Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1804

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
C/02/369430 / FA RK 20/1042
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

In geval van dreigende decompensatie achtten betrokkene en zijn behandelaar verplichte zorg voor hem noodzakelijk. Hierbij wordt gewezen op de wijze en snelheid waarmee betrokkene naar bekend is decompenseert. In het belang van betrokkene is het absoluut noodzakelijk om bij dreigende decompensatie ook onverwijld te kunnen ingrijpen. De rechtbank constateert dat zowel betrokkene als zijn behandelaar kennelijk beogen dat een zorgmachtiging wordt verleend die gelijkenis vertoont met de onder de wet Bopz veelvuldig toegepaste en in de regel effectief gebleken voorwaardelijke machtiging. De Wvggz kent een dergelijke machtiging niet. De Wvggz heeft echter wel als uitgangspunt dat verplichte zorg zoveel mogelijk in een ambulant kader wordt toegepast en opname eerst aan de orde komt als ambulante zorg van meet af aan of in de loop der tijd onmogelijk blijkt. Derhalve en nu de Wvggz zich daartegen naar het oordeel van de rechtbank niet verzet, ziet de rechtbank in dit specifieke geval aanleiding om de verzochte zorgmachtiging toe te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/369430 / FA RK 20/1042

Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg

Beschikking van 18 maart 2020 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] ,

hierna te noemen: betrokkene,

advocaat: mr. J.J. van 't Hoff te Tilburg.

1 Het procesverloop

1.1

De officier van justitie heeft het hiervoor genoemde verzoek gedaan bij op

27 februari 2020 ter griffie ingekomen verzoekschrift met de volgende bijlagen:

- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 25 februari 2020;

- de medische verklaring van 19 februari 2020;

- het zorgplan van 29 januari 2020;

- de zorgkaart van 28 januari 2020;

- de relevante politiegegevens en justitiële gegevens;

- de gegevens over eerder afgegeven machtigingen ingevolge de Wet BOPZ en de Wvggz.

1.2

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 maart 2020.

Echter, omdat vanwege de recente ontwikkelingen omtrent het Coronavirus (COVID-19) de Rechtspraak heeft besloten alle rechtbanken te sluiten, maar urgente zaken zoals de onderhavige wel doorgaan, is betrokkene niet in persoon, maar door middel van een conference-call telefonisch gehoord en op deze wijze in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken. De rechtbank wil met deze maatregelen voorkomen dat het Coronavirus verder wordt verspreid. Hoewel de rechtbank veel waarde hecht aan het horen in persoon laat zij thans het belang van de volksgezond-heid in het algemeen en de veiligheid van haar medewerkers in het bijzonder prevaleren. Het betreffen uitzonderlijke tijden die tot uitzonderlijke maatregelen nopen. Betrokkene heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze manier van horen.

1.3

In de conference-call zijn tevens met hun instemming betrokken en telefonisch gehoord:

- de betrokkene en zijn advocaat,

- de behandelaar, [naam behandelaar] ,

- de casemanager van het FACT team Oosterhout, [naam casemanager] .

1.4

De officier van justitie heeft op voorhand aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

2 Het verzoek

De officier van justitie heeft verzocht om ter afwending van ernstig nadeel een zorg-machtiging te verlenen voor betrokkene, voor de duur van 26 weken en voor de navolgende vormen van verplichte zorg:

- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid;

- beperken van de bewegingsvrijheid;

- beperken van het recht op het ontvangen van bezoek;

- opnemen in een accommodatie;

- toedienen van vocht, voeding en medicatie.

3 De standpunten

3.1

Het standpunt van de betrokkene

De betrokkene heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij bezwaar heeft tegen het verlenen van een zorgmachtiging omdat het momenteel goed met hem gaat. Hij houdt zich aan de bij zijn ontslag gestelde voorwaarden, te weten het innemen van medicatie en het onderhouden van contact met het FACT-team. Hij benadrukt echter ook zich ervan bewust te zijn dat het weer mis zou kunnen gaan. In dat geval, zo zegt hij, decompenseert hij heel erg snel. Daarom heeft hij met zijn behandelaar(s) goede afspraken gemaakt over een in geval van decompensatie onmiddellijke opname. Hij wil dat er dan bovendien ook aanstonds verdere maatregelen getroffen worden, zoals het innemen van zijn telefoon, bankpasje en sleutels, om te voorkomen dat hij “gekke dingen doet”.

3.2

Het standpunt van de behandelaar

De behandelaar stelt zich ter zitting op het standpunt dat een zorgmachtiging voor betrok-kene nodig is, ook al gaat het op dít moment goed met betrokkene. Er is op dit moment dus ook geen reden voor opname, maar bekend is wel dat betrokkene als hij decompenseert, heel snel en fors decompenseert. In dat geval moet onmiddellijk ingegrepen kunnen worden en dus biedt in het geval van betrokkene ook een zelfbindingsverklaring geen soelaas. Daarom zijn in het zorgplan ook enkele vormen van verplichte zorg voor het geval opname op enig moment noodzakelijk wordt opgenomen.

3.3

Het standpunt van de casemanager van het FACT

De casemanager onderschrijft hetgeen betrokkene en de behandelaar opmerken volledig.

