Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1806

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
AWB 18 _ 7967
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2021:991, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AW. De rechtbank geeft een oordeel over meerdere besluiten die zijn genomen ten aanzien van eiser. Het gaat daarbij om het geven van dienstopdrachten, de verlenging van de periode om tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten, de beëindiging van deze werkzaamheden en het verlenen van buitengewoon verlof, en het verlenen van ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid. Met betrekking tot het meest vérstrekkende besluit (het ontslag) stelt de rechtbank vast dat eiser in een verbetertraject zat, dat was gericht op het verbeteren van zijn houding, gedrag en communicatiewijze. De rechtbank vindt dat eiser voldoende hulpmiddelen ter beschikking stonden om het verbetertraject te laten slagen. Verder blijkt uit het dossier dat eisers leidinggevenden gedurende het traject in voldoende mate hebben geprobeerd om met eiser in gesprek te komen over het verbetertraject en de gewenste veranderingen. Dit alles heeft echter niet geleid tot het gewenste resultaat. De minister mocht daarom tot de conclusie komen dat eiser ongeschikt is voor het vervolgen van zijn loopbaan bij het ministerie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/7967 AW

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 april 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. D.E. de Hoop,

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder.

Procesverloop

De minister heeft ten aanzien van eiser de volgende 6 besluiten genomen:

  • -

    een dienstopdracht om op een afspraak te verschijnen (besluit van 6 april 2017);

  • -

    een verlenging van de periode om tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten (besluit van 19 juli 2017);

  • -

    een dienstopdracht om op een afspraak te verschijnen (besluit van 12 september 2017);

  • -

    een dienstopdracht om op een afspraak te verschijnen (besluit van 22 september 2017);

  • -

    het verlenen van buitengewoon verlof en het beëindigen van de tijdelijk opgedragen andere werkzaamheden (mondeling besluit van 26 september 2017 en schriftelijk bevestigd op 27 september 2017);

  • -

    het verlenen van ontslag (besluit van 13 december 2017).

Daarnaast heeft de minister aan eiser een waarschuwing gegeven (brief van 14 september 2017).

In het besluit van 9 oktober 2018 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen de brief van 14 september 2017 niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren van eiser tegen de hiervoor genoemde 6 besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De behandeling van het beroep stond in eerste instantie gepland op een zitting van de rechtbank op 12 december 2019. Bij deze zitting waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, en mr. P. Mataw, [naam leidinggevende1] en [naam vertegenwoordiger1] namens de minister. Tijdens deze zitting bleek dat de minister de beroepsgronden van eiser niet had ontvangen. De rechtbank heeft vervolgens op verzoek van eiser besloten om de behandeling van het beroep op een later tijdstip voort te zetten.

Het beroep is verder besproken op de zitting van de rechtbank op 3 maart 2020. Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, en mr. P. Mataw, [naam leidinggevende1] en [naam vertegenwoordiger1] namens de minister.

Overwegingen

Was [manager P&O] bevoegd om het bestreden besluit te nemen?

1. Het bestreden besluit is genomen door [manager P&O] , namens de minister. Eiser vraagt zich af of [manager P&O] wel bevoegd was om het bestreden besluit te nemen.

2. Uit de door de minister overgelegde stukken1 blijkt dat de manager HRM bevoegd is om het bestreden besluit te nemen. Partijen zijn het erover eens dat de manager P&O die bevoegdheid dan ook heeft. De rechtbank vindt dat ook.

3. Eiser vraagt zich echter af of [manager P&O] de functie van manager P&O heeft. In het bestreden besluit staat dat zij manager P&O is, maar dat blijkt volgens eiser nergens uit.

De minister heeft tijdens de zitting bevestigd dat [manager P&O] manager P&O was op het moment dat het bestreden besluit werd genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen en zal daarom niet overgaan tot het opvragen van nadere stukken bij de minister om dit schriftelijk bevestigd te zien.

