Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1727

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-03-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
BRE 20/27
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning van Solarius Sun United B.V. voor het oprichten van een zonnepark annex waterberging voor een periode van 20 jaar aan de Kamperweg te Kruiningen.

Het college heeft de omgevingsvergunning voor het planologisch strijdig gebruik verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het project voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Voorts ziet de voorzieningenrechter geen reden om te twijfelen aan de tijdelijkheid van het project.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/27 WABOA VV en BRE 20/28 WABOA

uitspraak van 6 maart 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te Hansweert, verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reimerswaal, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

Solarius Sun United B.V., te Kruiningen,

gemachtigde: F.C.M. van Gurp.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 3 januari 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van 13 november 2019 van het college (bestreden besluit) inzake het verlenen van een omgevingsvergunning aan Solarius Sun United B.V. (hierna: Solarius) voor het oprichten van een zonnepark annex waterberging voor een periode van 20 jaar aan de Kamperweg te Kruiningen. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 21 februari 2020. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door T.M.J. de Koster en J. Hack. Solarius heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, J. Soons (verbonden aan Lamb Weston / Meijer v.o.f.) en J. Wiskerke (verbonden aan Wiskerke Onions B.V.).

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 30 augustus 2019 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het tijdelijk (20 jaar) realiseren en exploiteren van een zonnepark annex waterberging op een perceel aan de Kamperweg te Kruiningen, kadastraal bekend Reimerswaal sectie W, nummer 200 (specifieke locatie: W 198, 199, 200, 201, 202, 203, 204, 205, 205, 210, 211, 305, 306, 307, 346, 402, 403). Met ingang van 19 september 2019 heeft het college de aanvraag en het ontwerpbesluit tot het verlenen van de gevraagde vergunning met bijbehorende stukken gedurende zes weken ter inzage gelegd. Verzoeker heeft daartegen zijn zienswijze kenbaar gemaakt.

Bij besluit van 10 september 2019 heeft de raad van de gemeente Reimerswaal een verklaring van geen bedenkingen voor het in geding zijnde bouwplan afgegeven.

Vervolgens heeft het college bij het bestreden besluit een omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’, ‘uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden’ en ‘gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ verleend. In het bij het bestreden besluit gevoegde zienswijzenrapport is op de zienswijze van verzoeker gereageerd.

Het college heeft het bestreden besluit op 20 november 2019 gepubliceerd.

Beroeps- en verzoeksgronden

2. Verzoeker heeft aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen, en heeft daarvoor – samengevat – de volgende argumenten gegeven.

 Het bestreden besluit loopt vooruit op nog door de gemeente vast te stellen energiebeleid. Gezien de impact van het bestreden besluit op het landschap, acht verzoeker dat onjuist.

 Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 2.9 van de provinciale Omgevingsverordening Zeeland 2018 (de Omgevingsverordening), waarin is vastgesteld dat zonne-energie is toegestaan ‘op of aangrenzend aan een bedrijventerrein indien de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan het bedrijventerrein’.

 Onduidelijk is hoe de afbraak van het zonnepark na 20 jaar is voorgeschreven. Verzoeker vreest ervoor dat de belastingbetaler zal opdraaien voor de aan de afbraak verbonden kosten.

 Aantasting van het landschap.

 Het plan onttrekt zonder duidelijke noodzaak 22 hectare aan de voedselproductie.

 Er is geen alternatief beschouwd.

 De beoogde directe verbinding met de bedrijven Lamb Weston / Meijer v.o.f. en Wiskerke Onions B.V. komt niet ter sprake. Verzoeker wijst op de vermelding in het bestreden besluit dat daarvoor een apart vergunningtraject nodig zal zijn. Daarvoor zijn volgens verzoeker echter nog geen stappen gezet.

 Er is geen goedkeuring van TenneT.

 Het zonnepark draagt niet in enigerlei relevante vorm bij aan gewenste reductie van de CO2-uitstoot in de wereld.