3.4

Het standpunt van de advocaat

De advocaat sluit zich aan bij het standpunt van zijn cliënt. Hij benadrukt dat hij zijn cliënt al langer kent en weet hoe snel een decompensatie bij zijn cliënt verloopt. Daarom begrijpt hij ook goed dat zijn cliënt nu al bepaalde vormen van verplichte zorg opgenomen wil zien in een zorgmachtiging.

4. De beoordeling

4.1

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van bipolaire- stemmingsstoornissen. Dit wordt door betrokkene ook uitdrukkelijk erkend.

4.2

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is voorts gebleken dat het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige materiële schade, ernstige financiële schade, maatschappelijke teloorgang, de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept én de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is. Dit ernstig nadeel wordt door betrokkene erkend.

4.3

Om het ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.

4.4

Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de ervaring heeft geleerd dat betrokkene op een eerder uitgesproken of getoonde vrijwilligheid terugkomt. Dus is verplichte zorg nodig.

4.5

De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur en bestaan uit:

- toedienen van medicatie;

- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid;

- beperken van de bewegingsvrijheid;

- beperken van het recht op het ontvangen van bezoek;

- opnemen in een accommodatie.

4.6

Op grond van de stukken en het behandelde tijdens de mondelinge behandeling (conference call) is gebleken dat om behandeling in ambulant kader mogelijk te maken, verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie en het aanbrengen van de beperkingen in de vrijheid, daaronder te verstaan het onderhouden van contact met het FACT-team aanstonds en voor de duur van de zorgmachtiging noodzakelijk is. Betrokkene en zijn behandelaar verschillen daarover niet van mening. Dit zal dus ook zo worden toegewezen.

4.7

Gebleken is dat betrokkene en zijn behandelaar evenmin van mening verschillen over het feit dat de overige in overweging 4.5 genoemde vormen van verplichte zorg noodzakelijk zijn in het onverhoopte geval van dreigende decompensatie van betrokkene. De behandelaar heeft daarbij nog zeer nadrukkelijk en gemotiveerd aangegeven dat het gelet op de wijze en snelheid waarmee betrokkene naar bekend is decompenseert, in het belang van betrokkene absoluut noodzakelijk is om bij dreigende decompensatie ook onverwijld te kunnen ingrij-pen. Betrokkene heeft tijdens de (telefonische) mondelinge behandeling van het verzoek de noodzaak van onverwijld ingrijpen niet alleen uitdrukkelijk bevestigd, maar zelfs nog aange-geven dat er in dat geval ook meteen verdere maatregelen moeten worden getroffen.

4.8.

De rechtbank constateert dat zowel betrokkene als zijn behandelaar kennelijk beogen dat een zorgmachtiging wordt verleend die gelijkenis vertoont met de onder de wet Bopz veelvuldig toegepaste en in de regel effectief gebleken voorwaardelijke machtiging. De Wvggz kent een dergelijke machtiging niet. De Wvggz heeft echter wel als uitgangspunt dat verplichte zorg zoveel mogelijk in een ambulant kader wordt toegepast en opname eerst aan de orde komt als ambulante zorg van meet af aan of in de loop der tijd onmogelijk blijkt.

4.9

Dat uitgangspunt ligt naar de rechtbank uit de stukken en de toelichting van de behandelaar daarop begrijpt, ook ten grondslag aan de behandeling van betrokkene.
Derhalve en nu de Wvggz zich daartegen naar het oordeel van de rechtbank niet verzet, ziet de rechtbank in dit specifieke geval aanleiding om ook de laatste drie in overweging 4.5 genoemde vormen van verplichte zorg zoals nader omschreven in het dictum toe te wijzen.

4.10

De rechtbank is voorts van oordeel dat de voorgestelde verplichte zorg evenredig is en naar verwachting effectief, terwijl er ook geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene en derden.

4.11

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van 26 weken.

5 De beslissing

De rechtbank:

verleent een zorgmachtiging ten aanzien van

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:

- toedienen van medicatie;

- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid, daaronder te verstaan het onderhouden van contact met het FACT-team, zulks thans eenmaal per week en op geleide van het toestandsbeeld op en af te schalen door de behandelaar en met dien verstande dat contact in elk geval minstens eenmaal per 14 dagen zal plaatsvinden;

- opnemen in een accommodatie,

- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid, daaronder te verstaan de onmiddellijke inname van telefoon, bankpasje en sleutels,

- het beperken van de bewegingsvrijheid,

- beperken van het recht op het ontvangen van bezoek.

verstaat en bepaalt:
- dat de eerste twee hiervoor genoemde vormen van verplichte zorg aanstonds kunnen

worden toegepast;

- dat de laatste vier hiervoor genoemde vormen van verplichte zorg eerst kunnen/zullen worden toegepast vanaf het moment dat betrokkene decompenseert c.q door toepassing van de eerste twee hiervoor genoemde vormen van verplichte zorg een onmiddellijk dreigende decompensatie van betrokkene niet (langer) kan worden voorkomen;

De rechtbank bepaalt dat deze machtiging geldt voor de duur van 26 weken, dus tot en met 15 september 2020.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2020 door mr. van Dun, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Visvalingam, griffier, en op 30 maart 2020 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.