Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1708

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
02-820040-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt twee verdachten voor de moord op een vriend door hem door het hoofd te schieten.

De politie ziet ’s nachts twee personen een flat ingaan. In die flat wordt bij de inval een dodelijk slachtoffer aangetroffen. Verdachten vluchten via het balkon, vallen en worden aangehouden.

Voor de bewezenverklaring heeft de rechtbank onder andere gebruik gemaakt van een Interdisciplinair Forensisch Onderzoek (IDFO-onderzoek).

Het alternatieve scenario van verdachten dat zij zijn weggegaan toen het slachtoffer nog leefde en dat onbekend gebleven personen hebben geschoten, acht de rechtbank niet aannemelijk, gelet op aanwezige bewijsmiddelen en de ongeloofwaardigheid van de door een van de verdachten afgelegde verklaring. Veroordeling voor medeplegen van moord tot 20 jaar gevangenisstraf. De rechtbank ziet geen aanleiding de straf te matigen vanwege het bij verdachten ontstane letsel door de val.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/820040-18

vonnis van de meervoudige kamer van 9 april 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats]

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

correspondentieadres: [correspondentieadres]

raadsman mr. J.-H. L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 maart 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Van Setten, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

feit 1 primair: hij op of omstreeks 09 januari 2018 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een persoon genaamd [slachtoffer]

opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(s) meermalen, althans eenmaal(een) schot(en) op en/of in de richting van het hoofd, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] afgevuurd, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 1 subsidiair: hij op of omstreeks 09 januari 2018 te Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk met een of meer vuurwapen(s) meermalen, althans eenmaal schoten op en/of in de richting van het hoofd, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] afgevuurd, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 2: hij op of omstreeks 09 januari 2018 te Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een of meer wapens van categorie III, te weten:

- een (half geladen) pistool, Zavodi Crvena Zastava, Model M57, kaliber 7,62mm x 25mm Tokarev en/of

- een (geladen) pistool merk Zavodi Crvena Zastava cal 7.65 mm Model M70 en/of

- een (geladen) revolver van het merk Zoraki, model Streamer, kaliber 6 mm Flobert 7,5 joule, en/of

munitie van categorie III, te weten:

- 9, althans een aantal patro(o)n(en) (aanwezig in het pistool, Zavodi, Model M57) en/of

- 4, althans een aantal patro(o)n(en) (aanwezig in het pistool, Zavodi, Model M70) en/of

- 8, althans 5, in elk geval een aantal patro(o)n(en) (aanwezig in de revolver, Zoraki)

voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich samen met zijn medeverdachte [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer] en het voorhanden hebben van de onder feit 2 ten laste gelegde wapens en munitie.

Naar de mening van de officier van justitie is er geen enkele aanleiding te vinden voor het doodschieten van [slachtoffer] op dat moment, op die locatie, en moet daarom het doodschieten uit een intrinsieke motivatie van de daders zijn gekomen. Dit kan volgens de officier van justitie niet anders worden uitgelegd dan als een situatie na kalm beraad en rustig overleg en dient derhalve te worden gekwalificeerd als moord.

Alhoewel slechts één van de twee kogels dodelijk was, is er naar de mening van de officier van justitie sprake van het plegen van moord tezamen en in vereniging. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering, waarbij het opzet gericht was op de dood, waarbij het min of meer toevallig is geweest door welke kogel [slachtoffer] uiteindelijk is komen te overlijden.

Gelet op het bewijs, in onderlinge samenhang bezien, kan het volgens de officier van justitie niet anders zijn dan dat [verdachte] en [medeverdachte] de moord samen hebben gepleegd.

Op basis van alle stukken in het dossier acht de officier van justitie het alternatieve scenario zoals dat volgt uit de verklaring van [verdachte] niet aannemelijk geworden. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op opmerkelijkheden met betrekking tot onder meer de tijdslijn, de tag en het appartement, het bezoek aan de [straatnaam 1] , het verplaatsen van de auto in combinatie met de telefonische contacten, de achtervolging, het aantreffen van de wapens, het binnenkomen van de flat en de tijd tot de inval en voorts op een verwijderd chat-gesprek.

Gezien het late moment waarop [verdachte] een verklaring heeft afgelegd, acht de officier van justitie de verklaring onbetrouwbaar en gelet op de inhoud daarvan tevens ongeloofwaardig. De verklaring van [verdachte] kan volgens vaste jurisprudentie ter zijde worden geschoven.

De officier van justitie heeft ten slotte gewezen op de conclusie van het IDFO-onderzoek inhoudende dat de combinatie van de bevindingen van dat onderzoek iets waarschijnlijker is bij het scenario van het Openbaar Ministerie dan bij het scenario van [verdachte] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 en heeft verzocht [verdachte] daarvan vrij te spreken.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat, als [verdachte] iets met de dood van [slachtoffer] te maken zou hebben gehad, hij de wapens zou hebben weggemaakt en niet terug zou zijn gegaan naar de flat waar [slachtoffer] lag. Daarnaast werd [slachtoffer] gelinkt aan verschillende (schiet)incidenten (kort) voorafgaand aan het tenlastegelegde en is er weinig tot geen onderzoek gedaan naar alternatieve verdachten.

Er is naar de mening van de raadsman geen bewijsmiddel dat [verdachte] ten tijde van het delict plaatst in de woning waar [slachtoffer] lag en het forensisch onderzoek en de resultaten daarvan wijzen volgens de raadsman niet in de richting van daderschap.

Het gegeven dat [verdachte] wisselend heeft verklaard, is volgens de raadsman te wijten aan het feit dat hij in coma heeft gelegen en zich pas enkele maanden na het tenlastegelegde enigszins kon uiten. De raadsman heeft daarbij opgemerkt dat [verdachte] in zijn eerste inhoudelijke verhoor meermalen eerlijk heeft toegegeven dat hij niet meer precies weet hoe het een en ander was verlopen en dat het geheugen bij niemand onfeilbaar is.

Naar de mening van de raadsman passen de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan het scenario van het Openbaar Ministerie net zo goed bij de lezing van [verdachte] . De raadsman heeft daarbij opgemerkt dat uit onderzoek is gebleken dat de deur van de flat die [verdachte] en [medeverdachte] hebben gebruikt om de flat te verlaten, vaak openstond en dat er op die deur geen cameratoezicht plaatsvindt. Op basis van de camerabeelden waarop is te zien dat er om 4.54 uur twee personen vanuit de zijingang van de flat naar de auto lopen, is er volgens de raadsman geen identificatie mogelijk. De verklaring van [verdachte] dat de tag in de auto lag, kan op grond van het dossier en het feit dat een tag een overdraagbaar object is, naar de mening van de raadsman niet worden gefalsificeerd. [verdachte] was aantoonbaar niet de ‘alleenheerser’ over de tag en er is geen bewijs dat hij de persoon is die de tag om 4.45.22 uur heeft gebruikt. Het om 4.17 uur aanstralen van de telefoon van [medeverdachte] van een zendmast aan de [straatnaam 2] weerlegt volgens de raadsman het door [verdachte] geschetste scenario niet.

Ten aanzien van het WhatsAppgesprek op 9 januari 2018 dat door het Openbaar Ministerie wordt toegeschreven aan [verdachte] en zijn vriendin merkt de raadsman op dat niet is vast te stellen wie de berichten heeft geschreven en dat niet ondubbelzinnig kan worden vastgesteld op wie en op welk moment in de berichten wordt gedoeld.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om het inbraakscenario ofwel het motief proces-verbaal niet in de overwegingen te betrekken nu dit geen verankering vindt in het dossier en er meerdere personen op zoek waren naar [slachtoffer] .

Het (interdisciplinair) forensisch onderzoek kan naar de mening van de raadsman niet in bezwarende zin bijdragen aan het bewijs maar wel in ontlastende zin. Volgens de raadsman wordt in het rapport veelal uitgegaan van aannames. De raadsman heeft opgemerkt dat [verdachte] een verklaring heeft gegeven voor het aantreffen van het DNA van [verdachte] op de plaats delict en de wapens. Ook het schotrestenonderzoek wijst volgens de raadsman niet in de richting van daderschap. De raadsman heeft daarbij onder meer gewezen op de samenstelling van de A-deeltjes die zijn aangetroffen op het shirt van [verdachte] . Tevens heeft de raadsman opgemerkt dat de aangetroffen deeltjes mogelijk in de tas met wapens zaten en zijn overgedragen toen [verdachte] de wapens uit de tas pakte of toen hij de woning betrad en over de plaats delict liep. Er is volgens de raadsman te weinig bekend over de overdracht om concrete scenario’s te kunnen toetsen om daar vervolgens harde conclusies uit te trekken.

De raadsman heeft opgemerkt dat de ondergrens van de mate van bewijskracht in de conclusie van het rapport de bovengrens betreft van de mate van bewijskracht wanneer het ongeveer even waarschijnlijk was geweest dat beide hypotheses juist waren. Dat laat volgens de raadsman al heel wat ruimte voor serieuze twijfels, die alleen maar toenemen met het gegeven dat de verklaring van [verdachte] wordt ondersteund door objectieve onderzoeksbevindingen.

Ten aanzien van het bloedspoorpatroononderzoek heeft de raadsman aangevoerd dat er bij fysiek onderzoek wellicht wel bloedsporen zouden zijn aangetroffen en dat bij het afplakken van het vest van [slachtoffer] met folies mogelijk onbedoeld bloedsporen zijn meegenomen. Het bloedspooronderzoek draagt volgens de raadsman bij aan het door [verdachte] geponeerde onschuldscenario.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat [verdachte] de wapens niet bewust voorhanden heeft gehad, deze bleken in het voertuig te liggen. Dit dient in het kader van de straftoemeting te worden meegewogen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal in het vonnis de verweren in de zaken van beide verdachten bespreken.

