Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1836

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
20/5436
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Uitspraak van de voorzieningenrechter op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f van de Participatiewet (Awb)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 20/5436 PW VV en BRE 20/5446 PW VV

uitspraak van 15 april 2020 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[naam verzoekster] , te [woonplaats verzoekster] , verzoekster,

gemachtigde: mr. E.M.A. Leijser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 februari 2020 (bestreden besluit I) van het college over de weigering haar een uitkering toe te kennen op grond van de Participatiewet en over de terugvordering van het haar verleende voorschot.

Verzoekster heeft eveneens bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 maart 2020 (bestreden besluit II) van het college over de weigering haar een uitkering toe te kennen op grond van de Participatiewet.

Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Feiten

Verzoekster heeft sinds 20 mei 1998 een geregistreerd partnerschap met [naam partner] . Verzoekster en [naam partner] ontvingen vanaf 1 maart 2016 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden. Sinds mei 2018 ontving [naam partner] van de Sociale verzekeringsbank (Svb) een AOW-pensioen dat werd aangevuld met een zogenoemde Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO-aanvulling). Op grond daarvan werd hun bijstandsuitkering beëindigd. Verzoekster en [naam partner] hebben in november 2019 besloten om zich te vestigen in Hongarije. De AIO-aanvulling was per 14 januari 2019 beëindigd vanwege het verblijf in Hongarije. Verzoekster is op

15 januari 2020 alleen teruggekeerd naar Nederland omdat zij in Hongarije niet kon aarden. [naam partner] heeft op 16 maart 2020 in de basisregistratie personen (brp) laten registreren dat zij naar Hongarije is vertrokken. Verzoekster heeft in januari 2020 een bijstandsuitkering voor een alleenstaande aangevraagd op grond van de Participatiewet. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij op het adres [adres verzoekster] in [woonplaats verzoekster] verblijft (als logé) en geen woonkosten heeft. Dit is een tijdelijk verblijf omdat verzoekster naar eigen woonruimte zoekt.

2. Het verzoek

Verzoekster voert, samengevat, aan dat zij en haar partner duurzaam gescheiden van elkaar leven. Haar partner is in Hongarije gaan wonen; verzoekster kon daar niet aarden. De enkele inkomensbron voor verzoekster en haar partner is een AOW-pensioen van € 779,93. Verzoekster heeft de pensioengerechtigde leeftijd nog niet bereikt en komt daarom niet in aanmerking voor een AIO-aanvulling. Verzoekster leeft onder het bijstandsniveau. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht de bestreden besluiten te schorsen en te bepalen dat zij een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet krijgt.

3. Wettelijk kader

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f van de Participatiewet wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen gelijkgesteld met gehuwden: als partners geregistreerden.

Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet wordt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is aangemerkt als ongehuwd.

Op grond van artikel 5, aanhef en onder e, van de Participatiewet wordt onder voorliggende voorziening verstaan: elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.

Artikel 7 van de Participatiewet bepaalt – voor zover hier van belang:

1. Het college:

(…)

b. verleent bijstand aan personen hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; (…)

6. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien het verlenen van bijstand op grond van artikel 47a, eerste lid, tot de taak van de Sociale verzekeringsbank behoort.

Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

Op grond van artikel 47a, eerste lid, van de Participatiewet heeft de Sociale verzekeringsbank tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) aan:

a. alleenstaanden en alleenstaande ouders die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt;

b. gehuwden, van wie beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt dan wel van wie één echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;

hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

5. Overwegingen van de voorzieningenrechter

5.1

Voorliggende voorziening

Het college heeft de weigering van de bijstandsuitkering gebaseerd op de grond dat de AIO-aanvulling een voorliggende voorziening is. Het recht op AIO-aanvulling volgt uit artikel 47a van de Participatiewet. Gelet op de definitie van voorliggende voorziening in artikel 5 van de Participatiewet is de AIO-aanvulling geen voorliggende voorziening omdat deze niet buiten de Participatiewet is gelegen. In feite is de AIO-aanvulling ook een uitkering op grond van de Participatiewet, maar dan aan pensioengerechtigden. Wel kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden geconcludeerd dat, indien er recht bestaat op algemene bijstand als de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt, de Svb deze bijstand in de vorm van een AIO-aanvulling verleent en dat het college hierin geen taak heeft.

