Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1755

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
13-04-2020
Zaaknummer
BRE 20/4995
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Uitspraak van de voorzieningenrechter inzake het verlenen van een omgevingsvergunning voor het kappen van 36 bomen, 11.510 m2 houtwal en 7.456 m2 houtwal in Oosterhout

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/4995 VV

uitspraak van 13 maart 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekers] , te [vestigingsplaats verzoekers] , verzoekster,

gemachtigde: S. Schokker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam vergunninghouder] , te [vestigingsplaats vergunninghouder] ,

gemachtigde: mr. M.A.J. West.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 31 januari 2020 (bestreden besluit) inzake de aan derde partij verleende omgevingsvergunning voor het kappen van 36 bomen, 11.510 m2 houtwal en 7.456 m2 houtwal op [adres perceel] te [plaats perceel] .

Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 11 maart 2020. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigden S. Schokker en G. Visser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.M. van der Velden, J. de Wijk en N. Verhoeks-Vaessen. Derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigden mr. M.A.J. West en W.G.C. van Drie.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 24 januari 2020 heeft derde partij omgevingsvergunning gevraagd voor het kappen van 36 bomen, 11.510 m2 houtwal en 7.456 m2 houtwal op [adres perceel] te [plaats perceel]. Het [perceel] ligt buiten de bebouwde kom. De omgevingsvergunning is aangevraagd om [naam perceel] woonrijp te kunnen maken. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ” rust op de gronden waarop gekapt gaat worden de bestemming “Woongebied-2”. In totaal zullen er 360 woningen gebouwd worden. Omdat het woongebied buitendijks is gelegen is in artikel 14.2.7, eerste lid, van de planregels bepaald dat bebouwing van het gebied binnen deze bestemming uitsluitend is toegestaan indien het maaiveldniveau is opgehoogd tot een hoogte van tenminste 4,20 m + NAP. Volgens verweerder en derde partij betekent dit dat de grond variërend van 80 cm tot 2 meter opgehoogd moet worden en zullen de bomen dat niet overleven.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de vergunning verleend. Daarbij is aangegeven dat is getoetst aan de weigeringsgronden in artikel 4.11 van de gemeentelijke APV, dat daaruit naar voren is gekomen dat sprake is van aantasting van natuurwaarde, van beeldbepalende waarde en van waarde voor de leefbaarheid, maar dat de grond voor de woonwijk moet worden opgehoogd waardoor de bomen en houtwallen niet te handhaven zijn. Voorts heeft verweerder bij het bestreden besluit een herplantplicht opgelegd waarbij in totaal 288 bomen gecompenseerd moeten worden. Daarbij heeft verweerder voor elke 64 m2 houtwal één boom gerekend.

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

3. Ingevolge artikel 4.10, derde lid, van de APV is het - voor zover hier van belang -verboden zonder vergunning van het college ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een houtopstand op gemeentegrond te vellen of te doen vellen.

3.1

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de meeste van de 36 bomen op gemeentegrond staan, dat de houtwallen voornamelijk op eigen grond van derde partij staan en dat enkele bomen op de erfgrens staan. Maar omdat toch alle houtopstand, dus ook de houtopstand op eigen grond van derde partij, gecompenseerd moet worden is een omgevingsvergunning gevraagd en verleend voor alle bomen en houtwallen.

3.2

Zoals hiervoor aangegeven heeft verweerder de aanvraag getoetst aan de weigeringsgronden in artikel 4.11 van de gemeentelijke APV. Daaruit is naar voren is gekomen dat sprake is van aantasting van natuurwaarde, van beeldbepalende waarde en van waarde voor de leefbaarheid. Dit betekent dat verweerder op zich bevoegd was om de vergunning te weigeren. Het al dan niet gebruikmaken van deze bevoegdheid vergt een belangenafweging en verweerder heeft daarbij doorslaggevend gewicht toegekend aan het belang van derde partij om de houtopstand te kappen.

3.3

De voorzieningenrechter acht deze belangenafweging niet onredelijk. Daarbij is in aanmerking genomen dat ter plaatse een woonbestemming geldt met de noodzaak om het maaiveldniveau op te hogen en dat verweerder een herplantplicht heeft opgelegd.

4. Verzoekster heeft betoogd dat behoudens de hiervoor bedoelde vergunning als bedoeld in artikel 4.10 van de APV, er ook nog een vergunning krachtens artikel 14.2.7, tweede lid, van de planregels vereist is en voorts dat verzuimd is om het kappen van de houtopstand te melden bij gedeputeerde staten.

4.1

In artikel 14.2.7, tweede lid, van de planregels bepaalt dat, indien in verband met de uitvoering van dit bestemmingsplan houtopstanden dienen te worden gekapt, bebouwing van het gebied binnen deze bestemming uitsluitend is toegestaan, indien voor het kappen van die houtopstanden een omgevingsvergunning is verleend.

4.2

Gelet op de totstandkoming van deze planregel, neemt de voorzieningenrechter aan dat het doel van deze regel ligt in het verzekeren van voldoende compensatie bij de kap van houtopstanden. Gelet hierop is de voorzieningenrechter met verweerder en derde partij van oordeel dat deze zogeheten voorwaardelijke verplichting niet een zelfstandige vergunningplicht inhoudt maar alleen verwijst naar de noodzaak van een omgevingsvergunning om op die wijze het compenseren door middel van herplant veilig te stellen. Aan deze voorwaardelijke verplichting is voldaan door het verlenen van de omgevingsvergunning krachtens de APV, die betrekking heeft op alle houtopstand en niet alleen de (vergunningplichtige) houtopstand op gemeentegrond. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat het aannemen van een zelfstandige vergunningplicht zoals door verzoekster bepleit, niet van invloed kan zijn op de uitkomst van de belangenafweging omdat er geen (extra) weigeringsgronden in artikel 14.2.7, tweede lid, van de planregels zijn opgenomen.

4.3

Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten.

Artikel 2.62, eerste lid, aanhef en onder b, van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bepaalt dat het verbod, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, Wet natuurbescherming, alsmede de verplichting, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, Wet natuurbescherming, niet van toepassing zijn als sprake is van houtopstanden in verband met het realiseren van een werk overeenkomstig een onherroepelijk bestemmingsplan.

4.4

De voorzieningenrechter overweegt dat het bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ” onherroepelijk is en dat de houtopstanden gekapt moeten worden om de woonbestemming te realiseren. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat een melding bij gedeputeerde staten niet verplicht is.

5.1

Ten slotte heeft verzoekster zich beroepen op het convenant dat ze op 20 november 2018 met verweerder gesloten heeft. Daarin is onder meer bepaald dat de gemeente samen met verzoekster een analyse maakt van de huidige natuurwaarde binnen het plangebied in de bestemming Natuur, Groen, Water (EVZ) en Recreatie. Volgens verzoekster zou deze analyse als basis gebruikt worden voor de aanleg van hoogwaardige nieuwe natuur op een nieuwe compensatielocatie en heeft nu ten onrechte geen analyse plaatsgevonden.

5.2

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder er terecht op gewezen dat het maken van een analyse als door verzoekster gewenst, niet is opgenomen in het convenant. Daarin is expliciet vastgelegd dat een analyse gemaakt moet worden van de natuurwaarde binnen het plangebied in de bestemming Natuur, Groen, Water en Recreatie. De bestemming “Woongebied-2” is niet genoemd zodat in deze procedure aan het ontbreken van een analyse van de natuurwaarde binnen deze bestemming geen betekenis kan worden toegekend.

6. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2020. De griffier is buiten staat om deze beslissing te ondertekenen.

T. Peters, voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.