4. De rechtbank is van oordeel dat [manager P&O] bevoegd was om het bestreden besluit te nemen.

Verbetertraject

5. De minister heeft eiser verplicht om met ingang van 30 januari 2017 tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten, vooralsnog voor de duur van 6 maanden2. Eiser was het niet eens met dit besluit en heeft dit uiteindelijk ter beoordeling voorgelegd aan de rechtbank. De rechtbank heeft op 19 maart 2018 geoordeeld dat de minister dit besluit in redelijkheid heeft kunnen nemen (ECLI:NL:RBZWB:2018:1757). Eiser heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

6. De minister heeft aan het verrichten van andere werkzaamheden ook een verbetertraject gekoppeld.

7. De verplichting om tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten, was onder meer gebaseerd op de omstandigheid dat eiser opdrachten van zijn leidinggevende niet heeft opgevolgd en dat hij veelvuldig heeft geëscaleerd naar derden.

De rechtbank vindt het daarom te begrijpen dat de minister er ook voor heeft gekozen om eiser een verbetertraject op te leggen.

8. Het verbetertraject is gericht op eisers houding, gedrag en communicatiewijze. Er is afgesproken dat eiser tijdens het traject wekelijks voortgangsgesprekken heeft met zijn eigen leidinggevende ( [naam leidinggevende2] ). Het doel van het verbetertraject was namelijk dat eiser terugkeerde in zijn formele functie3.

Eiser heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij een andere invulling van het verbetertraject voor ogen had. Eiser wilde namelijk op zijn nieuwe werkplek laten zien dat hij goed functioneerde.

9. De rechtbank overweegt dat het aan de minister is om de inhoud van het verbetertraject vast te stellen. De rechtbank vindt de opzet van het verbetertraject, zoals weergegeven in de brief van 27 februari 2017, voldoende.

Dienstopdracht 1 (besluit van 6 april 2017)

10. Wat is er gebeurd?

Op 27 februari 2017 is de afspraak gemaakt dat eiser wekelijks een gesprek zou hebben met [naam leidinggevende2] en P&O. Deze gesprekken zouden worden ingepland. Eiser is de mogelijkheid geboden om zelf ook iemand mee te nemen naar de gesprekken. Daarbij is aangegeven dat het voor het slagen van het verbetertraject van belang is dat eiser in gesprek blijft met zijn leidinggevende [naam leidinggevende2] . Eiser heeft vervolgens [naam persoon] gevraagd om bij de gesprekken aanwezig te zijn.

Eiser heeft op 27 februari 2017 laten weten dat het ingeplande gesprek van 13 maart 2017 geen doorgang kan vinden, omdat [naam persoon] niet bij het gesprek aanwezig kan zijn.

[naam leidinggevende2] wilde tijdens het gesprek van 2 maart 2017 met eiser praten over onder meer de verbeteracties, zoals vermeld in de brief van 27 februari 2017. Eiser heeft vervolgens aangegeven dat hij op dat moment niet wilde praten over de verbeteracties, omdat hij pas twee dagen eerder op de hoogte was geraakt van de inhoud van die brief.

Op 4 april 2017 heeft eiser laten weten dat de ingeplande gesprekken van 6 april en 13 april 2017 geen doorgang kunnen vinden, omdat [naam persoon] niet bij deze gesprekken aanwezig kan zijn. Eiser geeft aan dat hij zelf alleen nog ruimte heeft op 11 april 2017, maar dat deze datum ook niet mogelijk lijkt te zijn, gelet op de volle agenda van [naam persoon] .

Op 5 april 2017 heeft [naam leidinggevende2] aan eiser laten weten dat hij het gesprek van 6 april 2017 door wil laten gaan en dat eiser iemand anders mee mag nemen naar het gesprek. Eiser heeft vervolgens aangegeven dat hij niet op zo’n korte termijn iemand anders kan meenemen naar het gesprek en dat hij graag verneemt of er sprake is van een dienstopdracht om op het gesprek van 6 april 2017 te verschijnen. Het gesprek van 6 april 2017 is uiteindelijk niet doorgegaan.

11. Waar gaat het om?

De minister heeft eiser een dienstopdracht gegeven om op 11 april 2017 te verschijnen voor een gesprek met onder meer [naam leidinggevende1] en [naam leidinggevende2] . Eiser is het niet eens met deze dienstopdracht.

