Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1750

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
AWB - 18_457
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/457 WIA

uitspraak van 10 april 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam 1] , eiser,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 december 2017 (bestreden besluit) van het UWV inzake de weigering de uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) te wijzigen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 24 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.B.A. van Grinsven.

Bij beslissing van 31 januari 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en bepaald dat verzekeringsarts mr. J.T.J.A. Klijn (Klijn) als deskundige onderzoek zal verrichten naar de belastbaarheid van eiser. Op 19 november 2019 heeft Klijn een rapport gedateerd 29 oktober 2019 uitgebracht. Het UWV heeft op dit rapport gereageerd met een aanvullende rapportage van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 2 december 2019. Eiser heeft gereageerd op 9 januari 2020.

De rechtbank heeft partijen op 21 januari 2020 geïnformeerd dat zij voornemens is uitspraak te doen zonder nadere zitting, tenzij partijen binnen vier weken zouden aangeven dat zij op een zitting willen worden gehoord. Omdat geen van de partijen heeft aangegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Dit is op 27 februari 2020 aan partijen kenbaar gemaakt.

Overwegingen

1. Feiten

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is werkzaam geweest als SIM-manager voor 37,43 uur per week bij [naam bedrijf] te [plaatsnaam2] . Voor dat werk is hij op 2 februari 2009 uitgevallen vanwege duizeligheidsklachten.

Bij besluit van 14 januari 2011 heeft het UWV eiser met ingang van 1 februari 2011 een loongerelateerde uitkering ingevolge de WIA toegekend omdat eiser tussen de 80 en 100% arbeidsongeschikt werd geacht.

Bij besluit van 18 juni 2015 heeft het UWV de uitkering ingetrokken per 19 augustus 2015. Eiser heeft daartegen een bezwaarschrift ingediend en een aanvraag voor een nieuwe uitkering in verband met toegenomen klachten per 1 oktober 2015 ingediend bij het UWV. Tegen het afwijzen van die aanvraag bij besluit van 2 februari 2016 heeft eiser eveneens een bezwaarschrift ingediend. Nadat het UWV de bezwaren tegen die beide besluiten ongegrond had verklaard heeft eiser twee beroepschriften ingediend bij deze rechtbank.

Mede naar aanleiding van het onderzoek van de door de rechtbank ingeschakelde medisch deskundige KNO-arts en oorheelkundig expert C.W.R.J. Cremers heeft het UWV bij besluiten van 7 april 2017 eisers WIA-uitkering vanaf 19 augustus 2015 onveranderd toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% en die uitkering per 1 oktober 2015 eveneens gebaseerd gehouden op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hierop heeft eiser zijn beide beroepen bij deze rechtbank ingetrokken.

Bij besluit van 26 april 2017 (primair besluit) heeft het UWV eiser gemeld dat hij meer (lees: minder) arbeidsongeschikt is geworden dan voorheen. Eiser is volgens dat besluit 41,36% arbeidsongeschikt. De hoogte van de loonaanvullingsuitkering van eiser verandert daardoor niet. Die uitkering ontvangt eiser tot 1 mei 2019.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser 61,43% arbeidsongeschikt is per 27 april 2017.

2. Omvang geschil

In geschil is of het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 27 april 2017 heeft vastgesteld op 61,43%.

3. Wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

In het tweede lid is bepaald dat in het eerste lid onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.

In het derde lid is bepaald dat onder duurzaam mede wordt verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Volgens artikel 5 van de WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Van belang is dan ook:

- of eiser medische beperkingen heeft en

- of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.

4. Medische beoordeling

Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapportages van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts b&b van het UWV.

4.1

Verzekeringsarts P. van Muijen heeft eiser gezien op het spreekuur van 3 maart 2017 en het dossier bestudeerd. De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat de door eiser nieuw ingebrachte klachten, te weten overgevoeligheid voor geluid en het ervaren van een pieptoon op zichzelf redenen zijn voor een beperking ten aanzien van blootstelling aan geluid maar dat dit in de kritische functionele mogelijkheden lijst (FML) van 20 februari 2017 (de recentste kritische FML, op aangeven van de vaste deskundige van de Rechtbank opgesteld) al was voorzien in beperkingen voor blootstelling aan harde geluiden en eventuele problemen in communicatie met derden. Ondanks de gemelde klachtentoename per mei 2016 is hier niets aan toe te voegen. De FML van 20 februari 2017 is volgens de verzekeringsarts daarom nog steeds van toepassing. Verder kunnen zijns inziens de vermoeidheidsklachten passen bij de genoemde klachten. De verzekeringsarts wijst daarbij op de dagbesteding en het activiteitenniveau, in afwezigheid van een stoornis in de energiehuishouding als gevolg van energietekort, een te groot energieverbruik dan wel verminderde recuperatiemogelijkheden als gevolg van medisch objectiveerbaar ziekte of gebrek zoals bedoeld in de standaard Duurbelasting in Arbeid. Daarom is er zijns inziens geen urenbeperking aan de orde.