Vaststaande feiten en omstandigheden

Op 9 januari 2018 omstreeks 04.40 uur kwam een melding binnen van een verdacht voertuig op de parkeerplaats van winkelcentrum [naam 1] te Breda. Naar aanleiding van die melding surveilleerden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in een opvallend dienstvoertuig en verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] in een onopvallend dienstvoertuig in de omgeving.

Tijdens deze surveillance zagen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken] met gedoofde lichten op de [straatnaam 3] te Breda rijden. Zij naderden met hun dienstvoertuig de Golf en zagen dat de lichten van de Golf aangingen. De Golf reed door en stopte uiteindelijk op een parkeerplaats achter een flat aan de [adres 1] . Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen dat er twee mannen uit de Golf stapten en begonnen weg te rennen. Verbalisant [verbalisant 1] is achter de mannen aan gerend en verbalisant [verbalisant 2] is naar de Golf gegaan.1

Verbalisant [verbalisant 2] zag in de Golf voor de bijrijdersstoel een tas staan. In die tas zag hij drie op vuurwapens gelijkende voorwerpen en een losse houder zitten. Hij zag dat er daadwerkelijk munitie in de houder zat.2

Verbalisant [verbalisant 3] zag zijn collega [verbalisant 1] achter twee mannen aan rennen. Hij zag dat de twee mannen de hoofdingang van de flat geopend hadden, de trap oprenden en bij verdieping drie de hal in renden. [verbalisant 3] verzocht om meerdere eenheden om de flat af te zetten en om een hondengeleider, welke ter plaatse kwamen.3

Op het punt waar verbalisant [verbalisant 3] de verdachten uit het oog was verloren, heeft de hondengeleider aan de diensthond het commando zoeken gegeven. De diensthond sloeg aan bij de toegangsdeur van nummer [adres 1] . Tot de komst van de Dienst Speciale Interventies (hierna: DSI) heeft de hondengeleider samen met de aanwezige collega's zicht gehouden op de toegangsdeur van pand nummer [adres 1] .4

Om 06.15 uur werd door leden van de DSI binnengetreden in de woning. Tijdens het moment van binnentreden verlieten twee verdachten via de achterzijde middels het balkon de woning. Op de bank in de woning lag een man die was overleden.5

Verbalisant [verbalisant 5] stond aan de achterzijde van het gebouw en zag dat de twee verdachten de benen over de rand van het balkon deden, aan de rand van het balkon gingen hangen, loslieten en naar beneden vielen. De verdachten betroffen [verdachte] en [medeverdachte] .6 Zij zijn vervolgens aangehouden met behulp van leden van de DSI.7

De sectie en het radiologisch onderzoek aan het slachtoffer

De overleden man in de woning bleek [slachtoffer] zijn. Bij de sectie van het slachtoffer was één inschot (letsel A) en één doorschot (letsel B en C) zichtbaar aan het hoofd. Deze waren allen het gevolg van bij leven opgetreden inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld (schieten). Het overlijden van [slachtoffer] wordt volledig verklaard door hersenletsel ten gevolge van een doorschot van het hoofd.8

Bij radiologisch onderzoek van het slachtoffer zijn twee trajecten van projectielen zichtbaar in het hoofd. Traject A loopt door de schedel en het hersenweefsel met bloedingen in en

rondom de hersenen. De botfragmenten aan de rechterzijde zijn naar binnen verplaatst. Aan de linkerzijde zijn de botfragmenten naar buiten verplaatst. Op basis hiervan is eenduidig de

richting van het traject vast te stellen: van rechts naar links door het hoofd. Traject B is kort

en beperkt zich enkel tot de huid en de onderhuidse wekedelen ter hoogte van de rechterslaap. De doodsoorzaak is eenduidig vast te stellen op functieverlies van de hersenen door extern penetrerend geweld. Traject B zal niet hebben bijgedragen aan het overlijden.9

Tijdens de sectie werd in het stoffelijk overschot een projectiel [AAJU1695NL] aangetroffen.10 Bij het sporenonderzoek in de woning werd naast het hoofd van het slachtoffer een bebloede kogel [AALF5103NL] aangetroffen. Tussen de benen van het slachtoffer werd een huls [AALF5057NL] aangetroffen.11

Onderzoek aan de wapens en munitie

De in de tas in de Golf aangetroffen wapens en munitie12 zijn nader onderzocht.

Het voorwerp met SIN-nummer AALF6490NL (goednummer 1829480), betreft een centraalvuur pistool van het merk Zavodi Crvena Zastava, model M57, kaliber 7,62mm x 25mm Tokarev. Het wapen was voorzien van een patroonmagazijn. Dit magazijn kan negen patronen bevatten. Bij aantreffen was het pistool half geladen met negen patronen van het kaliber 7,62mm x 25mm Tokarev.13 De rechtbank zal dit vuurwapen hierna ‘het pistool M57’ noemen.

Het voorwerp met het SIN-nummer AALF6441NL (goednummer 1829102) betreft een centraalvuur pistool van het kaliber 7,65 mm Browning. De slede van het wapen is voorzien van de tekst ‘Crvena Zastava cal 7.65 mm M70’. Het wapen was doorgeladen met een patroon in de kamer.14 De rechtbank zal dit vuurwapen hierna ‘de Zastava M70’ noemen.

Het voorwerp met het SIN-nummer AALF6440NL (goednummer 1829773) betreft een patroonmagazijn geladen met vier kaliber 7,65 mm browning patronen.15 Dit patroonmagazijn en deze munitie passen bij de hierboven beschreven Zastava M70.16 Gezien deze overeenkomst en het feit dat er in de tas één patroonmagazijn en één vuurwapen zonder patroonmagazijn werden aangetroffen, gaat de rechtbank ervan uit dat deze bij elkaar horen.

Het goed met het SIN-nummer AALF6493NL (goednummer 1829475) betreft een randvuur revolver van het merk Zoraki, model Streamer, kaliber 6 mm Flobert 7,5 joule. De revolver is voorzien van een naar links draaiende cilinder, welke negen patronen kan bevatten. De cilinder was geladen met acht patronen, waarvan drie reeds waren afgevuurd.17

De wapens zijn vuurwapens in de zin van artikel 1, onder 3e, gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder ten 1 van de Wet wapens en munitie. De bij de wapens aangetroffen munitie is munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III, van de Wet wapens en munitie.18 De rechtbank zal dit vuurwapen hierna ‘de revolver’ noemen.

De bij het slachtoffer aangetroffen munitie is vergeleken met de aangetroffen vuurwapens.

Uit dat onderzoek volgt dat de bevindingen ten aanzien van de kogel naast het hoofd van het slachtoffer [AALF5103NL] extreem veel waarschijnlijker zijn als deze is verschoten uit de loop van de Zastava M70, dan als deze is verschoten met een ander vuurwapen met hetzelfde kaliber en dezelfde systeemkenmerken. De bevindingen ten aanzien van de huls tussen de benen van het slachtoffer [AALF5057NL] zijn zeer veel waarschijnlijker als deze is verschoten met de Zastava M70, dan als deze is verschoten met een ander vuurwapen met hetzelfde kaliber en dezelfde systeemkenmerken.19

Daarnaast volgt uit dat onderzoek dat de bevindingen ongeveer 3000 keer waarschijnlijker zijn als de kogel uit het hoofd van het slachtoffer [AAJU1695NL] is verschoten uit de loop van de revolver dan als hij is verschoten uit de loop van een willekeurig ander vuurwapen gebruikt in Nederland.20

De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat er met zowel de revolver als met de Zastava M70 die in de tas in de Golf zijn aangetroffen, is geschoten op het hoofd van [slachtoffer] en dat daarbij met de Zastava M70 het dodelijke schot is gelost.

DNA-onderzoek

De drie vuurwapens en enkele munitie(delen) werden bemonsterd en onderzocht op DNA. Hieronder bespreekt de rechtbank alleen de voor het vonnis relevante resultaten.

Op het pistool M57 werd DNA aangetroffen van minimaal vier personen. [verdachte] en [slachtoffer] zijn beide mogelijke donoren, samen met minimaal twee onbekende personen. Het DNA-profiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker als [verdachte] donor is, dan als hij dit niet is. Het DNA-profiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker als [slachtoffer] donor is, dan als hij dit niet is.21

Op de Zastava M70 werd DNA aangetroffen van minimaal vier personen. [verdachte] en [medeverdachte] zijn beiden mogelijke donoren, samen met minimaal twee onbekende personen. Het DNA-profiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker als verdachte [verdachte] donor is, dan als hij dit niet is. Het DNA-profiel is circa 24 miljoen keer waarschijnlijker als verdachte [medeverdachte] donor is, dan als hij dit niet is.22

Op de revolver werd DNA aangetroffen van minimaal twee personen. [verdachte] is de mogelijke donor van het DNA-hoofdprofiel. De matchkans is kleiner dan één op één miljard.23

De rechtbank concludeert uit deze resultaten dat er celmateriaal van [verdachte] is gevonden op alle drie de vuurwapens, dat er celmateriaal van [medeverdachte] is gevonden op de Zastava M70, en dat er celmateriaal van [slachtoffer] is gevonden op het pistool M57.

Schotrestenonderzoek

Er is eveneens onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van schotresten bij de verdachten, het slachtoffer en op de aangetroffen hulzen.

