Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1753

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
AWB- 20_4735 VV PKV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Opleggen last onder dwangsom tot terugbrengen pand naar woning voor maximaal één huishouden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/4735 GEMWT VV

uitspraak van 10 april 2020 van de voorzieningenrechter op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2], te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde: J.A.L. van Engelen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 januari 2020 (bestreden besluit) van het college over het opleggen van een last onder dwangsom. De last houdt in dat de heer [naam verzoeker 1] binnen vier maanden na verzending van dit besluit (dus voor 8 mei 2020) het pand [adres] terugbrengt naar de situatie waarvoor in 1923 vergunning is verleend. Dit betekent dat het pand gebruikt mag worden door maximaal één huishouden. Aan de last is een eenmalige dwangsom verbonden van € 10.000,-.

Verzoekers hebben de voorzieningenrechter op 17 februari 2020 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 19 maart 2020 heeft het college bericht de uitvoering van het bestreden besluit op te schorten tot zes weken na het nemen van een beslissing op het bezwaar. De reden daarvoor is gelegen in de maatregelen die zijn getroffen vanwege het coronavirus.

Vervolgens hebben verzoekers het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren.

De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.

2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit het besluit van 19 maart 2020 dat het college in ieder geval gedeeltelijk aan verzoekers is tegemoetgekomen door de begunstigingstermijn van de opgelegde last onder dwangsom op te schorten. Vast staat echter ook dat de reden daarvoor uitsluitend is gelegen in de maatregelen die zijn getroffen in verband met het coronavirus. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om het college te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen.

3. De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat de griffier op grond van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb het griffierecht van € 178,- aan verzoekers zal terugbetalen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 10 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.