De beperkingen en de belastbaarheid heeft Van Muijen neergelegd in de FML van 23 februari 2017.

Verzekeringsarts b&b G. Sprenkels heeft eiser gezien op de hoorzitting van 26 oktober 2017 en het dossier bestudeerd. Zij heeft gerapporteerd dat de door eiser in bezwaar ingestuurde informatie van de psychiater (GGMD) niet leidt tot beperkingen boven de al aangegeven beperkingen. Specifiek naar aanleiding van de bezwaargronden stelt Sprenkels dat het rapport van deskundige Cremers niet enkel ziet op de datum in geding in 2015, maar ook op de onderzoeksdatum. Weliswaar is eiser het bij navraag niet eens met dat verslag, echter

dit rapport is in beroep vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht dit rapport en wijze waarop het is vertaald in beperkingen in een FML correct. Sprenkels ziet geen nieuwe medische feiten bij haar herbeoordeling en daarmee acht zij de FML correct door de primaire verzekeringsarts vastgesteld. De FML acht zij terecht onveranderd en gelijk

aan die zoals in het eerdere beroep vastgesteld. Bij de ingebrachte informatie van de behandelende sector wordt door de behandelaren hun visie weergegeven op de vastgestelde belastbaarheid (FML). Ten eerste acht Sprenkels de behandelaren niet de aangewezen personen voor het beoordelen van de belastbaarheid in het kader van de WIA, conform de richtlijn van de KNMG. Ten tweede acht zij een andere interpretatie van bestaande medische feiten, niet een gewijzigd medisch feit. Ten derde is er geen objectiveerbare toename van een medisch toestandsbeeld aan de orde.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst er nog op dat de huidige datum in geding niet is gelegen in 2016, maar (wegens de beroepszaak) is vastgesteld naar 27 april 2017.

De beperkingen en de belastbaarheid heeft Sprenkels ongewijzigd overgenomen in de FML van 13 november 2017.

4.2

Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat de bezwaren weliswaar gegrond zijn verklaard, maar dat ten onrechte de medische bezwaargronden niet tot wijziging van de FML hebben geleid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten onrechte niets gedaan met de ingediende medische bezwaren. Juist een andere medische interpretatie van medisch specialisten geeft een objectieve basis voor toename en/of ernst van de ziekte en/of gebreken.

De medische beperkingen blijken veel groter dan het UWV stelt. Eiser wijst op zijn dagelijkse problemen van duizeligheid, die dan dagen kunnen duren. De weken erna is eiser dan nog ernstig beperkt. Dit mede omdat de verschillende ziektebeelden elkaar negatief versterken. Ook de daaruit voortkomende toename van vermoeidheid wordt volgens eiser genegeerd door het UWV, net als de psychische beperkingen. Waar de verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat het niet aan behandelaars is om belastbaarheid in het kader van de WIA vast te stellen rest eiser niets dan op de medische informatie te wijzen die in bezwaar is ingebracht en waaruit voldoende ondersteuning voor zijn standpunt blijkt.

Daarbij heeft eiser gewezen op de beide brieven van verzekeringsarts H.M.T. Offermans van 28 maart 2018 en van 7 januari 2019. Deze verzekeringsarts heeft aangegeven dat de door de deskundige in de eerdere procedure aangedragen wijzigingen niet op voldoende wijze door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn meegenomen. Verder heeft hij aangegeven dat de beheersmatige functie(’s) die deskundige Cremers geschikt achtte voor eiser niet in de geduide functies kunnen worden gezien, gelet op het uitgesproken productiematige karakter van die functies. Voorts wijst hij er op dat de in eerdere instantie ingeschakelde KNO-arts Linge de vermoeidheid bij eiser heeft benadrukt en daarbij heeft gesteld dat eiser lijdt aan energietekort of een verhoogd energieverbruik.

4.3

De rechtbank twijfelde door hetgeen is aangevoerd in het beroepschrift en de toelichting van eiser ter zitting of zijn belastbaarheid juist is vastgesteld door de verzekeringsartsen van het UWV. De rechtbank heeft daarom aanleiding gezien als onafhankelijk deskundige verzekeringsarts Klijn in te schakelen.