De bevindingen van het onderzoek naar de handen van [verdachte] zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer schotresten aanwezig zijn dan wanneer deze niet aanwezig zijn. De bevindingen van het onderzoek naar de handen van [medeverdachte] zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer schotresten aanwezig zijn dan wanneer deze niet aanwezig zijn.24 Voor zowel de mouwen van het shirt van [verdachte] als de mouwen van het vest van [medeverdachte] geldt dat de bevindingen van het onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn als er schotresten aanwezig zijn dan wanneer deze niet aanwezig zijn.25 De verzamelingen deeltjes op beide verdachten zijn vergelijkbaar.26

De rechtbank concludeert uit deze resultaten dat er vergelijkbare verzamelingen schotrestdeeltjes aanwezig waren op de handen en de mouwen van de kledingstukken van beide verdachten.

Van het slachtoffer zijn drie huiddelen van het lichaam, afkomstig van de twee inschoten en het uitschot in het hoofd, uitgenomen en onderzocht op schotresten:27

  • -

    Huiddeel A [AAKD5405NL]: inschot traject B

  • -

    Huiddeel B [AAKD5406NL]: inschot traject A

  • -

    Huiddeel C [AAKD5407NL]: uitschot traject A

Verder zijn ook twee hulzen onderzocht op schotresten:28

  • -

    De huls tussen de benen van het slachtoffer [AALF5057NL]

  • -

    De huls uit de revolver die als laatste verschoten was [AAJS8721NL]

Op zowel de huiddelen als de hulzen worden schotrestdeeltjes aangetroffen. Deze vertonen onderling sterke overeenkomsten.29

De schotresten rondom de twee inschotverwondingen van het slachtoffer (letsel A en B) zijn onderzocht om de schootsafstanden te bepalen. De bevindingen omtrent letsel A zijn waarschijnlijker wanneer de schootsafstand tussen de 5 en 75 centimeter is, dan wanneer deze kleiner of groter is. De bevindingen omtrent letsel B zijn waarschijnlijker wanneer de schootsafstand kleiner is dan 5 centimeter, dan wanneer de schootsafstand groter is. Er was geen sprake van een opgezet (contact)schot.30

De rechtbank concludeert uit deze resultaten dat beide schoten op het hoofd van het slachtoffer zijn afgevuurd vanaf relatief korte afstanden.

Getuigenverklaringen

[getuige 1] is als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat hij die nacht met [slachtoffer] en twee andere jongens, ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’31, in een flat aan de [adres 1] was. Hij was daar met [slachtoffer] om 1.00 uur aangekomen en ze waren allemaal in slaap gevallen. Rond 03.20 uur werd [getuige 1] wakker en heeft hij een taxi gebeld.32 Toen hij wegging, rond 03.45 uur, leefde [slachtoffer] nog.33 [verdachte] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [getuige 1] wegging en dat [slachtoffer] toen ging slapen.34 Volgens [getuige 1] lag [slachtoffer] te slapen op het bankstel. [getuige 1] had nog aan [slachtoffer] gevraagd of hij daar bleef slapen en [slachtoffer] had slaperig ‘ja’ geantwoord.35

De twee jongens die van de flat zijn gesprongen, zijn [bijnaam 1] en [bijnaam 2] .36 [bijnaam 1] is [medeverdachte] en [bijnaam 2] is [verdachte] .37 [slachtoffer] was niet de bewoner van de flat maar verbleef daar wel eens.38

De taxichauffeur heeft bevestigd dat hij om 04.05 uur een klant genaamd ‘ [getuige 1] ’ heeft opgehaald in de [adres 1] in Breda.39 Op de camerabeelden is te zien dat er om 04.04.41 uur een persoon, welke later [getuige 1] blijkt te zijn, het appartementen-complex uit komt gelopen en aan de bijrijderskant de taxi instapt. Om 04.05.10 uur rijdt de taxi weg.40

[getuige 3] is ook als getuige gehoord. Hij staat bij de gemeente ingeschreven op het adres [adres 1] te Breda en heeft verklaard dat [verdachte] die verdachte is, sinds een paar weken in zijn flat verbleef.41

De rechtbank stelt op basis van bovenstaande vast dat er, na het vertrek van [getuige 1] op 9 januari 2018 om 04.05 uur nog drie personen aanwezig waren in de flat aan de [adres 1] te Breda, te weten [verdachte] , [medeverdachte] en [slachtoffer] , en dat [slachtoffer] op dat moment nog in leven was en lag te slapen op de bank.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is wat er is gebeurd tussen het moment dat [getuige 1] wegging en het moment dat [verdachte] en [medeverdachte] , gevolgd door de politie, de flat binnen zijn gegaan. Aan de hand van het dossier, en dan met name de camerabeelden, stelt de rechtbank vast dat in die tijd in ieder geval het volgende heeft plaatsgevonden.

De tijdlijn/camerabeelden

De rechtbank neemt hierna als uitgangspunt dat [slachtoffer] een VW Golf reed. Dit kan worden vastgesteld op basis van de bevindingen omtrent de verhuur van de bij de flat aangetroffen Golf42 en de bevindingen omtrent de aanwezigheid van [slachtoffer] in een VW Golf bij de [naam 2] .43

Op de camerabeelden is waargenomen dat om 04.35.28 uur de verlichting van een bij de flat geparkeerde Golf éénmaal knippert. Dertig seconden later knippert de verlichting van de Golf drie keer. Omstreeks 04.43.36 uur komt er een persoon vanaf de rechterzijkant van het appartementencomplex aangelopen. Die persoon loopt voor de centrale ingang van het complex langs naar de bestuurderskant van de Golf die schuin voor de ingang van het complex geparkeerd staat. Nog voordat de persoon in de Golf zit, knippert de verlichting van de auto twee keer. Vervolgens rijdt de Golf om 04.44.25 uur achteruit het parkeervak uit en de [straatnaam 3] in.44

Om 04.44.49 uur komt de Golf via de achterzijde van het complex het parkeerterrein opgereden en wordt in een parkeervak naast het complex geparkeerd met de voorzijde richting [straatnaam 4] . Eén persoon stapt aan de bestuurderskant uit de Golf en loopt het portiek van het complex in. De verlichting van de Golf knippert éénmaal.

Om 04.45.22 uur wordt het gebruik van een tag geregistreerd.45

De GPS van de Golf gaf aan dat de auto om 04.43.53 uur vanaf de voorzijde van het appartementencomplex werd verplaatst naar de parkeerplaats aan de zijkant van het appartementencomplex.46

Op de camerabeelden is vervolgens waargenomen dat er om 04.53.35 uur vanaf de zijkant van het complex twee personen naar de geparkeerde Golf toe lopen. De verlichting van de auto knippert en om 04.54.00 uur rijdt de auto achteruit het parkeervak uit. De auto rijdt een rondje op de parkeerplaats. Om 04.54.18 rijdt de auto de parkeerplaats af.47 Om 04.59.34 uur rijdt de auto de parkeerplaats naast het appartementencomplex op en komen er twee personen uit de auto die via de hoofdingang het appartementencomplex in rennen. De verlichting van de auto waar zij uit komen, blijft aan staan.48 Om 04.59.22 uur werd het gebruikt van een tag geregistreerd.49

De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat de Golf, waar de verdachten in zaten toen ze om 04:59 uur vanuit deze auto de flat aan de [adres 1] in gingen, voortdurend in de buurt van de flat is geweest en dat de Golf enkel de laatste zes minuten buiten de parkeerplaats van de flat is geweest.

De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of er op grond van het dossier een ander scenario mogelijk is dan het scenario waarin de verdachten degenen zijn geweest die [slachtoffer] om het leven hebben gebracht.

De rechtbank acht daarbij van belang dat niet is gebleken dat er tussen het moment dat [getuige 1] wegging en het moment dat [verdachte] en [medeverdachte] , gevolgd door de politie, de flat binnen zijn gegaan, personen door de hoofdingang dan wel door een andere voor de camera’s zichtbare ingang de flat zijn binnengegaan.50

De verklaring van [verdachte]

heeft verklaard dat hij de betreffende avond samen met [medeverdachte] bij [slachtoffer] is geweest, dat hij en [medeverdachte] in de Golf van [slachtoffer] hebben gezeten, dat er in die Golf een tas met wapens lag en dat hij en [medeverdachte] degenen waren die vanuit die Golf de flat in zijn gerend toen de politie achter hun aan zat.51 Eenmaal boven zagen zij dat [slachtoffer] dood was.

[verdachte] ontkent dat hij en [medeverdachte] degenen zijn die [slachtoffer] hebben doodgeschoten. Tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 31 januari 2019 heeft hij – samengevat – verklaard dat [medeverdachte] en hij ongeveer vijf minuten na [getuige 1] zijn vertrokken via de achterdeur. De rechtbank begrijpt dat [verdachte] hier doelt op een uitgang van de flat waar geen camera op is gericht.

Ze zijn vervolgens lopend naar de woning van de ouders van [verdachte] aan de [straatnaam 7] te Breda gegaan. Daar hebben ze [naam 3] , de broer van [verdachte] , gesproken en inbrekersgereedschap opgehaald uit de schuur. Ze wilden gaan inbreken in een woning in de [straatnaam 5] of de [straatnaam 6] . Aan [verdachte] is ter zitting gevraagd via welke route ze zijn gelopen, maar dit kon [verdachte] zich niet meer herinneren. Op enig moment liepen ze in de [straatnaam 3] en zagen ze de auto van [slachtoffer] aan komen rijden, een Golf.