12. Wat vindt de rechtbank ervan?

De rechtbank stelt vast dat eiser op 4 april 2017 de gesprekken van 6 april en 13 april 2017 heeft afgezegd. Deze wekelijkse gesprekken op donderdagen stonden al sinds eind februari 2017 vast. Het voorstel van [naam leidinggevende2] om het gesprek van 6 april 2017 toch door te laten gaan, wordt door eiser afgehouden. Eiser heeft aangevoerd dat er in overleg al een nieuwe datum tot stand was gekomen, namelijk 11 april 2017. De rechtbank is het daar niet mee eens. Het is juist dat eiser de datum van 11 april 2017 heeft genoemd, maar hij heeft daarbij aangegeven dat een gesprek op deze datum waarschijnlijk ook niet mogelijk is, vanwege de volle agenda van de [naam persoon] . Eiser geeft hiermee juist aan dat 11 april 2017 waarschijnlijk ook geen reële optie is.

In de brief van 27 februari 2017 is aangegeven dat de minister het van belang vindt dat eiser en zijn leidinggevende gedurende het verbetertraject (wekelijks) met elkaar in gesprek blijven. Het niet door laten gaan van de gesprekken van 6 april en 13 april 2017 zou die doelstelling doorkruisen. Nu eiser voor wat betreft de door hem genoemde datum van 11 april 2017 een slag om de arm heeft gehouden en geen vervangende data heeft genoemd waarop de gesprekken kunnen plaatsvinden, vindt de rechtbank dat de minister aan eiser op goede gronden de dienstopdracht heeft gegeven om op 11 april 2017 te verschijnen voor een gesprek.

Eiser krijgt op dit punt dus geen gelijk.

Verlenging periode tijdelijk opgedragen andere werkzaamheden (besluit van 19 juli 2017)

13. Wat is er gebeurd?

Zoals gezegd, zijn aan eiser tijdelijk andere werkzaamheden opgedragen voor de periode van 30 januari 2017 tot 31 juli 2017. In het besluit waarin die andere werkzaamheden zijn opgedragen4, staat dat eiser met zijn leidinggevende afspraken maakt over onder meer zijn houding en gedrag, en dat hij deze met zijn leidinggevende bespreekt. In dit besluit staat ook dat de leidinggevende hem feedback zal geven en dat er zo nodig verbeterafspraken gemaakt zullen worden. Het verbetertraject is verder uitgewerkt in de brief van 27 februari 2017. In die brief staat ook dat eiser voor een deel van zijn werkzaamheden verantwoording aflegt aan de projectmanager [naam projectmanager] . Daarnaast zijn in die brief een aantal hulpmiddelen aangereikt om eiser te ondersteunen in zijn verbetertraject, waarbij aan eiser gevraagd is om uiterlijk

6 maart 2017 aan te geven of hij daarvan gebruik wil maken.

14. Waar gaat het om?

De minister heeft de periode van tijdelijk opgedragen werkzaamheden met een half jaar verlengd tot 30 januari 2018. Dit omdat de minister op dat moment nog geen oordeel kon geven over de verbetering in eisers functioneren en een mogelijke terugkeer van eiser naar zijn formele functie. Eiser is het daar niet mee eens. Zo wijst hij erop dat [naam projectmanager] tevreden was over zijn functioneren.

15. Wat vindt de rechtbank ervan?

De rechtbank stelt vast dat het verbetertraject liep tot en met 31 juli 2017 en dat dit was

gericht op eisers houding, gedrag en communicatiewijze. Het was daarbij de bedoeling dat eiser in gesprek zou gaan met zijn leidinggevende en dat er tijdens die gesprekken afspraken zouden worden gemaakt over eisers houding en gedrag, en dat hij daarop feedback zou krijgen.

