Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1824

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-04-2020
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
AWB- 18_5602
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/5602 WABOA

uitspraak van 16 april 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers sub1] , te [plaats] ,

[eisers sub2] , te [plaats] ,

[eiser sub3] , te [plaats] ,

samen te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. J. van Groningen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[vergunninghouder] , te [plaats] , vergunninghouder,

gemachtigde: mr. A.I. Cambier.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 3 juli 2018 (bestreden besluit) van het college inzake het verlenen van een omgevingsvergunning aan vergunninghouder om het perceel [straat] in [plaats] in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken voor een hondentrainingshal met bijbehorende voorzieningen.

Bij tussenuitspraak van 25 juli 2019 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek te herstellen.

In reactie op de tussenuitspraak heeft het college vergunninghouder in de gelegenheid gesteld om het activiteitenplan voor het gebruik van de inrichting in overeenstemming te brengen met de uitgangspunten van het akoestisch rapport en de tussenuitspraak van de rechtbank.

Eisers hebben schriftelijk gereageerd gegeven op deze reactie van het college. Ook vergunninghouder heeft daarop gereageerd en medegedeeld dat het activiteitenplan niet wordt aangepast.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek vervolgens op 6 februari 2020 gesloten.

Overwegingen

1. Voor een weergave van de feiten, de beroepsgronden en het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat het college het bezwaar van eisers [eisers sub2] , [eisers sub2] terecht niet ontvankelijk heeft verklaard.

Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de uitgangspunten van het akoestisch onderzoek dat onderdeel uitmaakt van het besluit, behoudens drie onderdelen:

- in het rapport is uitsluitend het geluid van kleinere hondenrassen tot 25 kilogram als uitgangspunt genomen, terwijl vergunninghouder heeft bevestigd dat ook grotere hondenrassen aan trainingen, workshops en wedstrijden deelnemen;

- in het rapport is uitgegaan van twee trainingen per week in de avond, waarbij privé training wordt gegeven aan één of twee honden tegelijk en workshops voor honden en eigenaren in het weekend in de periode van maart tot september, waarbij in de dagperiode ten hoogste twintig bezoekers aanwezig zijn, terwijl volgens het activiteitenplan trainingen plaatsvinden van maandag tot en met vrijdag van 9.00 tot 22.00 uur met per uur maximaal vier personen en vier honden en workshops plaatsvinden van 9.00 tot 18.00 uur met een maximaal aantal van 12 honden en 12 personen;

- in het rapport is als uitgangspunt genomen dat de overheaddeuren bij warm weer voor de helft geopend zijn, terwijl aan de omgevingsvergunning als voorwaarde is verbonden dat alle deuren gesloten moeten worden gehouden wanneer de loods in gebruik is.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het akoestisch rapport gelet op het voorgaande meerdere gebreken kent. Het college had daarom het akoestisch rapport in deze vorm niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Het bestreden besluit is dan ook onzorgvuldig voorbereid en wat betreft het onderdeel geluid onvoldoende gemotiveerd.

De rechtbank heeft het college met toepassing van een bestuurlijke lus (artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht) in de gelegenheid gesteld om deze gebreken te herstellen. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat de gebreken kunnen worden hersteld door - bijvoorbeeld - het akoestisch rapport zodanig te laten aanpassen dat het alsnog in overeenstemming is met de juiste uitgangspunten en de juiste representatieve bedrijfssituatie. Ook kan het activiteitenplan worden aangepast.

3.1

Bij brief van 1 oktober 2019 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat een aanpassing van het akoestisch onderzoek op basis van het huidige activiteitenplan en de huidige representatieve bedrijfsvoering een verruiming van de aangevraagde activiteiten betekent en mogelijk leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omgeving. Nu het akoestisch onderzoek onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit bepalen de uitgangspunten van het onderzoek welke activiteiten vergund zijn en begrenzen de uitgangspunten in zoverre de activiteiten. Het activiteitenplan moet volgens het college dan ook worden aangepast aan de uitgangspunten van het akoestisch rapport. Doordat de activiteiten in dat geval worden beperkt ten opzichte van de huidige bedrijfsvoering kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat meer worden gegarandeerd, aldus het college.

Het college heeft vergunninghouder in de gelegenheid gesteld om het activiteitenplan voor het gebruik van de inrichting binnen vier weken in overeenstemming te brengen met de navolgende uitgangspunten van het akoestisch rapport en de tussenuitspraak van de rechtbank:

  • -

    trainingen uitsluitend op woensdag en vrijdag van 19.00u tot 22.00u;

  • -

    workshops uitsluitend vanaf 10.00u tot 16.00u;

  • -

    workshops alleen in de weekenden, eenmaal per maand en uitsluitend in de periode maart - september;

  • -

    wedstrijden op zaterdag vanaf 8.00u tot 16.00u, uitsluitend in de periode oktober - februari;

  • -

    workshops en wedstrijden betreffen een incidentele bedrijfssituatie, die in totaal 12 keer per jaar mag voorkomen;

  • -

    deuren worden tijdens het in werking zijn van de inrichting gesloten gehouden;

  • -

    geen wachtende honden in de auto’s;

  • -

    tijdens wedstrijden mogen maximaal 50 honden met begeleiders gelijktijdig aanwezig zijn;

  • -

    zwaardere hondenrassen (40 kg en zwaarder, met een geluidbronvermogen van meer dan Lmax = 110 db(A) zoals Herder, Rotweiler, Duitse dog e.a.) mogen niet meer deelnemen aan activiteiten en/of aanwezig zijn tijdens het in bedrijf zijn van de inrichting.