Verzoeker heeft aangegeven dat er sprake is van een urgente zaak, gezien de grote mate van ingrijpendheid in combinatie met het gekozen tijdspad. Hij heeft de voorzieningenrechter daarom verzocht het bestreden besluit te schorsen.

Spoedeisend belang

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ter zitting is gesproken over het spoedeisend belang in deze zaak. Aangezien verzoeker zijn beroep- en verzoekschrift binnen zes weken na de publicatie van het bestreden besluit heeft ingediend, is de verleende omgevingsvergunning niet in werking getreden. Ter zitting is door Solarius toegelicht dat de realisatie van het project afhankelijk is van nog te verlenen subsidie en dat haar spoedeisend belang is gelegen in de subsidieaanvraag die zij in maart wil indienen. Dat belang is door de andere partijen niet betwist. De voorzieningenrechter gaat daarom uit van een voldoende spoedeisend belang.

4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Ontvankelijkheid beroep

5. Door het college en Solarius is ter zitting ook het belang van verzoeker bij het bestreden besluit aan de orde gesteld.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder ‘belanghebbende’ verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Om als belanghebbende bij een besluit in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) – bijvoorbeeld de uitspraak van 30 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2347) – een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

Verzoeker is eigenaar van het perceel Kamperweg 1 te Hansweert en woont daar, volgens eigen zeggen, ongeveer vier maanden per jaar. Ter zitting is met partijen vastgesteld dat dat perceel ligt nabij de percelen aan de Kamperweg waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. De in geding zijnde percelen en het perceel Kamperweg 1 zijn van elkaar gescheiden door de spoordijk. Vanaf het perceel van verzoeker bestaat door een tunneltje zicht op de percelen waarop het zonnepark is gepland. Verzoeker voldoet daarmee aan het zicht- en nabijheidscriterium en moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter als belanghebbende worden beschouwd.

Het beroep is dus ontvankelijk.

Beoordelingskader

6. De in geding zijnde percelen aan de Kamperweg te Kruiningen zijn gelegen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2016’. De gronden waarop het plan is geprojecteerd hebben in dat bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch’, de dubbelbestemmingen ‘Waarde – archeologie 2’ en ‘Leidingen – Hoogspanningsleidingen’ en de gebiedsaanduidingen ‘Overige zone – ruimte voor verdichting’ en ‘vrijwaringszone – radar’.

Tussen partijen is niet in geschil dat het in geding zijnde project in strijd is met de bestemmingen en dubbelbestemmingen van het bestemmingsplan. Verzoeker vindt dat het college geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan had mogen verlenen. Voorop dient te worden gesteld dat de bevoegdheid van het college om een omgevingsvergunning voor het planologisch strijdig gebruik te verlenen een discretionaire bevoegdheid is, die de voorzieningenrechter slechts terughoudend kan toetsen.

Daarbij dient ook voorop te worden gesteld dat – volgens vaste jurisprudentie van de AbRS, bijvoorbeeld de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1746 – het college omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning moet beslissen op de aanvraag zoals die door de aanvrager is ingediend. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

7. Het college heeft de omgevingsvergunning voor het planologisch strijdig gebruik verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Mede op basis van de door Solarius overgelegde ruimtelijke onderbouwing van adviesbureau Plan & Omgeving heeft het college gevonden dat het project voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.

Het college heeft de ruimtelijke onderbouwing, inclusief bijlagen, als bijlage bij het bestreden besluit gevoegd en aangemerkt als onderdeel van het bestreden besluit.

Omgevingsverordening Zeeland 2018

8. Verzoeker heeft een beroep gedaan op de Omgevingsverordening. Volgens hem staat artikel 2.9 van de Omgevingsverordening een zonnepark op de in geding zijnde percelen niet toe.