Uit de gespreksverslagen van 2 maart 2017 en 11 april 2017 blijkt dat eiser niet wil praten over het verbetertraject, zolang zijn bezwaarprocedure nog loopt tegen het besluit waarin aan hem tijdelijk andere werkzaamheden zijn opgedragen. Deze bezwaarprocedure is op 26 juni 2017 afgerond met een beslissing op bezwaar. Daarnaast blijkt uit het besluit van 19 juli 2017 dat eiser pas op 29 juni 2017 heeft doorgegeven van welke opleidingen hij gebruik wilde maken in het kader van het verbetertraject. Voor de rechtbank staat daarom vast dat het verbetertraject door de opstelling van eiser nooit goed van de grond is gekomen. Weliswaar blijkt uit het dossier dat [naam projectmanager] tevreden was over eisers functioneren, ook ten aanzien van eisers communicatie naar anderen, maar dat neemt niet weg dat van eiser verwacht mocht worden dat hij met zijn leidinggevende het gesprek was aangegaan over zijn verbeterpunten. Door dit niet te doen, heeft de minister onvoldoende gelegenheid gehad om eisers functioneren op die punten te beoordelen. De rechtbank vindt daarom dat de minister de periode van tijdelijk opgedragen andere werkzaamheden mocht verlengen met 6 maanden.

Eiser krijgt op dit punt dus geen gelijk.

Dienstopdracht 2 (besluit van 12 september 2017)

16. Wat is er gebeurd?

Op 24 augustus 2017 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en (onder meer) [naam leidinggevende1] . Uit het gespreksverslag blijkt dat [naam leidinggevende1] met eiser wilde praten over het verbetertraject. Eiser heeft aangegeven dat hij eerst antwoord wilde op een aantal vragen die hij heeft gesteld. Het overleg is vervolgens stopgezet en [naam leidinggevende1] heeft aangegeven dat hij op korte termijn een nieuw overleg zal laten inplannen.

In de periode van 24 augustus 2017 tot en met 5 september 2017 heeft [naam projectmanager] meermaals geprobeerd om een gesprek in te plannen met eiser, omdat hij met hem wilde praten over de ‘negatieve, dreigende toonzetting’ in een e-mail van eiser. Eiser heeft dit gesprek afgehouden door aan te geven dat hij niet aanwezig is op een specifieke dag, door niet te reageren op e-mails om tot een afspraak te komen, door aan te geven dat hij het op dat moment te druk heeft, of door aan te geven dat hij niet weet waarover [naam projectmanager] met hem wil spreken.

17. Waar gaat het om?

De minister heeft eiser een dienstopdracht gegeven om op 14 september 2017 te verschijnen voor een gesprek met onder meer [naam leidinggevende1] en [naam projectmanager] . Eiser is het niet eens met deze dienstopdracht. Zo vindt hij het niet redelijk dat hij op 12 september 2017 een dienstopdracht krijgt om op 14 september 2017 te verschijnen, omdat hij zich op zo’n korte termijn niet kan voorbereiden op het gesprek. Verder heeft eiser meermaals aangegeven dat hij zich geïntimideerd voelt door [naam projectmanager] .

18. Wat vindt de rechtbank ervan?

In het besluit van 12 september 2017 wordt een opsomming gegeven van de acties die [naam projectmanager] heeft ondernomen om met eiser een afspraak te maken voor een gesprek en eisers reacties daarop. Eiser heeft de in het besluit beschreven gang van zaken niet bestreden, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan zal uitgaan. Uit die gang van zaken blijkt dat eiser in de periode van 24 augustus 2017 tot en met 5 september 2017 niet is ingegaan op de verzoeken van [naam projectmanager] om een afspraak te maken voor een persoonlijk gesprek.

Eiser heeft aangevoerd dat hij zich geïntimideerd voelde door [naam projectmanager] , dat hij dit ook heeft gemeld en dat er niets met zijn melding is gedaan. De rechtbank is echter niet gebleken van intimidatie door [naam projectmanager] ; dit blijkt in ieder geval niet uit de in het besluit beschreven gang van zaken. De enkele omstandigheid dat eiser wist dat er met hem gesproken zou worden over zijn ‘negatieve, dreigende toonzetting’ en dat hij mogelijk aanvoelde dat dit geen prettig gesprek zou worden, maakt niet dat er daarom sprake was van intimidatie door [naam projectmanager] .

