Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1756

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
13-04-2020
Zaaknummer
BRE 20/5371
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Uitspraak van de voorzieningenrechter inzake het vaststellen van het maandbedrag van de aflossing van verzoeksters studieschuld aan DUO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5371 WSFBSF VV

uitspraak van 6 april 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

(Dienst Uitvoering Onderwijs; DUO), verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 november 2019 (bestreden besluit) van de minister, hieronder aangeduid met: DUO, waarin het maandbedrag van de aflossing van verzoeksters studieschuld is vastgesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en door de griffier verkregen telefonische inlichtingen van DUO gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster heeft een studieschuld in het kader van de Wet studiefinanciering 2000. In het bestreden besluit is het bedrag van de maandelijkse aflossing met ingang van 1 januari 2020 vastgesteld op € 2.156,70. In een besluit van 16 januari 2020 is het bedrag van de maandelijkse aflossing met ingang van 1 februari 2020 vastgesteld op € 0,-.

2. Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat zij een bijstandsuitkering heeft en dat zij niet in staat is het voor januari 2020 vastgestelde aflossingsbedrag te betalen. Zij is bevreesd dat zij met incassomaatregelen en oplopende kosten wordt geconfronteerd.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4. De voorzieningenrechter staat, ambtshalve, eerst stil bij de vraag of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening.

Aannemelijk is dat verzoekster uit haar bijstandsuitkering niet in staat is om een bedrag van € 2.156,70 ineens te betalen of in korte tijd af te lossen. In een telefoongesprek dat de griffier op 2 april 2020 voerde met een medewerkster van DUO is gebleken dat vooralsnog, ook door de beperkende maatregelen in verband met het Corona-virus, de vordering niet uit handen zal worden gegeven. Verzoekster kan, volgens de inlichtingen van DUO, aan DUO vragen om een betalingsregeling. Temeer nu DUO al aanleiding heeft gezien om per 1 februari 2020 het maandbedrag van de aflossing op € 0,- vast te stellen is aannemelijk dat DUO zal instemmen met een betalingsregeling die is afgestemd op verzoeksters financiële situatie.

Verzoekster heeft dan ook geen spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening.

5. Gelet op de in overweging 4 getrokken conclusie zal de voorzieningenrechter zich niet uitlaten over de ontvankelijkheid van het bezwaar.

6. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, op 6 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.)

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.