De voorzieningenrechter stelt vast dat artikel 2.9 van de Omgevingsverordening geen rechtstreeks werkende bepalingen bevat. Dat betekent dat artikel 2.9 van de Omgevingsverordening geen directe gronden bevat op grond waarvan de omgevingsvergunning (op grond van artikel 2.10, eerste lid, sub c, van de Wabo) had moeten worden geweigerd. Wel kunnen de bepalingen uit artikel 2.9 van de Omgevingsverordening invulling geven aan het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’ in de zin van artikel 2.12, eerste lid van de Wabo.

In de ruimtelijke onderbouwing is aandacht besteed aan het provinciaal beleid, waaronder (artikel 2.9 van) de Omgevingsverordening. Overwogen is dat zonprojecten, anders dan op dak, zijn toegestaan binnen bestaand bebouwd gebied, in combinatie met windenergieprojecten, in combinatie met infrastructuur zoals dijken, (vaar- en spoor)wegen en nutsvoorzieningen, op stortplaatsen en locaties voor glastuinbouw, aansluitend aan bestaand bebouwd gebied en op water. Geconcludeerd is (ook toetsend aan rijks- en gemeentelijk beleid) dat de ontwikkeling passend is.

De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn standpunt dat het zonnepark niet voldoet aan artikel 2.9, tweede lid, sub c, van de Omgevingsverordening. Het zonnepark is gepland aangrenzend aan het bedrijventerrein waarop Lamb Weston / Meijer v.o.f. en Wiskerke Onions B.V. zijn gevestigd. Het feit dat de percelen van elkaar gescheiden zijn door de provinciale weg, maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat niet aan artikel 2.9, tweede lid, sub c, van de Omgevingsverordening wordt voldaan. Daarbij komt dat artikel 2.9, tweede lid, sub e, van de Omgevingsverordening ook een zonnepark toelaat aangrenzend aan gronden die bestemd zijn voor infrastructuur, nutsvoorzieningen, en dergelijke.

Het college heeft in artikel 2.9 van de Omgevingsverordening dan ook geen reden hoeven zien om het project in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten.

Ruimtelijke onderbouwing

9. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing is toegelicht dat het zonnepark is gepland op gronden in een poldertje in de oksel van de Oude Rijksweg (N289), de Zanddijk en de spoordijk en dat dit poldertje overwegend agrarisch in gebruik is. Vanwege de vorm van het poldertje bestaan er vele zogenaamde overhoeken. Ook zijn de gronden volgens Plan & Omgeving landbouwkundig matig van kwaliteit. Gelet op de ligging van het poldertje (tussen diverse infrastructurele werken, onder de hoogspanningsverbinding Borsele-Tilburg en volledig omringd door dijken) is deze locatie volgens Plan & Omgeving bij uitstek geschikt om een zonnepark te realiseren.

In paragraaf 2.2 van de ruimtelijke onderbouwing is nader toegelicht dat de percelen vanwege de kavelvormen en de aanwezigheid van twee hoogspanningsmasten minder geschikt zijn voor (moderne) landbouw. Ook de landbouwkundige bodemkwaliteit is volgens Plan & Omgeving matig. De gronden (moergrond) zijn niet goed geschikt voor het telen van bepaalde gewassen en er bestaat een matig opbrengend vermogen. Ook zijn er in de grond ziektes aanwezig, waardoor bepaalde gewassen (aardappelen en uien) voorlopig niet geteeld kunnen worden. Vervolgens is toegelicht dat door de aanwezige dijkenstructuur het gebied reeds natuurlijk aan het zicht wordt onttrokken en is een toelichting gegeven op de landschappelijke inpassing. Verwezen is daarbij naar het landschappelijke inpassingsplan dat is opgesteld door Buro Ruimte & Groen.

De voorzieningenrechter ziet in de beroepsgronden van verzoeker geen reden om te oordelen dat aan het bestreden besluit geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt.