Nu [naam projectmanager] meermaals heeft geprobeerd om met eiser in gesprek te komen en eiser dit stelselmatig heeft afgehouden, vindt de rechtbank dat de minister aan eiser op goede gronden de dienstopdracht heeft gegeven om op 14 september 2017 te verschijnen voor een gesprek.

Eiser krijgt op dit punt dus geen gelijk.

Waarschuwing (brief van 14 september 2017)

19. Wat is er gebeurd?

De minister heeft eiser een dienstopdracht gegeven om op 14 september 2017 te verschijnen voor een gesprek. Eiser heeft zich voor dit gesprek afgemeld en is dus niet verschenen. Dit heeft ertoe geleid dat de minister eiser een waarschuwing heeft gegeven.

20. Waar gaat het om?

Partijen verschillen van mening over de vraag of de brief over de waarschuwing een besluit is. De minister vindt van niet en heeft daarom het bezwaar tegen de waarschuwing niet-ontvankelijk verklaard (niet inhoudelijk behandeld). Eiser is het daar niet mee eens.

21. Wat vindt de rechtbank ervan?

In de wet (de Algemene wet bestuursrecht) is geregeld tegen welke beslissingen bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Kort gezegd kan eiser bezwaar maken tegen een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, waarbij er sprake moet zijn van (het gericht zijn op) een rechtsgevolg5. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, dan is er sprake van een besluit, waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

In dit geval gaat het om de vraag of de brief van 14 september 2017 gericht is op rechtsgevolg. Dit houdt kort gezegd in dat er sprake moet zijn van een verandering in de rechtspositie van eiser.

De hoogste rechter in dit soort zaken (de Centrale Raad van Beroep) heeft al meermaals bepaald dat bij het geven van een waarschuwing in ambtenarenzaken het woord ‘plichtsverzuim’ cruciaal is voor de vraag of er sprake is van een besluit. Als wordt vastgesteld dat een ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, dan is de waarschuwing een besluit. Ontbreekt er een uitdrukkelijke vaststelling van plichtsverzuim, dan is de waarschuwing uitsluitend aan te merken als sturingsmiddel en brengt zij geen wijziging in de rechtspositie van de ambtenaar6.

De rechtbank stelt vast dat in de brief van 14 september 2017 niet wordt gesproken over plichtsverzuim. Dit betekent dat de waarschuwing in die brief een sturingsmiddel is en dat deze brief niet is gericht op rechtsgevolg. Eiser kon dus geen bezwaar maken tegen die brief. Het feit dat er wel een bezwaarclausule onder de brief stond, maakt dat niet anders. Dit betekent dat de minister het bezwaar van eiser tegen deze brief terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Eiser krijgt op dit punt dus geen gelijk.

Dienstopdracht 3 (besluit van 22 september 2017)

22. Wat is er gebeurd?

De minister heeft aan eiser een dienstopdracht gegeven om op 14 september 2017 te verschijnen voor een gesprek. Eiser heeft zich afgemeld voor dit gesprek, omdat hij een belangrijke medische afspraak zou hebben.

23. Waar gaat het om?

De minister heeft eiser een nieuwe dienstopdracht gegeven om op 26 september 2017 te verschijnen voor een gesprek met onder meer [naam leidinggevende1] . Eiser is het niet eens met deze dienstopdracht.

24. Wat vindt de rechtbank ervan?

De rechtbank stelt vast dat deze dienstopdracht is gegeven in navolging van de eerdere dienstopdracht van 12 september 2017 (zie overweging 17). Eiser heeft toen geen gevolg gegeven aan de dienstopdracht, omdat hij een belangrijke medische afspraak had en het afzeggen hiervan medische consequenties zou hebben.

Uit het dossier komt niet naar voren om wat voor soort medische afspraak het ging. In het bezwaarschrift wordt gesproken over een afspraak in het ziekenhuis en tijdens de zitting bij de rechtbank heeft eiser aangegeven dat het vermoedelijk ging om een afspraak bij een psycholoog en dat hij – als hij die niet zou nakomen – op een wachtlijst zou worden geplaatst en 6 maanden had moeten wachten op een volgende afspraak. Het probleem is echter dat hiervan geen bewijsstukken in het dossier zitten, zodat de rechtbank niet kan vaststellen of eiser een goede reden had om niet aan de dienstopdracht te voldoen. Daarbij komt dat eiser ook geen tegenvoorstel heeft gedaan aan de minister voor een datum waarop hij wél zou kunnen.