Bij de politie heeft [verdachte] op 5 maart 2018 verklaard dat hij op de weg is gaan staan om de auto te stoppen, dat de auto stopte en dat hij toen twee jongens in de auto zag waarvan hij van eentje wist dat die ruzie had met [slachtoffer] . Toen [verdachte] vroeg wat ze met de auto van [slachtoffer] deden, zei degene die hij herkende ‘breng die auto maar terug naar [slachtoffer] ’. [verdachte] wil uit angst de naam van die persoon niet noemen. [verdachte] en [medeverdachte] zijn vervolgens in de auto gestapt om deze terug naar [slachtoffer] te brengen. Ze hebben echter eerst de auto bij een flat geparkeerd om een sigaretje te roken.

Volgens zijn verklaring bij de rechter-commissaris heeft [verdachte] , toen hij de auto van [slachtoffer] zag, zijn hand opgestoken om de auto te laten stoppen. De auto remde rustig af. [verdachte] schrok een beetje omdat het niet [slachtoffer] was in de auto maar twee andere mensen. Hij heeft gevraagd wat ze met de auto deden. De twee personen in de auto zeiden ‘kom eventjes hier’ en parkeerden daarop de auto bij de flat aan de [straatnaam 3] . Daar stapten ze uit en zijn [verdachte] en [medeverdachte] in de auto gestapt en hebben ze een sigaret gerookt.

Ter zitting heeft [verdachte] verklaard dat de auto maar eenmaal is gestopt, en wel op de parkeerplaats.

Toen ze een sigaret aan het roken waren, zag [verdachte] aan de bijrijderskant een tas met daarin drie wapens van [slachtoffer] . [verdachte] en [medeverdachte] hebben beiden de wapens vastgepakt om ernaar te kijken. [verdachte] zag dat het de wapens van [slachtoffer] waren, hij had deze eerder bij hem gezien. Ze wilden de auto en de wapens terug gaan brengen naar [slachtoffer] . Ze zijn van de parkeerplaats gereden om naar de flat van [slachtoffer] te rijden. Toen ze de bocht om kwamen, zag [verdachte] een politieauto die hem een stopteken gaf. Omdat er wapens in de auto lagen, zijn ze niet gestopt. Bij de parkeerplaats aan de [adres 1] bij de flat van [slachtoffer] zijn [verdachte] en [medeverdachte] uit de auto gestapt en via de hoofdingang naar binnen gegaan.

In zijn verklaring bij de politie heeft [verdachte] verklaard dat [medeverdachte] een tag had om de flat binnen te gaan. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat de tag in de auto van [slachtoffer] lag, bij de bekerhouders in de middenconsole.

Over de wijze van binnenkomen van de flat van [slachtoffer] heeft [verdachte] bij de politie verklaard dat hij op de deur heeft geklopt en niet meer weet hoe ze binnen zijn gekomen. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij wilde aankloppen maar dat de deur van de flat op een kier stond en dat hij die open heeft geduwd.

Toen ze binnenkwamen, zag [verdachte] [slachtoffer] op de bank liggen. Toen [verdachte] erheen wilde lopen, stond hij op iets van ijzer. [verdachte] pakte het op en liet het aan [medeverdachte] zien, die zei dat het een huls was. [verdachte] schrok daarvan en legde de huls terug op de grond. [slachtoffer] werd, ook na aantikken, niet wakker. Naast het hoofd van [slachtoffer] zag [verdachte] bloed liggen. [verdachte] was in shock totdat de politie de deur open brak.

Acht de rechtbank de verklaring van [verdachte] geloofwaardig?

De rechtbank overweegt dat [verdachte] aanvankelijk geen verklaring heeft afgelegd. Op 5 maart 2018 legt hij een weinig gedetailleerde verklaring af om zich vervolgens weer op zijn zwijgrecht te beroepen. Maanden later gaat [verdachte] zijn verklaring van 5 maart 2018 nader concretiseren. Hij legt hierbij wisselende verklaringen af, bijvoorbeeld ten aanzien van het aantal stops dat de Golf heeft gemaakt en de wijze waarop hij en [medeverdachte] de flat van [slachtoffer] zijn binnengekomen. Ook vult hij zijn verklaring later verder aan, zoals ten aanzien van het adres waar ze zouden gaan inbreken en de tag. Wat de rechtbank opvalt, is dat dit aanpassen en aanvullen steeds volgt op nadere informatie in het dossier.

Welke onderdelen van de verklaring van [verdachte] kloppen op basis van bewijsmiddelen naar het oordeel van de rechtbank niet?

  • -

    [verdachte] heeft verklaard dat hij op een ijzer voorwerp (volgens [medeverdachte] een huls) is gaan staan en dat hij deze terug op de grond heeft gelegd. Uit het technisch onderzoek dat in de flat is verricht, blijkt echter dat op de grond van de flat geen huls is aangetroffen.

  • -

    [verdachte] heeft bij de politie en de rechter-commissaris verklaard dat de Golf eerst is gestopt toen hij de auto midden op straat tegenhield en dat de auto vervolgens weer is gestopt op de parkeerplaats waar ze hebben gerookt. Blijkens de GPS-gegevens van de Golf, is de Golf echter slechts eenmaal gestopt, te weten op het parkeerterrein in de [straatnaam 3] . De Golf heeft tussen het wegrijden naast de flat aan de [adres 1] en de stop op het parkeerterrein in de [straatnaam 3] niet stil gestaan.52

Welke onderdelen van de verklaring van [verdachte] acht de rechtbank ongeloofwaardig?

  • -

    [verdachte] verklaart dat ze gingen inbreken en dat ze daarom de woning hebben verlaten. Hij geeft aan niet meer te weten wat voor inbrekerswerktuigen ze hebben gehaald. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. Als ze daadwerkelijk het plan zouden hebben gehad om te gaan inbreken, zou [verdachte] weten wat voor werktuigen ze daarvoor zouden hebben meegenomen en waar die zijn gebleven, te meer nu hij over andere details die in dezelfde periode hebben plaatsgevonden nog wel gedetailleerd kan verklaren.

  • -

    [verdachte] heeft ook verklaard dat hij van ver al zag dat de Golf die aan kwam rijden de Golf van [slachtoffer] betrof. De rechtbank acht die verklaring eveneens ongeloofwaardig. Het was midden in de nacht en [verdachte] geeft niet aan waaraan hij de auto dan precies herkende. In ieder geval zat [slachtoffer] er zelf op dat moment volgens [verdachte] niet in, dat zag hij pas toen hij de auto had laten stoppen. [slachtoffer] maakte gebruik van een veel voorkomende Golf zonder specifieke kenmerken. Dat [verdachte] en [medeverdachte] in het donker al van ver konden zien dat de Golf die kwam aanrijden de Golf van [slachtoffer] betrof is daarom niet aannemelijk.

De rechtbank overweegt daarnaast dat in het door [verdachte] geschetste scenario [verdachte] en [medeverdachte] ongemerkt de flat zouden hebben verlaten, waarna twee andere personen ongemerkt de flat en de woning zouden zijn binnengegaan, deze personen zouden [slachtoffer] hebben vermoord met wapens die van [slachtoffer] zouden zijn en vervolgens zouden deze twee andere personen weer ongemerkt de flat hebben verlaten. Deze twee personen zouden de wapens waarmee ze [slachtoffer] om het leven zouden hebben gebracht en waarop ze hun DNA hebben achtergelaten en daarnaast ook nog een derde wapen van [slachtoffer] , wat niet is gebruikt, vervolgens mee hebben genomen. Ze zouden daarna de Golf van [slachtoffer] hebben meegenomen en de auto inclusief het moordwapen op eigen initiatief hebben afgegeven aan verdachten toen ze werden tegengehouden midden op de weg.

De rechtbank acht deze gang van zaken onwaarschijnlijk.

Uit een OVC-gesprek van [verdachte] van 14 februari 2018 komt ook naar voren dat dit ook niet de gang van zaken is geweest. Daarin wordt namelijk door [verdachte] bevestigd dat hij en [medeverdachte] ’s ochtends vroeg naar buiten gingen, in de auto van [slachtoffer] weggingen en dat de politie toen achter hen aan kwam.53 Dit strookt niet met de gang van zaken zoals door [verdachte] later werd geschetst.

Bij de doorzoeking van de woning aan de [adres 1] in Breda is een iPhone 6 in beslag genomen (goednummer 437570). Op 9 januari 2018 van 02:21:09 tot 02:48:17 is er met die telefoon een WhatsAppgesprek gevoerd tussen [bijnaam 3] en [bijnaam 4] . Volgens de bevindingen van de politie is [bijnaam 4] waarschijnlijk [verdachte] en [bijnaam 3] zeer vermoedelijk [naam 4] , de vriendin van [verdachte] . In dit gesprek wordt onder andere het volgende getypt:

…He shoot at [naam 5] house

But what u did

We got to his moeder house

… En [slachtoffer] gone talk

En dhen he no from me en [naam 5]

en dhe kill our familie

I gone kill HIM

he to dont talk …

I fix…54

Uit het voorgaande kan dus worden opgemaakt dat iets meer dan twee uur na dit gesprek waarin met betrekking tot ‘ [slachtoffer] ’ wordt gezegd ‘I gone kill him’, [slachtoffer] dood wordt aangetroffen.

[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat de telefoon niet van hem is en dat hij niet degene is die het WhatsAppgesprek heeft gevoerd. Van wie deze iPhone 6 was, doet naar het oordeel van de rechtbank echter niet ter zake. De vraag is, wie de telefoon heeft gebruikt en dan met name wie het WhatsAppgesprek heeft gevoerd van 02:21:09 tot 02:48:17 uur dat op deze telefoon is teruggevonden. Daartoe acht de rechtbank het volgende van belang.

