Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1848

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-04-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
AWB- 20_5717 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekken uitkering: voert gezamenlijke huishouding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5717 PW

uitspraak van 17 april 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats verzoekster],gemachtigde: mr. E.M.A. Leijser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen (het college), verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 januari 2020 (bestreden besluit) van het college over de intrekking en beëindiging van haar bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot dit besluit.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen
1.Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster ontvangt sinds 14 december 2007 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Op 13 november 2019 heeft zij een arbeidsdeskundig rapport van het UWV van 11 november 2019 (met de titel 'Indicatie banenafspraak') overgelegd bij het college. Daarin is opgenomen dat verzoekster kenbaar heeft gemaakt dat ze zelfstandig woont met partner en 2 kinderen. Naar aanleiding hiervan is het college een onderzoek gestart naar verzoeksters recht op bijstand. In dit kader zijn waarnemingen verricht, heeft een huisbezoek plaatsgevonden en is verzoekster gehoord.

De bevindingen van dit onderzoek hebben geleid tot het bestreden besluit, waarin het college verzoeksters recht op uitkering heeft ingetrokken per 1 januari 2020 en verzoeksters bijstandsuitkering heeft beëindigd met ingang van 14 januari 2020. Het college werpt verzoekster tegen dat zij een gezamenlijke huishouding voert met de [naam partner] vanaf 1 januari 2020.

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Verzoekster stelt dat het college haar bijstandsuitkering ten onrechte heeft ingetrokken en beëindigd. Wat zij aanvoert ter onderbouwing van deze stelling wordt, voor zover relevant, hieronder nader besproken.

4. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt aangemerkt als gehuwd of als echtgenoot mede de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.

In het vierde lid, aanhef en onder b, is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

Artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Artikel 54, derde lid, van de Participatiewet bepaalt dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet, dan wel een besluit tot toekenning van bijstand intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

5. In geschil is of het college terecht is overgegaan tot intrekking en beëindiging van verzoeksters bijstandsuitkering wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding. Omdat het bestreden besluit een belastend karakter heeft, is het aan het college is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking en beëindiging van verzoeksters bijstandsuitkering, in dit geval het voeren van een gezamenlijke huishouding, in beginsel op het college rust.

6. Vaststaat dat uit de relatie van verzoekster en [naam partner] een kind is geboren. Voor de beantwoording van de vraag of in de periode na 1 januari 2020 sprake was van een gezamenlijke huishouding is op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet daarom uitsluitend van belang of verzoekster en [naam partner] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Meer in het bijzonder ligt hier de vraag voor of [naam partner] zijn hoofdverblijf had op het adres van verzoekster, de [adres verzoekster].

7. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de recente uitspraak van 14 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:929) ligt het hoofdverblijf van iemand daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven ligt. Het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De aard van de relatie van betrokkenen en hun subjectieve beleving blijven voor de toepassing van de Participatiewet buiten beschouwing. Verzoeksters stelling dat zij en [naam partner] staan ingeschreven op een ander adres, en wat zij aanvoert over haar (problematische) relatie met [naam partner] slaagt daarom niet.

8. Verzoekster heeft de rechtmatigheid van het onderzoek van het college niet betwist. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bieden de waarnemingen, de bevindingen van het huisbezoek dat plaatsvond op 18 december 2019 om 9:17 uur en de verklaring die verzoekster daarbij heeft afgelegd, in onderlinge samenhang bezien, een toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat [naam partner] vanaf 1 januari 2020 zijn hoofdverblijf had op het adres van verzoekster. Wat zij aanvoert over het arbeidsdeskundig rapport van het UWV van 11 november 2019 slaagt niet, nu het college dit rapport niet ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit.

9. De voorzieningenrechter acht met name van belang dat verzoekster tijdens het huisbezoek heeft verklaard dat [naam partner] dagelijks bij haar verblijft. De tekst van het verslag van het huisbezoek geeft geen aanleiding om verzoekster te volgen in haar stelling dat zij bij het afleggen van deze verklaring onder druk is gezet. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat verzoekster het verslag heeft ondertekend, en dat zij door ondertekening heeft verklaard dat zij de daarin opgenomen verklaring vrijwillig heeft ondertekend en niet onder druk is gezet. De voorzieningenrechter acht verder van belang dat bij het huisbezoek spullen zijn aangetroffen van [naam partner] in verzoeksters woning, te weten kleding, wasgoed, een laptop en toetsenbord, een standaard voor een bouwlamp, herenschoenen, een horloge van het merk BOSS en diverse toiletartikelen. De niet onderbouwde stelling van verzoekster dat deze spullen aanwezig waren in verband met een verhuizing van [naam partner] acht de voorzieningenrechter voorshands niet aannemelijk. Het college heeft verder op 17 dagen waarnemingen verricht bij verzoeksters woning in de periode van 20 november 2019 tot en met 18 december 2019. Daarbij is de auto van [naam partner] dagelijks bij verzoeksters woning aangetroffen. Ook is geconstateerd dat verzoekster en [naam partner] samen boodschappen halen, en dat [naam partner] zich toegang verschaft tot verzoeksters woning met een sleutel. De door verzoekster gestelde omstandigheid dat op social media en een verstrekt bankrekening-overzicht geen bijzonderheden zijn aangetroffen, maakt niet dat minder betekenis toekomt aan bovenstaande onderzoeksbevindingen.

10. Gezien het voorgaande mocht het college zich naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt stellen dat verzoekster en [naam partner] in de periode na 1 januari 2020 een gezamenlijke huishouding voerden. Doordat verzoekster hiervan uit eigen beweging geen melding heeft gemaakt, heeft zij de op haar rustende inlichtingenplicht geschonden. De voorzieningenrechter is voorshands daarom van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking en beëindiging van verzoeksters bijstandsuitkering met ingang van 1 januari 2020, respectievelijk 14 januari 2020.

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Er is geen reden om een proceskostenvergoeding uit te spreken.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier op 17 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.