De voorzieningenrechter stelt vast dat, nu [naam partner] naar Hongarije is verhuisd, zij geen recht (meer) heeft op een AIO-aanvulling. Verzoekster zelf komt niet in aanmerking voor een AIO-aanvulling, omdat zij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt.

Het standpunt van het college dat verzoekster gebruik kan maken van een voorliggende voorziening is dan ook onjuist. De bestreden besluiten zullen naar verwachting in bezwaar niet in stand blijven.

Omdat het college tijdens de bezwaarprocedure de reden voor weigering van een bijstandsuitkering nog kan wijzigen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het volgende te overwegen.

5.2

Duurzaam gescheiden leven

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij duurzaam gescheiden leeft van [naam partner] .

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2918) leven echtgenoten pas duurzaam gescheiden, als beiden of één van hen het echtelijk samenleven wil verbreken, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet met de ander gehuwd is en dit door ten minste één van beiden als blijvend is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit concrete feiten en omstandigheden.

Het enkele feit dat beiden niet in dezelfde woning wonen is daarvoor onvoldoende. Bovendien moet er de intentie zijn de samenleving te verbreken. Het college stelt dat deze intentie er hier niet is omdat het geregistreerd partnerschap niet is beëindigd en de en/of bankrekening evenmin.

De voorzieningenrechter overweegt dat de eerste bijstandsaanvraag van verzoekster dateert van 9 januari 2020. De periode in geding die hier beoordeeld moet worden loopt van

9 januari 2020 tot en met 20 februari 2020 (datum primair besluit I). In deze periode stonden verzoekster en [naam partner] nog samen ingeschreven in de brp op het adres [adres verzoekster] in [woonplaats verzoekster] . [naam partner] heeft zich laten uitschrijven op 16 maart 2020. Op 20 februari 2020 hadden verzoekster en [naam partner] ook nog een en/of bankrekening waarop het AOW-pensioen van [naam partner] werd bijgeschreven. Op 20 februari 2020 werd de zorgtoeslag voor beiden op deze en/of rekening bijgeschreven. Van duurzaam gescheiden leven was toen in elk geval (financieel gezien) geen sprake.

De tweede bijstandsaanvraag van verzoekster dateert van 27 februari 2020. De periode in geding loopt dan van 27 februari 2020 tot en met 6 maart 2020 (datum primair besluit II). Ook in die periode had [naam partner] zich nog niet uit de brp uit laten schrijven. Het geregistreerd partnerschap was niet beëindigd en de en/of bankrekening evenmin. De situatie is dus ten opzichte van de eerste aanvraag niet gewijzigd.

De voorzieningenrechter is op grond hiervan van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat in de periode in geding geen sprake is van duurzaam gescheiden levende partners.

5.3

Niet rechthebbende partner

Het komt de voorzieningenrechter voor dat verzoekster een niet-rechthebbende partner in het buitenland heeft. In een dergelijke situatie is het recht op een bijstandsuitkering van verzoekster afhankelijk van de vraag of haar partner kan bijdragen in de kosten van levensonderhoud van verzoekster. De voorzieningenrechter vindt aannemelijk dat [naam partner] dit niet kan, gelet op de hoogte van het AOW-pensioen (€ 779,93). Er is echter nader onderzoek van het college nodig naar de inkomens- en vermogenssituatie van [naam partner] om daar duidelijkheid over te krijgen. Die duidelijkheid moet er ook zijn om de hoogte van de bijstandsuitkering te bepalen.

6. Voorlopige voorziening

Nu de grondslag van de bestreden besluiten onjuist is en het college nader onderzoek moet doen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorziening dat het college verzoekster voorschotten verstrekt vanaf de datum van het eerste verzoek, te weten 17 maart 2020 tot 6 weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter stelt het voorschot vast op € 500,- per maand, waarbij hij overweegt dat verzoekster, zoals blijkt uit het aanvraagformulier, thans geen woonkosten heeft.

7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient het college aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

8. De voorzieningenrechter veroordeelt het college in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1). Omdat sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb worden deze als één zaak beschouwd.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening toe in die zin dat het college aan verzoekster met ingang van 17 maart 2020 tot 6 weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar voorschotten op een bijstandsuitkering toekent ter hoogte van

€ 500,- per maand;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 98,- aan verzoekster te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. T.B. Both-Attema, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.