Blijkens het dossier maakte [verdachte] gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] .55 Dat nummer zat op 8 en 9 januari 2018 in een iPhone 5. Die iPhone 5 is bij de doorzoeking van de [adres 1] ook aangetroffen56 en die iPhone 5 heeft in de nacht van 8 op 9 januari 2018 ook steeds aangestraald in de buurt van de [adres 1] , namelijk op de zendmasten aan de [adres 2] en de [adres 3] in Breda.57. In die iPhone 5, die naar het oordeel van de rechtbank op 8 en 9 januari 2018 bij [verdachte] in gebruik was, is op 9 januari 2018 om 01:36:40 uur een simkaart geplaatst met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Dit blijkt onder andere uit de tabel op pagina 508 van het eindproces-verbaal.58

Het WhatsAppgesprek zoals hierboven is weergegeven, is gevonden op een iPhone 6 die eveneens in de woning aan de [adres 1] is aangetroffen. Het WhatsAppaccount op de iPhone 6 was die nacht gekoppeld aan het telefoonnummer [telefoonnummer 2] met als gebruikersnaam [bijnaam 4] . De WhatsApp activeringscode voor dat telefoonnummer kwam op 9 januari 2018 om 02.19 uur binnen. Twee minuten voor voornoemd WhatsApp gesprek. DeiPhone 6 was gekoppeld met een Apple ID-account met de naam [accountnaam] . In e-mailberichten teruggevonden op de iPhone 6 zijn berichten ontvangen van Facebook waarin wordt aangegeven “To: [accountnaam] [verdachte] ’’. Uit onderzoek is gebleken dat [verdachte] verschillende Facebookaccounts op zijn naam had en daarbij de Facebooknaam “ [verdachte] ” en “ [verdachte] ” gebruikte.59

Op de iPhone 6 zijn dus data van [verdachte] aangetroffen van kort voor het tijdstip van de moord en het telefoonnummer dat is gekoppeld aan het WhatsAppbericht kan ook aan [verdachte] worden toegeschreven. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in ieder geval een van de gesprekspartners van bovengenoemd WhatsAppgesprek is geweest en wel onder de naam [bijnaam 4] .

Het gesprek wordt gevoerd met iemand onder de naam [bijnaam 3] met telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Bij de gebruikersnaam [bijnaam 3] is een foto zichtbaar van een vrouw. Vergelijkbare foto’s van dezelfde vrouw werden ook in een tijdens dit onderzoek in beslag genomen iPhone 5S gevonden die vermoedelijk ook bij [verdachte] in gebruik is geweest. In die iPhone 5S stond bij de contactpersonen de naam [bijnaam 3] met nummer + [telefoonnummer 4] , een Bulgaars nummer. Met dit telefoonnummer had [verdachte] tijdens zijn voorarrest in de PI ook telefonisch contact. Het betroffen contacten met zijn vriendin [naam 4] . Zij is van Bulgaarse afkomst en praat gebrekkig Engels.60 De rechtbank gaat er gezien deze gegevens en het in gebrekkige Engels gevoerde WhatsAppbericht van uit dat het gesprek is gevoerd tussen [verdachte] en zijn vriendin [naam 4] .

De vraag is voorts wie wat heeft gezegd tijdens dit gesprek en dan met name wie de woorden “I gone kill HIM” heeft getypt. Daarvoor kijkt de rechtbank naar de inhoud van het gehele gesprek en de context waarin een en ander door de politie wordt geplaatst in het aanvullend proces-verbaal van 31 mei 2019. De rechtbank stelt vast dat in het gesprek ook de namen [slachtoffer] en [naam 5] worden genoemd. De rechtbank gaat ervan uit dat daar waar wordt gesproken over “ [naam 5] ” verdachte [medeverdachte] wordt bedoeld en “ [slachtoffer] ” [slachtoffer] .61 In het WhatsAppgesprek komen dus de personen naar voren met wie [verdachte] die nacht in de woning aanwezig was. Gezien het verloop van het gesprek, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat degene die in dat gesprek zegt ‘I gone kill him’ verdachte [verdachte] is geweest en dat hij ook degene is die bang is voor zijn familie (‘en dhe kill our familie’). Het motief achter de uitlating ‘I gone kill him’ lijkt de bescherming van zijn familie te zijn en zou blijkens het aanvullend proces-verbaal van 31 mei 2019 te maken kunnen hebben met een inbraak gepleegd op 5 januari 2018 bij [naam 6] aan de [adres 4] in Breda en daarop volgende schietincidenten op twee woningen van familie van [medeverdachte] en [slachtoffer] .62 Dit lijkt te worden bevestigd in een tapgesprek van 20 februari 2018 waarbij [verdachte] vanuit de penitentiaire inrichting met [naam 4] belt en onder andere zegt:

‘Uiteindelijk ben ik hier voor mijn familie’...

‘Zo ben ik, je moet dit weten he, dit was alleen omdat mijn dinges in gevaar was. Je weet toch, mijn familie.’ 63

Tussenconclusie rechtbank (tactisch)

De rechtbank trekt eerst een tussenconclusie op basis van de bovenstaande tactische (niet-forensische) aanwijzingen. Op grond daarvan acht de rechtbank het veel waarschijnlijker dat [verdachte] en [medeverdachte] degenen zijn die [slachtoffer] van het leven hebben beroofd dan dat dit, overeenkomstig het scenario dat [verdachte] heeft geschetst, (twee) andere personen zijn geweest. De rechtbank acht het alternatieve scenario gelet op het bovenstaande onwaarschijnlijk en niet aannemelijk.

Het Interdisciplinair forensisch onderzoek

Door deskundigen van het NFI is een Interdisciplinair forensisch onderzoek (hierna: IDFO) uitgevoerd.64 In een IDFO worden meerdere forensische deelonderzoeken gecombineerd en beoordeeld in het licht van één gezamenlijke set IDFO-hypotheses. Onderzocht wordt hoe goed de forensische resultaten passen bij de hypotheses. De deelonderzoeken bestonden in dit geval uit bloedspoorpatroonanalyse (BPA), DNA-onderzoek en onderzoek naar schotresten. De kernaspecten van het IDFO-rapport worden hieronder weergegeven.

IDFO-hypotheses

Zowel de deelonderzoeken als de combinatie van deze deelonderzoeken werden beoordeeld in het licht van deze overkoepelende IDFO-hypotheses:

  • -

    Hypothese 1a : Verdachte [verdachte] heeft het slachtoffer in het hoofd geschoten.

  • -

    Hypothese 1b : Verdachte [medeverdachte] heeft het slachtoffer in het hoofd geschoten.

  • -

    Hypothese 2 : Eén of twee onbekende daders hebben het slachtoffer in het hoofd geschoten, verdachten [verdachte] en [medeverdachte] waren daarbij niet aanwezig. Verdachten hebben vlak na het incident één van de, of beide, vuurwapens Zastava AALF6441NL en revolver AALF6493NL vast gehad (maar niet verschoten).

Deze hypotheses werden vooraf vastgesteld door alle betrokken partijen, in samenspraak met forensisch deskundigen.

Deelonderzoek bloedspoorpatroonanalyse (hierna: BPA) 65

In dit deelonderzoek werd gekeken naar de bloedsporen op het slachtoffer, de plaats delict en de verdachten. Op het gelaat van het slachtoffer werden kleine bloedsporen waargenomen rondom de twee inschotverwondingen. Dit werd gezien als een indicatie van mogelijke back-spatter: kleine bloedspatjes en weefseldeeltjes die bij het binnentreden van een kogel in een lichaam de kant van de schutter op vliegen. In de directe omgeving van het gelaat van het slachtoffer werd echter geen enkel relevant bloedspoor gevonden. Een verklaring voor deze zeer beperkte reikwijdte van de back-spatter zag de deskundige in de gaswolk en drukgolf die vrijkwamen bij het afvuren van de vuurwapens die de bloedspatjes terug hebben ‘geduwd’ richting de inschotverwondingen.

Bij uitgebreid onderzoek naar bloedsporen op de kleding van beide verdachten werd geen enkel bloedspoor van het slachtoffer gevonden. Door de vastgestelde beperkte reikwijdte van de back-spatter paste dit volgens de deskundige echter even goed bij IDFO-hypotheses 1a en 1b als bij IDFO-hypothese 2. De deelconclusie was dan ook dat de bevindingen ongeveer even waarschijnlijk waren onder beide hypotheses.

Deelonderzoek DNA 66

Dit deelonderzoek richtte zich op de DNA-sporen die zijn aangetroffen op de aangetroffen vuurwapens. De deskundige stelde vast dat onder beide IDFO-hypotheses de DNA-sporen van de verdachten op deze vuurwapens te verklaren zijn; zij waren hoe dan ook de laatste personen die de vuurwapens hebben aangeraakt. De deskundige stelde ook vast dan bij beide hypotheses onduidelijk is hoe lang en op welke wijze de verdachten de vuurwapens exact hebben gehanteerd. Ook is onder IDFO-hypothese 2 onduidelijk of de echte dader handschoenen heeft gedragen of niet. De deskundige gaf ook aan dat er slechts beperkte literatuur beschikbaar is over DNA op vuurwapens die door meerdere personen zijn gehanteerd. De deskundige stelde op basis van deze onduidelijkheden en gebrek aan informatie vast dat het DNA-bewijs in deze zaak niet onderscheidend is voor de IDFO-hypotheses.

Deelonderzoek schotresten 67

Dit uitgebreide deelonderzoek richtte zich op de verschillende schotresten die zijn gevonden. Een deel van de schotresten op de handen en de mouwen van de verdachten vertoonde overeenkomsten met de schotresten gevonden op het slachtoffer en de verschoten munitie. Dit paste volgens de deskundige echter bij beide IDFO-hypotheses.