Voor de beroepsgronden, dat het bestreden besluit vooruit loopt op nog vast te stellen energiebeleid, dat er onvoldoende alternatievenonderzoek is verricht en dat er geen goedkeuring zou zijn van TenneT, verwijst de voorzieningenrechter naar de hiervoor (onder 6) genoemde jurisprudentie op grond waarvan geldt dat het college een besluit diende te nemen op de aanvraag zoals die door Solarius is ingediend.

Voor de overige beroepsgronden geldt dat verzoeker zijn standpunten niet heeft onderbouwd met objectieve gegevens. De voorzieningenrechter ziet in de enkele betwisting onvoldoende reden om op die punten aan de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing te twijfelen. Het college mocht het bestreden besluit dus baseren op de ruimtelijke onderbouwing van Plan & Omgeving.

Tijdelijkheid voorziening

10. De omgevingsvergunning is verleend voor een periode van maximaal 20 jaar. Aan de omgevingsvergunning is het voorschrift verbonden dat na deze termijn de vergunde activiteiten moeten zijn beëindigd en dat de vergunninghouder verplicht is de voor de verlening bestaande toestand te (laten) herstellen en hersteld te houden en/of weer in overeenstemming moet worden gebracht met de ter plaatse geldende wettelijke voorschriften, zoals het bestemmingsplan.

Verzoeker heeft aangegeven dat hij betwijfelt dat de situatie over 20 jaar weer in de oorspronkelijke staat zal worden hersteld. Daarbij stelt hij ook de vraag wie voor die kosten moet opdraaien.

In de ruimtelijke onderbouwing is toegelicht dat het park is ontworpen op een levensduur van 20 jaar en dat het park na deze 20 jaar zal worden ontmanteld en milieubewust zal worden verwerkt. Een erkend verwerkingsbedrijf zal deze sanering uitvoeren.

Op Solarius rust dus de plicht om na 20 jaar het zonnepark te ontmantelen en om de gronden weer in hun oorspronkelijke staat te herstellen. Solarius heeft op zitting ook toegelicht dat zij zich bewust is van die verplichting. Als zij zich niet aan die verplichting houdt dan is het college bevoegd om daartegen handhavend op te treden.

De voorzieningenrechter ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de tijdelijkheid van het project.

Slotoverwegingen

11. Op basis van het voorgaande heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het oprichten van het zonnepark voor een periode van maximaal 20 jaar.

Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid (voor zover van belang):

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

  1. het bouwen van een bouwwerk,

  2. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald,

  3. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan,

  4. […].

Artikel 2.10 (voor zover van belang):

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. […];

de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

[…].

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a:

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

  1. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

  2. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

  3. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Omgevingsverordening Zeeland 2018

Artikel 2.9 (voor zover van belang):

  1. In een bestemmingsplan wordt een opstelling voor zonne-energie uitsluitend toegelaten binnen bestaand stedelijk gebied.

  2. In afwijking van het eerste lid kan een opstelling voor zonne-energie worden toegelaten buiten bestaand stedelijk gebied:

  1. aangrenzend aan bestaand stedelijk gebied indien de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan het aangrenzende bestaand stedelijk gebied;

  2. op of aangrenzend aan een bouwvlak, mits de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan het aangrenzende bouwvlak;

  3. op of aangrenzend aan een bedrijventerrein indien de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan het bedrijventerrein;

  4. op of aangrenzend aan gronden waarop glastuinbouwbedrijven zijn toegelaten indien de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan de glastuinbouwbedrijven;

  5. op of aangrenzend aan gronden die bestemd zijn voor infrastructuur, nutsvoorzieningen, stortplaats, opstellingen voor zonne-energie of een windenergie concentratielocatie;

  6. op gronden die bestemd zijn voor water indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat er geen significant nadelige effecten zijn voor natuur, recreatie of visserij.

In de toelichting bij het bestemmingsplan, waarin een opstelling voor zonne-energie wordt toegelaten buiten bestaand stedelijk gebied, wordt aannemelijk gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten.

[…]