De rechtbank vindt dat de redenen voor het geven van de eerdere dienstopdracht daarom zijn blijven bestaan, namelijk dat het niet mogelijk was gebleken om in overleg met eiser tot een afspraak te komen. De rechtbank vindt daarom dat de minister aan eiser op goede gronden de dienstopdracht heeft gegeven om op 26 september 2017 te verschijnen voor een gesprek.

Eiser krijgt op dit punt dus geen gelijk.

Verlenen buitengewoon verlof en het beëindigen van de tijdelijk opgedragen andere werkzaamheden (mondeling besluit van 26 september 2017 en schriftelijk bevestigd op 27 september 2017)

25. Wat is er gebeurd?

Op 18 september 2017 heeft [naam projectmanager] een e-mail gestuurd naar [naam leidinggevende1] . In deze e-mail maakt hij melding van een aantal incidenten die hebben gespeeld rond eiser. [naam projectmanager] heeft daarbij aangegeven dat hij de inzet van eiser in het programma (de tijdelijk opgedragen andere werkzaamheden) wenst te beëindigen.

26. Waar gaat het om?

De minister heeft de tijdelijk opgedragen andere werkzaamheden van eiser beëindigd en aan hem buitengewoon verlof verleend. Eiser kan zich vinden in de beëindiging van de tijdelijke plaatsing, maar niet in de reden daarvan. Daarnaast is eiser het niet eens met het verlenen van buitengewoon verlof.

27. Wat vindt de rechtbank ervan?

Eiser heeft aangevoerd dat hij het niet eens is met de grondslag voor de beëindiging van de tijdelijk opgedragen andere werkzaamheden. Dit omdat nergens uit blijkt dat [naam projectmanager] niet meer met eiser wil samenwerken. De rechtbank overweegt dat dit (inmiddels) blijkt uit de door de minister overgelegde e-mail van [naam projectmanager] . Het beroep van eiser op dit punt slaagt daarom niet.

De rechtbank stelt verder vast dat eiser op het moment van de beëindiging van de tijdelijke werkzaamheden ook niet terug kon naar zijn formele functie. Het verbetertraject was immers (nog) niet met een positief resultaat afgerond, zodat de redenen voor de tijdelijke plaatsing elders nog steeds actueel waren. Nu de tijdelijke werkzaamheden werden beëindigd, eiser niet terug kon naar zijn formele functie en de minister zich wilde beraden over vervolgstappen waarbij een ontslag niet werd uitgesloten, vindt de rechtbank dat er voor de minister voldoende aanleiding bestond om eiser buitengewoon verlof te verlenen.

Eiser krijgt op dit punt dus geen gelijk.

Verlenen ontslag (besluit van 13 december 2017)

28. Waar gaat het om?

De minister heeft eiser ontslag verleend per 1 februari 2018, op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid. Eiser is het hier niet mee eens.

29. Wat vindt de rechtbank ervan?

De rechtbank overweegt dat het functioneren van eiser vanaf 2016 ter discussie staat en dat eiser in 2017 een verbetertraject is ingegaan, dat was gericht op verbetering van zijn houding, gedrag en communicatiewijze, onder meer omdat eiser de neiging heeft om escalerend te handelen. De minister is tot het oordeel gekomen dat het ingezette traject niet tot verbetering in eisers houding, gedrag en communicatiewijze heeft geleid.

De rechtbank is het daarmee eens. Uit de hiervoor geschetste gang van zaken sinds de start van het verbetertraject blijkt al van de tekortkomingen in houding, gedrag en communicatie van de zijde van eiser. Eiser heeft niet met zijn leidinggevenden [naam leidinggevende1] en [naam leidinggevende2] willen praten over zijn verbeterpunten. De werkgever heeft hem twee dienstopdrachten gegeven om te verschijnen op de gesprekken. Eiser heeft geen gevolg gegeven aan één van die twee dienstopdrachten. [naam projectmanager] heeft verschillende incidenten gemeld in de samenwerking, die maakten dat hij de samenwerking met eiser heeft beëindigd. In reactie hierop heeft eiser meldingen gedaan van intimidatie en ongewenst gedrag tegen [naam leidinggevende1] , [naam leidinggevende2] en [naam projectmanager] .