Er kon wel onderscheid gemaakt worden in de locatie en de verdeling van de schotresten op de verdachten. Onder IDFO-hypothese 1a en 1b zouden de schotresten op de verdachten terecht zijn gekomen door middel van directe overdracht door het schieten van de vuurwapens. Onder IDFO-hypothese 2 zouden de schotresten via indirecte overdracht op de verdachten terecht moeten zijn gekomen: bij het hanteren van de vuurwapens achteraf, via de vuurwapens zelf of via de boodschappentas waar de vuurwapens in zaten. De deskundige verwachtte slechts beperkte overdracht van schotresten van de vuurwapens naar de boodschappentas, en ook beperkte overdracht van de vuurwapens en boodschappentas naar de mouwen van de verdachten. De aantallen en de verdeling van de schotresten op de handen en mouwen van de verdachten pasten volgens de deskundige in dit licht iets beter bij hypothese 1a en 1b dan bij hypothese 2. De conclusie was dat de bevindingen rondom de schotresten op de verdachten iets waarschijnlijker waren onder IDFO-hypotheses 1a en 1b, dan onder IDFO-hypothese 2.

IDFO-eindconclusie 68

Een afzonderlijke IDFO-deskundige heeft alle relevante forensische bevindingen gecombineerd en beoordeeld in het licht van de IDFO-hypotheses. Er werd bepaald of de combinatie van forensische bevindingen mogelijk meer steun gaf aan één van de twee IDFO-hypotheses.

Allereerst werd op basis van de zeer sterke forensische verbanden tussen de Zastava M70, de revolver, de aangetroffen verschoten munitie en de verwondingen van het slachtoffer, aangenomen dat deze vuurwapens beiden zijn gebruikt tijdens het schietincident. Dit maakte echter geen onderscheid tussen de IDFO-hypotheses. Ook het BPA-deelonderzoek en het DNA-deelonderzoek maakten geen onderscheid tussen de hypotheses. Het schotresten-deelonderzoek was iets waarschijnlijker onder IDFO-hypothese 1a en 1b, dan onder IDFO-hypothese 2. Dit bewijs over de relatie tussen de verdachten en het schieten van de vuurwapens was dus zwakker dan het sterke bewijs over de relatie tussen de vuurwapens en het schietincident. Deze twee relaties vormden volgens de deskundige zogenoemd ‘serieel bewijs’. Bij een dergelijke bewijsrelatie wordt de algehele bewijskracht bepaald door de zwakste schakel in de keten van bewijsrelaties; in dit geval dus de bewijskracht van het schotresten-deelonderzoek.

De deskundige concludeerde dat:

  • -

    De combinatie van de geëvalueerde forensische bevindingen zijn iets waarschijnlijker wanneer IDFO-hypothese 1a waar is dan wanneer IDFO-hypothese 2 waar is.

  • -

    De combinatie van de geëvalueerde forensische bevindingen zijn iets waarschijnlijker wanneer IDFO-hypothese 1b waar is dan wanneer IDFO-hypothese 2 waar is.

Verweren IDFO

De verdediging heeft op een aantal punten verweer gevoerd op het hierboven besproken IDFO-rapport. De rechtbank bespreekt hieronder de volgens haar meest concrete en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, voor zover de rechtbank die hiervoor in haar overwegingen heeft betrokken.

Schotresten-verweer: wolk schotresten op plaats delict

Door de verdediging is aangevoerd dat de schotrestdeeltjes die zijn gevonden op de kleding van de verdachten mogelijk op hen zijn overgedragen toen zij de woning betraden en over de plaats delict liepen, nadat het slachtoffer was beschoten. Er werd volgens verdachte [verdachte] immers gesproken over een “vuurwerklucht”.

De rechtbank overweegt als volgt. De IDFO-hypotheses zijn in samenspraak met onder andere de verdediging opgesteld. Hierbij werd IDFO-hypothese 2 gebaseerd op het alternatieve scenario van de verdediging. Het betreden van de plaats delict door de verdachten na het schietincident is niet opgenomen in dit alternatieve scenario. Als gevolg hiervan is dit ook niet meegenomen in het IDFO-onderzoek, en heeft geen deskundige zich dus uitgelaten over de mogelijkheid van overdracht van schotrestdeeltjes door de lucht bij het betreden van een ruimte na een schietincident. De verdediging heeft uitgebreid de kans gehad om deze alternatieve verklaring voor te leggen aan deskundigen, maar heeft ervoor gekozen om deze pas ter terechtzitting als mogelijkheid naar voren te brengen. De rechtbank gaat om deze reden voor wat betreft de bevindingen omtrent het IDFO-rapport uit van het alternatieve scenario zoals deze is vastgelegd in IDFO-hypothese 2, en gaat voorbij aan het verweer van de verdediging.

Schotresten-verweer: overdracht schotresten

De verdediging heeft aangevoerd dat er te weinig bekend is over de overdracht van schotresten bij het pakken en terug stoppen van vuurwapens uit een boodschappentas om hier harde conclusies uit te kunnen trekken.

De rechtbank overweegt als volgt. De schotrestendeskundige heeft alle forensische gegevens omtrent schotresten op activiteitniveau beoordeeld in het licht van de IDFO-hypotheses. Een wezenlijk onderdeel van dergelijk forensisch onderzoek op activiteitniveau is de overdracht van deeltjes van één object op het andere bij een bepaalde manier en mate van contact. Hier komt bij dat de schotrestendeskundige zich beperkt tot een conclusie over het forensische bewijs en de mate waarin dit past bij de IDFO-hypotheses, en dus geen conclusies trekt over de hypotheses zelf. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid en het oordeel van de schotrestendeskundige over de overdracht van schotrestdeeltjes, en sluit zich aan bij de getrokken conclusies.

Schotresten-verweer: gemarkeerde deeltjes [medeverdachte]

De verdediging heeft gewezen op het feit dat er bij de bemonsteringen van de handen van verdachte [medeverdachte] relatief veel gemarkeerde schotrestdeeltjes zijn aangetroffen, die karakteristiek zijn voor munitie die in gebruik is bij de Nederlandse politie. Dit betekent dat er zonder nader onderzoek eigenlijk niets gezegd kan worden over de aangetroffen schotrestdeeltjes, zoals de schotrestendeskundige zelf ook opmerkt.

De rechtbank overweegt als volgt. In dit opsporingsonderzoek hebben verschillende onderzoeken naar schotresten plaatsgevonden, waarover ook verschillende malen is gerapporteerd. Het eerste rapport betrof een onderzoek naar mogelijke schotrestdeeltjes op de handen van beide verdachten. In de bemonstering van verdachte [medeverdachte] werden toen relatief veel gemarkeerde schotrestdeeltjes gevonden. De deskundige wees er op dat dit een aanwijzing was dat ten minste een deel van de schotrestdeeltjes mogelijk afkomstig waren van indirecte overdracht, tijdens bijvoorbeeld de aanhouding van de verdachten. Om deze reden kon er op dat moment geen nadere duiding worden gegeven aan de verzameling schotrestdeeltjes. Dit is de opmerking waar de verdediging op doelt.

Na dit vroege en relatief beperkte rapport zijn er nog twee meer uitgebreide aanvullende schotrestonderzoeken uitgevoerd. In deze onderzoeken is onder andere ook de kleding van de verdachten onderzocht op schotresten. Uiteindelijk heeft de deskundige geoordeeld dat er aanwijzingen waren dat een deel van de niet-gemarkeerde schotrestdeeltjes op de verdachten niet afkomstig was van indirecte overdracht tijdens de aanhouding. Via een aantal deelconclusies is vervolgens beoordeeld hoe goed de verzameling schotrestdeeltjes pasten bij de IDFO-hypotheses.

De rechtbank stelt vast dat de opmerking van de schotrestendeskundige, waar de verdediging het verweer op baseert, is gemaakt in een vroeg stadium van het forensische onderzoek, toen slechts een zeer beperkt deel van het forensische (schotresten-)bewijs beschikbaar was. De hierop volgende rapporten, gebaseerd op een compleet beeld van de het forensische bewijs, laten overtuigend zien dat er wel degelijk onderbouwde uitspraken gedaan kunnen worden over de schotrestdeeltjes die zijn gevonden op beide verdachten. De rechtbank gaat om deze reden voorbij aan dit verweer.

BPA-verweer: foto’s en vest

De verdediging heeft aangevoerd dat de afwezigheid van bloedsporen in de direct omgeving van het gelaat van het slachtoffer is vastgesteld op basis van foto’s, hetgeen een beperking met zich meebrengt ten opzichte van een fysiek onderzoek ter plaatse. Bij een fysiek onderzoek zouden deze mogelijk wel zijn aangetroffen. Ook zijn er delen van het vest dat het slachtoffer droeg eerder afgeplakt met folies. Kleine bloedspoortjes zouden in dit proces mogelijk onbedoeld zijn mee-bemonsterd. Gezien deze beperkingen zouden de resultaten van het BPA-deelonderzoek moeten bijdragen aan het IDFO-bewijs, in het voordeel van IDFO-hypothese 2.