3.2

In reactie hierop hebben eisers er in hun brief van 15 november 2019 op gewezen dat de brief van 1 oktober 2019 geen bindend gebod of verbod inhoudt. Als vergunninghouder niet overgaat tot het wijzigen van het activiteitenplan blijft de vergunning ongewijzigd. Daarnaast volgt uit de motivering dat met een aanpassing van het activiteitenplan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat meer wordt gegarandeerd niet dat er sprake is van een gegarandeerd aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Eisers vinden dat onaanvaardbaar.

3.3

Bij brief van 31 december 2019 heeft vergunninghouder aangevoerd dat niet het akoestisch onderzoek de omvang en mate van bedrijfsactiviteiten bepaalt, maar het daaraan voorafgaand vastgestelde activiteitenplan. Vergunninghouder heeft de rechtbank daarom verzocht het college nogmaals in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen door een nieuw akoestisch rapport te laten opmaken, waarbij vergunninghouder naar voren heeft gebracht zich akkoord te verklaren met het weren van grote hondenrassen en het dicht houden van deuren. Met de overige beperkingen in de aard en omvang van de activiteiten kan vergunninghouder niet instemmen, omdat het met inachtneming van die beperkingen niet mogelijk is om de inrichting op economisch verantwoorde wijze te exploiteren.

4. De rechtbank begrijpt de reactie van vergunninghouder aldus dat het gebrek volgens vergunninghouder enkel door aanpassing van het akoestisch rapport kan worden hersteld. Hierover heeft de rechtbank zich echter al uitgelaten in de tussenuitspraak: het gebrek kan worden hersteld door aanpassing van het akoestisch rapport, maar ook door aanpassing van het activiteitenplan. Nog daargelaten dat een derde-belanghebbende, zoals een vergunninghouder, geen beroepsgronden kan aanvoeren, merkt de rechtbank op dat het de rechtbank, behoudens zeer uitzonderlijke gevallen, niet vrij staat om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

5. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers er terecht op gewezen dat de herstelpoging door het college geen bindend gebod of verbod bevat, zodat als vergunninghouder niet overgaat tot het wijzigen van het activiteitenplan de vergunning ongewijzigd blijft. Reeds daaruit volgt dat het gebrek niet is hersteld.

Daar komt bij dat ook als het activiteitenplan zou worden aangepast overeenkomstig de door het college opgesomde uitgangspunten en met inachtneming van de toezegging door vergunninghouder geen hondenrassen met een gewicht van meer dan 25kg te laten deelnemen, het gebrek daarmee niet volledig zou zijn hersteld. In de door het college opgesomde uitgangspunten is niet opgenomen dat tijdens de trainingen tweemaal per week in de avond privé training mag worden gegeven aan maximaal één of twee honden tegelijk. Het gebrek in de door het college opgesomde uitgangspunten leidt ertoe dat ook met aanpassing van het activiteitenplan aan die uitgangspunten, het activiteitenplan nog altijd niet strookt met de uitgangspunten van het akoestisch onderzoek.

6. Gelet op de tussenuitspraak zal de rechtbank het beroep van eisers [eisers sub2] , [eisers sub2] ongegrond verklaren.

7. Het beroep van eisers [eisers sub1] , [eisers sub1] en [eiser sub3] is gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel voor zover het bezwaar van [eisers sub1] , [eisers sub1] en [eiser sub3] daarin ongegrond is verklaard.

Nu het college de gebreken niet heeft hersteld, ziet de rechtbank geen mogelijkheid de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank ziet evenmin aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Het college zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

8. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eisers [eisers sub1] , [eisers sub1] en [eiser sub3] te worden vergoed.

De rechtbank zal het college veroordelen in de door eisers [eisers sub1] , [eisers sub1] en [eiser sub3] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eisers [eisers sub2] , [eisers sub2] ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep van eisers [eisers sub1] , [eisers sub1] en [eiser sub3] gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover het bezwaar van [eisers sub1] , [eisers sub1] en [eiser sub3] daarin ongegrond is verklaard;

  • -

    draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [eisers sub1] , [eisers sub1] en [eiser sub3] met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eisers [eisers sub1] , [eisers sub1] en [eiser sub3] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eisers [eisers sub1] , [eisers sub1] en [eiser sub3] tot een bedrag van € 1.312,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

16 april 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.