De neiging van eiser om (binnen korte tijd) escalerend te handelen blijkt bijvoorbeeld ook uit de e-mailwisseling met [naam persoon2] op 19 september 2017. In deze e-mailwisseling heeft eiser op een eenvoudig verzoek van [naam persoon2] om elkaar op korte termijn even persoonlijk te spreken, gereageerd met beschuldigingen van intimidatie, van het bruut onderbreken van hem in een vergadering, van belediging en van ongerechtvaardigde uitsluiting van een overleg met een dwingend verzoek tot uitleg, waarna eiser de inschakeling van de vertrouwenspersoon bij het gesprek aankondigde. [naam persoon2] geeft dan aan dat zij slechts een persoonlijk gesprek wilde met eiser en na deze reactie van eiser afziet van dit gesprek. Uit het dossier komt naar voren dat eiser hierna ten aanzien van [naam persoon2] een integriteitsmelding heeft gedaan, waarbij hij spreekt van intimidatie, uitschelden en bedreigen.

Uit het dossier komt het beeld naar voren dat eiser, als zaken niet gaan zoals ze naar zijn idee behoren te gaan, dat opvat als ongewenst gedrag of intimidatie. In het voorbeeld met [naam persoon2] vindt eiser dat hij voor het gesprek (schriftelijk) op de hoogte moet worden gesteld over waarom hij niet is uitgenodigd voor een vergadering. Dat eiser graag vooraf wil weten waar hij aan toe is, betekent echter niet dat de andere persoon verplicht is om hem die informatie te verstrekken. Dat [naam persoon2] hem liever een persoonlijke uitleg geeft, dan over de e-mail kan – gelet ook op de toonzetting van haar e-mails – niet worden gezien als ongewenst gedrag of intimidatie.

De rechtbank heeft eiser tijdens de zitting nog gevraagd naar de reden waarom eiser vond dat er bij het gesprek met [naam persoon2] een vertrouwenspersoon aanwezig moest zijn. Eiser heeft tijdens de zitting gezegd dat hij werd beschuldigd van hele erge dingen en dat hij daarom een vertrouwenspersoon heeft ingeschakeld. Eiser kon tijdens de zitting echter niet aangeven wat er destijds nu precies heeft gespeeld. De rechtbank vindt dat vreemd. Eiser maakt gebruik van heftige bewoordingen zoals ‘bruut onderbreken’, (tegen iemand) ‘uitvallen’, ‘intimidatie’ en ‘bedreiging’. Dit zijn kwalificaties die doorgaans niet snel worden gebruikt en waarvan verwacht mag worden dat de situatie waarin ze worden gebruikt, iemand nog lang bij blijft. Dat eiser zegt te zijn beschuldigd van hele erge dingen, maar vervolgens niet kan aangeven wat er dan is gebeurd, spreekt daarom niet in zijn voordeel en maakt dat de rechtbank niet kan meegaan in het verhaal van eiser dat er daadwerkelijk sprake was van bedreiging en intimidatie door leidinggevenden en collega’s. Ook omdat er geen schriftelijke bewijsstukken zijn waaruit blijkt van dergelijke ongewenste omgangsvormen door anderen.

Voor de rechtbank staat daarom vast dat eiser die onvoldoende verbetering heeft laten zien in zijn houding, gedrag en communicatiewijze.

Vervolgens komt de vraag op of eiser een voldoende verbeterkans heeft gehad. De rechtbank stelt vast dat de minister eiser tijdens het verbetertraject diverse hulpmiddelen heeft aangeboden, te weten:

  • -

    een praktijkbegeleider met wie hij kan sparren in het verbetertraject;

  • -

    voortgangsgesprekken met zijn leidinggevende waarin de ontwikkeling in het verbetertraject wordt besproken en eiser in de gelegenheid wordt gesteld om andere onderwerpen aan te kaarten;

  • -

    Skils-traject (coaching op basis van de ontwikkelwensen van eiser en de werkgever);

  • -

    deelname aan workshops en trainingen die bijdragen aan het verbetertraject;

  • -

    andere faciliteiten die mogelijk zijn na overleg met de leidinggevende.