De rechtbank overweegt als volgt. De BPA-deskundige heeft op twee manieren naar bloedspoortjes in de omgeving van het gelaat van het slachtoffer gezocht. Allereerst werden de foto’s van het onderzoek op de plaats delict uitgebreid bestudeerd. Uit het onderzoek naar bloedspatten rond het letsel, maakt de rechtbank op dat de foto’s dusdanig gedetailleerd waren, dat ook bloedspoortjes van geringe grootte (1 mm) zichtbaar waren.69

De deskundige geeft aan dat door deze werkwijze niet uitgesloten is dat er bloedspoortjes van minimale grootte aanwezig waren die niet op de foto’s te zien waren. Wel merkt de deskundige hierbij op dat de gehele directe omgeving van het hoofd van het slachtoffer als vrij van bloed overkwam. Als tweede heeft de deskundige het vest van het slachtoffer fysiek uitgebreid onderzocht op bloedsporen. Dit vest is inderdaad vóór dit onderzoek afgeplakt met folies, juist op de delen waar zich deze mogelijke bloedsporen zouden bevinden. Hierdoor zijn er mogelijk bloedspoortjes mee-bemonsterd. De deskundige acht de kans echter zeer klein dat op deze wijze aanwezige bloedspattenbeelden volledig zouden zijn verwijderd.

De rechtbank vindt de onderbouwingen van de deskundige voldoende om de stellingen van de verdediging te weerleggen. De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel dat er zich na het schietincident geen bloedspoortjes bevonden in de directe omgeving van het gelaat van het slachtoffer.

Tussenconclusie rechtbank (forensisch)

De rechtbank trekt een tussenconclusie op basis van bovenstaande forensische aanwijzingen in het dossier. De rechtbank acht het IDFO-rapport, inclusief alle onderliggende rapporten, voldoende betrouwbaar en sluit zich aan bij de getrokken conclusies. De rechtbank begrijpt dat deze conclusies leiden tot de vaststelling dat de combinatie van de besproken forensische bevindingen in deze zaak iets waarschijnlijker is als IDFO-hypotheses 1a en 1b waar zijn, dan als IDFO-hypothese 2 waar is. In andere woorden: de forensische bevindingen passen iets beter bij het scenario waarin de verdachten het slachtoffer door het hoofd hebben geschoten, dan bij het scenario waar (een) onbekende dader(s) dit heeft/hebben gedaan, en de verdachten achteraf de vuurwapens hebben vastgehad.

De rechtbank realiseert zich dat deze conclusie op zichzelf staand een relatief beperkte bewijskracht met zich meedraagt. De rechtbank heeft echter ook eerder al een eigen conclusie getrokken over de aannemelijkheid van de twee scenario’s, gebaseerd op alle tactische (niet-forensische) informatie in het dossier. De combinatie van de twee conclusies zal voor de rechtbank de basis vormen voor haar eindconclusie.

Eindconclusie rechtbank

De rechtbank combineert haar tussenconclusies op basis van de tactische (niet-forensische) aanwijzingen en de forensische aanwijzingen in het dossier. Deze conclusies versterken elkaar en maken dat de rechtbank tot de conclusie komt dat het [verdachte] en [medeverdachte] zijn geweest die [slachtoffer] op 9 januari 2018 met wapens die in de Golf zijn aangetroffen door het hoofd hebben geschoten ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

Medeplegen

Uit voorgaande bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer] met twee verschillende wapens in/door zijn hoofd is geschoten, waarbij één schot het dodelijke schot betrof. Niet is vast te stellen wie welk wapen heeft verschoten en welke verdachte dus het dodelijke schot heeft gelost. Echter, op basis van de bewijsmiddelen heeft de rechtbank vastgesteld dat [slachtoffer] twee maal in zijn hoofd is geschoten en dat daarbij twee verschillende wapens zijn gebruikt. Deze wapens zijn door verdachten verschoten waarbij de rechtbank er, gelet op de wijze waarop [slachtoffer] is geraakt, van welke afstanden is geschoten en hoe hij is aangetroffen, vanuit gaat dat de schoten nagenoeg op hetzelfde moment, dan wel zeer kort na elkaar moeten zijn gelost. Door op deze wijze samen op het slachtoffer te schieten hebben zij beiden opzet gehad op de dood van [slachtoffer] .

Voorbedachten rade

Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de verdachten ook met voorbedachten rade hebben gehandeld. Daarvoor moet vast komen te staan dat zij zich gedurende enige tijd hebben kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat zij niet hebben gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij moet worden gekeken naar de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten.

De rechtbank is van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden, zoals die hierboven zijn weergegeven, volgt dat [verdachte] en [medeverdachte] het vooropgezette plan hadden om [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank overweegt daarbij dat [slachtoffer] lag te slapen toen [getuige 1] wegging en dat hij door de politie ook in een slaaphouding is aangetroffen. De wijze waarop hij lag, op zijn rug met zijn handen onder zijn hoofd, duidt niet op enige weerstand. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachten zouden hebben gehandeld, is niet gebleken. Ook de verdachten zelf verklaren daar niets over. Daarnaast ligt er wel het WhatsApp waarvan de rechtbank heeft vastgesteld dat dat eerder die nacht door [verdachte] is gevoerd en waarin over ‘ [slachtoffer] ’ wordt gezegd ‘I gone kill him’.

De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat [verdachte] en [medeverdachte] vóór de uitvoering van hun daad hebben nagedacht over de betekenis en de gevolgen daarvan en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap hebben gegeven. Te meer nu niet is gebleken van enige contra-indicatie die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staat.

Feit 1

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bevindingen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] op 9 januari 2018 samen [slachtoffer] hebben vermoord door met twee vuurwapens op het hoofd van [slachtoffer] te schieten.

Feit 2

Gelet op hetgeen de rechtbank onder 1 bewezen heeft verklaard is de rechtbank voorts van oordeel dat verdachten [verdachte] en [medeverdachte] de wapens en de munitie ook voorhanden hebben gehad nu zij met twee van de drie wapens ook daadwerkelijk hebben geschoten. Gelet daarop acht de rechtbank het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van die wapens en munitie wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1 primair: op 9 januari 2018 te Breda, tezamen en in vereniging met een ander, een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met vuurwapens schoten op het hoofd van die [slachtoffer] afgevuurd, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 2: op 9 januari 2018 te Breda, tezamen en in vereniging met een ander,

wapens van categorie III, te weten:

- een (half geladen) pistool, Zavodi Crvena Zastava, Model M57, kaliber 7,62mm x 25mm Tokarev en

- een (geladen) pistool merk Zavodi Crvena Zastava cal 7.65 mm Model M70 en

- een (geladen) revolver van het merk Zoraki, model Streamer, kaliber 6 mm Flobert 7,5 joule,

en munitie van categorie III, te weten:

- 9 patronen (aanwezig in het pistool, Zavodi, Model M57) en- 4 patronen (aanwezig in het pistool, Zavodi, Model M70) en

- 5 patronen (aanwezig in de revolver, Zoraki)

voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 20 jaar met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop. De officier van justitie heeft opgemerkt dat de moord een kille liquidatie betrof en gewezen op het feit dat er op geen enkele manier duidelijkheid wordt gegeven over de exacte toedracht, wat het extra zwaar maakt voor de familie om het verlies van hun zoon, hun broer of neef te verwerken.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 geen strafmaatverweer gevoerd.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat het feit dat [verdachte] de wapens niet bewust voorhanden heeft gehad een mitigerende werking dient te hebben in de straftoemeting.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

[verdachte] en [medeverdachte] hebben zich samen schuldig gemaakt aan de moord op hun vriend [slachtoffer] . Eerst hebben ze in de woning gezellig samen [naam 2] gegeten. Vervolgens is hun vriend [slachtoffer] in slaap gevallen op de bank. Toen [slachtoffer] sliep, hebben zij ieder met een vuurwapen van korte afstand op zijn hoofd geschoten. [slachtoffer] was weerloos. Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een kille en geplande liquidatie van iemand die zich, als vriend van de verdachten, veilig waande in hun omgeving. [verdachte] en [medeverdachte] zijn daarbij berekenend te werk gegaan.

Verdachten hebben met hun handelen welbewust een mensenleven beëindigd en daarmee onherstelbaar leed en onomkeerbaar verlies toegebracht aan de familie en de naaste omgeving van het slachtoffer. Naar de reden van de liquidatie blijft het gissen. Het dossier werpt de suggestie op dat aan [slachtoffer] op deze manier het zwijgen is opgelegd maar vaststellen kan de rechtbank dat niet. Dat maakt het voor de nabestaanden extra moeilijk. De vraag waarom [slachtoffer] op deze koelbloedige manier het leven moest laten, zal voor altijd onbeantwoord blijven. Dat dit enorm veel impact heeft op de nabestaanden blijkt ook uit de verklaring die de moeder van [slachtoffer] ter zitting heeft afgelegd. Haar zoon [25 jaar] , is haar afgenomen en in een dapper betoog om de heftige gevolgen van deze afschuwelijke misdaad te omschrijven, heeft zij aangegeven dat het haar heel erg raakt dat verdachten geen antwoord geven op het waarom en geen enkele emotie hebben getoond. [verdachte] en [medeverdachte] , nota bene vrienden van haar zoon, lijkt het allemaal niets te doen. Daarnaast is het ook voor de samenleving een schokkend en zeer ernstig feit. Een dergelijke liquidatie schokt de rechtsorde zeer en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer angst en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Moord wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als één van de ernstigste misdrijven. Het nemen van het leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat in beginsel alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking komt waarbij het aspect van vergelding zeer zwaar meeweegt. Door het opleggen van een langdurige gevangenisstraf wordt ook de samenleving beveiligd. De rechtbank neemt daarbij de straffen in aanmerking die doorgaans voor soortgelijke misdrijven worden opgelegd.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank zich afgevraagd of in straf verminderende zin rekening moet worden gehouden met de wijze van aanhouding en de gevolgen van de val van het balkon. De rechtbank wil aannemen dat verdachten zich in het nauw voelden gedreven en dat dat de reden is geweest dat zij aan het balkon zijn gaan hangen. Daarbij zijn zij allebei gewond geraakt. [verdachte] ondervindt daar tot de dag van vandaag de gevolgen van. De rechtbank merkt echter ook op dat er sprake was van verdachten die een appartement in waren gevlucht en waarbij vuurwapens in de auto waren aangetroffen. Zij hadden zich al enige tijd in de flat verschanst. Op het moment dat de politie binnenviel hebben verdachten er zelf voor gekozen om over het balkon te klimmen. Ze hadden er ook voor kunnen kiezen om zich over te geven. Door de DSI is slechts geschoten met een beanbag ter waarschuwing en niet op een zodanige wijze dat zij verdachten daarmee in gevaar zouden brengen. Het aan het dossier toegevoegde proces-verbaal van de rijksrecherche maakt ook duidelijk dat bij de aanhouding geen fouten zijn gemaakt die in het voordeel van verdachten zouden moeten worden meegenomen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de val heftige gevolgen voor verdachten, en voor de één meer dan voor de ander, teweeg heeft gebracht, ziet de rechtbank geen reden om de omstandigheden rond de aanhouding in de bepaling van de strafmaat mee te laten wegen.