In zijn rapport van 29 oktober 2019 heeft Klijn geconcludeerd dat eiser meer beperkt is dan door de verzekeringsarts b&b is aangenomen. De verzekeringsarts van het UWV heeft zijn belastbaarheidsoordeel volgens Klijn ten onrechte opgesteld zonder daarbij een medische urenbeperking voor eiser aan te nemen van 6 uur per dag en 30 uur per week. Klijn is van mening dat deze urenbeperking volgt uit het dagverhaal waarbij eiser ondanks een nachtrust van 9 uur nog iedere middag moet rusten. Gelet op het feit dat inmiddels consensus bestaat over het bestaan van duizeligheidsklachten enerzijds en het gegeven dat door de diverse behandelaars van eiser is aangegeven dat een energetische belasting voortkomt uit de combinatie van duizeligheidsklachten en gehoorproblemen anderzijds bestaat volgens Klijn aanleiding deze energetische beperking als objectief en rechtstreeks vaststelbaar gevolg van ziekte en/of gebrek aan te nemen.

4.4

In reactie op het deskundigenbericht heeft verzekeringsarts b&b Sprenkels met haar rapportage van 2 december 2019 aanvullend gerapporteerd. De verzekeringsarts b&b kan zich niet vinden in de bevindingen van deskundige Klijn. Waar Klijn verwijst naar de rustmomenten van eiser ziet Sprenkels dat als ’klachtencontingente benadering’ waarvoor volgens haar geen medisch onderliggend substraat aannemelijk wordt gemaakt. Zij ziet onvoldoende op welke grond Klijn meent te moeten afwijken van wat Cremers in de eerdere procedure ter zake heeft vastgesteld.

4.5

Eveneens in reactie op het deskundigenbericht heeft eiser na consultatie van zijn medisch adviseur verzekeringsarts H.M.T. Offermans gesteld dat deze de beperking van de duurbelasting als door de deskundige noodzakelijk geacht, onderschrijft. Concreet betekent dit volgens eiser dat de duurbelastingsbeperking als in 2011 door verzekeringsarts Maris vastgesteld ook op de datum in deze procedure in geding (27 april 2017) als correct dient te worden aanvaard. Eiser is daarnaast van mening dat een arbeidsduurbeperking tot 6 uur per dag en 30 uren per week niet ver genoeg gaat.

5. Oordeel van de rechtbank

5.1

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt, tenzij bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel kunnen rechtvaardigen (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3654). Naar het oordeel van de rechtbank is er in dit geval geen reden om een uitzondering op de hoofdregel aan te nemen en kan het rapport van de onafhankelijke deskundige worden gevolgd. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is voldoende gemotiveerd. Deskundige Klijn had de beschikking over alle relevante medische gegevens, inclusief de rapportage van KNO-arts en oorheelkundig expert C.W.R.J. Cremers die als medisch deskundige in de eerdere procedure was uitgebracht. Bovendien heeft hij eiser zelf onderzocht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de deskundige zijn medische bevindingen voldoende gemotiveerd en is hij op zorgvuldige en voldoende inzichtelijke wijze tot zijn standpunt gekomen.

5.2

Ten aanzien van de door deskundige Klijn voorgestelde beperking van de arbeidsomvang (aspecten 6.2 en 6.3) overweegt de rechtbank dat Klijn genoegzaam heeft toegelicht dat eiser maximaal zes uur per dag, in plaats van de door het UWV voorgestane acht uur per dag en daarmee dus 30 in plaats van 40 uur per week arbeid kan verrichten. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat ook de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts Offermans op 28 maart 2018 al had aangegeven dat Cremers alleen onder voorwaarden een volledige werkweek met acht uren per werkdag mogelijk achtte voor eiser.

Ook in zijn reactie van 6 december 2018 heeft Offermans gemotiveerd weergegeven waarom uitsluitend bij bewegingsarme functies geen urenreductie noodzakelijk hoeft te zijn. Daar heeft Offermans nog aan toe gevoegd dat de in 2010 door verzekeringsarts Maris vastgestelde duurbelastbaarheidsbeperking nog altijd aan de orde is nu de oorzaak daarvoor sinds 2010 slechts is toegenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de door haar ingeschakelde deskundige Klijn niet te volgen op dit punt.

5.3

De rechtbank komt tot de conclusie dat de FML dient te worden aangepast conform het rapport van Klijn.

6. Conclusie

6.1

De rechtbank is gelet op de bevindingen van de deskundige van oordeel dat eiser meer beperkt is in zijn belastbaarheid dan door de verzekeringsartsen van het UWV is vastgesteld. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit op een

onjuiste medische grondslag berust en voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep van eiser zal daarom gegrond worden verklaard. Aan een bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet toe.

6.2

De rechtbank ziet geen aanleiding een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Gelet op de conclusie van de deskundige zal het UWV opnieuw de mate van arbeidsongeschiktheid moeten vaststellen met inachtneming van de aanpassing van de FML zoals beschreven in het rapport van Klijn. Met inachtneming van de aanpassing van de FML dient onderzocht te worden welke functies geduid kunnen worden. Het UWV zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6.3

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

6.4

De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De kosten van rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in tegenwoordigheid van R.V. van Vliet, griffier, op 10 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.