Eiser heeft aangevoerd dat het verbetertraject niet (goed) van de grond is gekomen. De rechtbank vindt dat dit grotendeels aan eiser zelf te wijten is. Zo komt uit het dossier naar voren dat eiser tijdens de gesprekken met zijn leidinggevende stelselmatig heeft geweigerd om over zijn verbeterpunten te praten, bijvoorbeeld omdat hij nog procedures had lopen over de aan hem opgedragen tijdelijke andere werkzaamheden. Ook blijkt uit het dossier dat het zeer moeilijk is gebleken om afspraken met eiser in te plannen, omdat hij allerlei beletselen opwerpt. Zo is tijdens de zitting bijvoorbeeld gebleken dat eiser ervan uitgaat dat leidinggevenden rekening moeten houden met bestaande afspraken in eisers agenda, ook als die leidinggevende aangeeft dat hij op zeer korte termijn met eiser in gesprek wil over fricties in de communicatie. Eiser lijkt niet te begrijpen dat hij aan dit soort gesprekken prioriteit dient te geven.

Ten aanzien van de coaching heeft eiser aangegeven dat hij graag wilde leren hoe om te gaan met moeilijke situaties. De rechtbank overweegt dat de coaching een hulpmiddel was in het verbetertraject, zodat de inhoud daarvan in samenspraak met de werkgever moest worden vastgesteld. De minister heeft echter aangegeven dat de coachingsvragen niet zijn afgestemd met eisers leidinggevende, waardoor niet beoordeeld kon worden in hoeverre de coaching aansluit bij de verbeterpunten. Ook dit kan eiser worden verweten.

De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende hulpmiddelen ter beschikking stonden om het verbetertraject te laten slagen. Verder blijkt uit het dossier dat eisers leidinggevenden gedurende het traject in voldoende mate hebben geprobeerd om met eiser in gesprek te komen over het verbetertraject en de gewenste veranderingen in eisers houding, gedrag en communicatiewijze. Dit alles heeft echter niet geleid tot het gewenste resultaat.

De rechtbank vindt daarom dat de minister tot de conclusie mocht komen dat eiser ongeschikt is voor zijn functie en het vervolgen van zijn loopbaan bij het ministerie. Een goede wijze van communiceren is namelijk een essentieel vereiste in de door eiser vervulde en te vervullen functies bij het ministerie.

Conclusie

30. Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzitter, en mr. S.A.M.L. van de Sande en mr. V.M. Schotanus, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier, op 14 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage

Algemeen Rijksambtenarenreglement

Artikel 50, eerste lid:

De ambtenaar is gehouden de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt.

Artikel 58, eerste lid:
De ambtenaar kan worden verplicht tijdelijk andere ambtelijke werkzaamheden te verrichten dan die, welke hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden opgedragen.

Artikel 33e, eerste lid:

Buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van volle bezoldiging, kan bovendien worden verleend in de gevallen, waarin hij, die tot verlenen van dat verlof bevoegd is verklaard, oordeelt, dat daartoe aanleiding bestaat.

Artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g:

Anders dan op aanvraag van de ambtenaar, bij wijze van straf of ingevolge het bepaalde bij artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement, de artikelen 94b, 94c, 95, 96, 96a, 96b en 96 van dit besluit en bij artikel 125e, tweede lid, van de Ambtenarenwet, kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:3, eerste lid:

Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a:

Met een besluit wordt gelijkgesteld een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij de volgende personen, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn:

1°. een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig.

1 Het besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2015 en het besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor de directie Bedrijfsvoering van het Ministerie van Economische Zaken 2015.

2 De minister heeft dit besluit genomen op grond van artikel 58, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

3 Dit blijkt uit de brief van de minister van 27 februari 2017.

4 Dit betreft het besluit van 26 januari 2017.

5 Dit staat in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 februari 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:261).