De rechtbank is van oordeel dat een als redelijk te achten vervolgingstermijn in beperkte mate, te weten met ongeveer twee maanden, is overschreden en dat vanwege deze geringe overschrijding kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar passend en noodzakelijk is.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 8.187,21 voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 9 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank overweegt daarbij dat zij de gevorderde kosten redelijk acht gezien de omvang van die kosten en de relatie tussen de personen ten aanzien van wie de kosten zijn gemaakt en het slachtoffer. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Indien het bedrag door de medeverdachte is betaald, is verdachte niet gehouden dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat de feiten zijn begaan met betrekking tot die voorwerpen.

Verder zijn die voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan

in strijd is met de wet en het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36f, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: medeplegen van moord;

feit 2: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten: munitie (bestaande uit een 7.65 S&B huls, een S&B kogelpunt, 4 stuks 7.65 .32 munitie, 24 stuks patronen, l0 stuks HP 7.65 en 5 stuks S&B 7.65 br, een stuk randvuur en een projectiel veiliggesteld bij sectie);

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van € 8.187.21 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 9 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] (feit 1), € 8.187.21 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 9 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 75 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- heft de schorsing van de voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Dekker en mr. Fleskens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van de Vrede, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 april 2020.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZBRAB18001, onderzoek Bakirkoy, van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 1002 (eindproces-verbaal), dan wel het daarbij behorende forensisch onderzoek doorgenummerd van 1 tot en met 506 (forensisch dossier), dan wel het daarbij behorende aanvullende proces-verbaal van 31 mei 2019 doorgenummerd van 1 tot en met 272 (aanvullend proces-verbaal). Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 59 van het eindproces-verbaal, en het proces-verbaal van bevindingen, pagina 65 van het eindproces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 66 van het eindproces-verbaal.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 61 en 62 van het eindproces-verbaal.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 53 en 54 van het eindproces-verbaal.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 75 van het eindproces-verbaal, en het verslag van binnentreden, pagina 76 van het eindproces-verbaal.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 56 en 57 van het eindproces-verbaal.

7 De processen-verbaal van aanhouding, pagina 905, 906 en 951 van het eindproces-verbaal.

8 Het pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijke niet-natuurlijke dood, opgemaakt door het NFI, pagina 272 tot en met 275 van het forensisch dossier.

9 Het radiologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, rapportnummer 12/2018, pagina 11 van 11, pagina 265 van het forensisch dossier.

10 Het proces-verbaal sporenonderzoek, proces-verbaal nummer PL2000-2018007497-47, pagina 245 van het forensisch dossier.

11 Het proces-verbaal sporenonderzoek, proces-verbaalnummer PL2000-201 8007497-34, pagina 65 en 68 van het forensisch dossier.

12 Het proces-verbaal sporenonderzoek personenauto VW Golf [kenteken] , pagina 139 en 140 van het forensisch dossier.

13 Het proces-verbaal van de afdeling wapens, munitie en explosieven, pagina 744 en 745 van het eindproces-verbaal.

14 Het proces-verbaal van de afdeling wapens, munitie en explosieven, pagina 745 van het eindproces-verbaal.

15 Het proces-verbaal van de afdeling wapens, munitie en explosieven, pagina 745 van het eindproces-verbaal.

16 Het proces-verbaal sporenonderzoek personenauto VW Golf, pagina 139 van het eindproces-verbaal.

17 Het proces-verbaal van de afdeling wapens, munitie en explosieven, pagina 745 en 746 van het eindproces-verbaal.

18 Het proces-verbaal van de afdeling wapens, munitie en explosieven, pagina 746 en 747 van het eindproces-verbaal.

19 Het wapen- en munitieonderzoek van het NFI, pagina 768 van het eindproces-verbaal.

20 Het wapen- en munitieonderzoek van het NFI, pagina 778 van het eindproces-verbaal.

21 Het rapport van het NFI d.d. 12 februari 2019, inhoudende het aanvullend DNA-onderzoek, zaaknummer 2018.01.10.122 (aanvraag 011), pagina 2 van 4, 3 van 4 en 4 van 4.

22 Het rapport van het NFI d.d. 12 februari 2019, inhoudende het aanvullend DNA-onderzoek, zaaknummer 2018.01.10.122 (aanvraag 011), pagina 2 van 4 en 3 van 4.

23 Het DNA-onderzoek van het NFI, pagina 432 van het forensische dossier.

24 Het schotrestenonderzoek van het NFI, pagina 788 en 789 van het eindproces-verbaal.

25 Het aanvullend schotrestenonderzoek van het NFI, pagina 815 en 831 van het eindproces-verbaal.

26 Het aanvullend schotrestenonderzoek van het NFI, pagina 827 van het eindproces-verbaal.

27 Het aanvullend schotrestenonderzoek van het NFI, pagina 812, 819 en 820 van het eindproces-verbaal, en het rapport van het NFI inhoudende het pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijke niet-natuurlijke dood, pagina 278 van het forensisch dossier.

28 Het aanvullend schotrestenonderzoek van het NFI, pagina 811 en 827 van het eindproces-verbaal.

29 Het aanvullend schotrestenonderzoek van het NFI, pagina 827 van het eindproces-verbaal.

30 Het aanvullend schotrestenonderzoek van het NFI, pagina 832 van het eindproces-verbaal.

31 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pagina 150 van het eindproces-verbaal.

32 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pagina 148 van het eindproces-verbaal.

33 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pagina 154 van het eindproces-verbaal.

34 Het proces-verbaal van verhoor getuige [verdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 31 januari 2019.

35 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pagina 175 en 177 van het eindproces-verbaal.

36 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pagina 154 van het eindproces-verbaal.

37 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pagina 172 van het eindproces-verbaal.

38 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pagina 174 en 175 van het eindproces-verbaal.

39 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , pagina 197 en 198 van het eindproces-verbaal.

40 Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden, pagina 324 van het eindproces-verbaal.

41 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , pagina 108 en 109 van het eindproces-verbaal.

42 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 368 van het eindproces-verbaal.

43 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 316 van het eindproces-verbaal.

44 Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden, pagina 327 van het eindproces-verbaal.

45 Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden, pagina 328 van het eindproces-verbaal.

46 Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden, pagina 329 van het eindproces-verbaal.

47 Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden, pagina 329 van het eindproces-verbaal.

48 Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden, pagina 330 van het eindproces-verbaal.

49 Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden, pagina 331 van het eindproces-verbaal.

50 Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden, pagina 331 van het eindproces-verbaal.

51 De verklaring van verdachte [verdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 31 januari 2019.

52 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 370 van het eindproces-verbaal.

53 Het proces-verbaal OVC, pagina 693 en 696 van het eindproces-verbaal.

54 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 49 tot en met 52 van het aanvullende proces-verbaal.

55 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 492 van het eindproces-verbaal.

56 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 507 van het eindproces-verbaal.

57 Het proces-verbaal van bevindingen, tabel op pagina 508 en 509 van het eindproces-verbaal.

58 Het proces-verbaal van bevindingen, laatste twee rijen van de bovenste tabel op pagina 508 van het eindproces-verbaal.

59 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 50 en 51 van het aanvullende proces-verbaal.

60 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 50 van het aanvullende proces-verbaal.

61 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 53 van het aanvullende proces-verbaal.

62 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 53 en 54 van het aanvullende proces-verbaal.

63 Het tapgesprek, pagina 83 van het aanvullende proces-verbaal.

64 Het rapport van het interdisciplinair forensisch onderzoek (IDFO) van het NFI van 10 februari 2020.

65 Het bloedspoorpatroononderzoek en het DNA-onderzoek van het NFI van 26 maart 2019, de IDFO-bijlage aanvullend bloedspoorpatroon- en DNA-onderzoek en de criminalistische evaluatie van het NFI van 15 juni 2019.

66 De IDFO-bijlage DNA-onderzoek en de criminalistische evaluatie van het NFI van 31 januari 2020.

67 De IDFO-bijlage aanvullend schotrestenonderzoek van het NFI van 4 februari 2020.

68 Het IDFO-rapport van het NFI van 10 februari 2020, pagina 18 tot en met 21.

69 Het aanvullend bloedspoorpatroononderzoek en DNA-onderzoek, pagina 3 onder foto’s van het slachtoffer, als bijlage gevoegd bij het IDFO-rapport van het NFI van 10 februari 2020.