijke wegen plaats vindt in lege of beladen toestand, alsmede de direct daarmee samenhangende werkzaamheden, van:

a. een vrachtauto waarvan het kentekenbewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldt, alsmede een losse trekker;

Artikel 8, eerste lid, van het Atbv luidt:

Het niet naleven van het bepaalde krachtens artikel 2.4:13, eerste lid, levert een overtreding op.

Artikel 1, tweede lid, van de Beleidsregels luidt:

Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 10:5 van de Arbeidstijdenwet wordt voor alle overtredingen als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die gelden voor de onderscheiden onderwerpen in de Tarieflijst normbedragen bestuurlijke boete wegvervoer die als bijlage 1 bij deze beleidsregel is gevoegd.

In de bij de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer) 2016 (Stcrt. 2016, 15379) behorende Tarieflijst vastgestelde boete van € 4.400,00 voor een overtreding van artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv juncto artikel 32, eerste lid, van de Vo 165/2014.

4. Volgens eiseres is de verklaring van chauffeur [chauffeur] dat hij de kaart van [naam zoon] van eiseres heeft gekregen om te kunnen gebruiken als hij uren te kort komt, onvoldoende omdat de chauffeur een eigen belang heeft. Maar deze verklaring wordt ondersteund door de print-outs van het controleapparaat over de periode van 23 oktober 2017 t/m 20 november 2017, waaruit blijkt dat de bestuurderskaart van [naam zoon] regelmatig voor langere tijd en grote afstanden is gebruikt op voertuigen van eiseres en door het telefoongesprek van de brigadiers met [naam zoon] , waarin laatstgenoemde heeft verklaard dat zijn bestuurderskaart bij zijn vader op kantoor lag en dat hij die kaart zelf niet gebruikt heeft. [chauffeur] heeft op zijn beurt verklaard dat hij de bestuurderskaart van [naam zoon] van diens vader heeft gekregen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van chauffeur [chauffeur] omdat hij wist dat zijn verklaring betrekking had op een overtreding die ten laste was gelegd aan eiseres en niet aan hem. De rechtbank twijfelt er evenmin aan dat de brigadiers hebben gesproken met [naam zoon] (en niet met een willekeurig ander persoon) omdat [naam zoon] direct de vragen begreep en daar ook concreet antwoord op kon geven.

Gelet hierop staat vast dat eiseres onvoldoende toezicht heeft gehouden.

5. Voor wat betreft de strijd met artikel 5 van de Beleidsregels heeft eiseres een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 oktober 2018 inzake 16/7776, waarin de boete is gematigd met 75%. Daargelaten dat deze zaak over een bedrijfsinspectie ging en in de onderhavige zaak over een vervoersinspectie, moet worden vastgesteld dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) in haar uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2955, de uitleg van de Rb Gelderland niet heeft gevolgd.

5.1

Volgens eiseres is ten onrechte in de Beleidsregel in een regeling voorzien op grond waarvan het maximale boetebedrag bij een bedrijfsinspectie lager is dan het maximale boetebedrag bij een wegcontrole. Zij wijst erop dat het om dezelfde soort overtredingen gaat en dat alleen de wijze van controle verschilt. De rechtbank is van oordeel dat het door verweerder gehanteerde onderscheid tussen een bedrijfsinspectie en een wegcontrole gerechtvaardigd is. De rechtbank wijst in dat verband ook op de uitspraak van de AbRS van 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3301, waarin wordt overwogen dat de bepalingen van het Atbv de veiligheid en gezondheid van de bestuurder beogen te beschermen en de verkeersveiligheid en eerlijke concurrentie beogen te bevorderen.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat het illegaal rijden met een onjuiste bestuurderskaart een omstandigheid is die aan de werkgever kan worden verweten. Op eiseres rust de plicht om een deugdelijke registratie te voeren ter zake van de arbeids- en rusttijden welke het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen mogelijk maakt. Het rijden met een valse bestuurderskaart levert iedere keer dat dit gebeurt een nieuw gevaar op voor de verkeersveiligheid. De rechtbank is van oordeel dat het gelet daarop niet onredelijk is om iedere overtreding te beboeten en dat het dus niet past om maximaal drie overtredingen te beboeten.

6. Uit vaste jurisprudentie van de AbRS (bijvoorbeeld de uitspraak van 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1391) volgt dat de beleidsregels inzake de berekening van de boete wegens overtreding van artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv gelezen in verbinding met artikel 32, derde lid, van de Vo (EU) nr. 165/2014 niet onredelijk zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen het belang van deze bepaling voor de controle op de naleving van regels inzake rij- en rusttijden in het wegvervoer en daarmee voor de veiligheid en gezondheid van de bestuurder, de verkeersveiligheid en eerlijke concurrentie. De aan eiseres opgelegde boete is in overeenstemming met het gevoerde beleid.

6.1

Ter matiging van de boete heeft eiseres aangevoerd dat geen sprake is van een structurele overtreding. Het gaat slechts om één chauffeur die 7 maal op de bestuurderskaart van een ander heeft gereden, zodat de rij- en rusttijden gewoon gecontroleerd kunnen worden. Daarnaast is haar verwijtbaarheid zeer gering of zelfs nihil omdat zij slechts achteraf in staat was toezicht te houden en dan alleen als zij had kunnen beschikken over de gegevens van het controleapparaat

6.2

Eiseres heeft door het beschikbaar stellen van de bestuurderskaart van [naam zoon] aan de chauffeur, bewerkstelligd dat de chauffeur kon sjoemelen met de rij- en rusttijden. Daardoor kunnen de overtredingen door de chauffeur volledig aan eiseres verweten worden.

7. In het verweerschrift wijst de gemachtigde van verweerder erop dat per 20 december 2019 een nieuwe beleidsregel in werking is getreden, de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer) 2019.

Artikel 9 van deze Beleidsregel 2019 bevat het overgangsrecht:

De Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer), zoals die luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze beleidsregel, blijft van toepassing op overtredingen die voor de inwerkingtreding van deze beleidsregel begaan zijn.

Artikel 5:46, vierde lid, Awb verklaart artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing. Daarin is bepaald dat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, de voor de verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast. De rechtbank zal artikel 9 van de Beleidsregel 2019 hier dan ook buiten toepassing laten en de voor eiseres meest gunstige bepaling toepassen.

De gemachtigde van de minister heeft berekend dat met toepassing van de Beleidsregel 2019 de hoogte van de boete € 10.875,00 bedraagt. De rechtbank zal dan ook van dit boetebedrag uitgaan.

7.1

Met inachtneming hiervan zal het beroep gegrond verklaard moeten worden en zal de rechtbank de boete vaststellen op € 10.875,00. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding omdat het hier geen aan de minister te wijten onrechtmatigheid betreft.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de boete is bepaald op € 30.800,00;

  • -

    bepaalt dat de boete € 10.875,00 bedraagt;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,00 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 17 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.