Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1705

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
AWB- 20_800
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/800 WET

uitspraak van 8 april 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. J.I.J. Langenberg,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, verweerder.

Procesverloop

De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 22 januari 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college inzake de aanvraag van eiser van 25 maart 2019 voor een verkeersbesluit.

De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij brief van 25 maart 2019 heeft de gemachtigde van eiser een aanvraag ingediend tot het nemen van twee verkeersbesluiten, te weten het instellen van tweerichtingsverkeer op de Zuiderdreef en het afsluiten van de Ploegstraat voor gemotoriseerd verkeer (beide te Bergen op Zoom).

De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 16 december 2019 het college in gebreke gesteld ten aanzien van het niet tijdig beslissen op de aanvraag.

Bij brief van 22 januari 2020 heeft de gemachtigde van eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag tot het nemen van twee verkeersbesluiten door het college.

Het college heeft bij brief van 11 februari 2020 de op het beroep betrekking hebbende stukken en het verweerschrift overgelegd. Het college heeft bij besluit van 24 januari 2020 op de aanvraag van eiser beslist. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat op het moment van indiening van de ingebrekestelling de redelijke termijn om een beslissing te nemen was verstreken en het beroep in zoverre gegrond is. Daarnaast geeft het college aan dat een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb niet is verbeurd, omdat het artikel alleen zien op besluiten op aanvraag.

De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 13 maart 2020 verzocht het beroep gegrond te verklaren en het college te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Verder verzoekt de gemachtigde van eiser de hoogte vast te stellen van de verbeurde dwangsommen, omdat niet op tijd is gereageerd op de ingebrekestelling.

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).

3. Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van het indienen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op de aanvraag van 25 maart 2019 nog geen besluit was genomen en dat twee weken zijn verstreken sinds de ingebrekestelling door het college is ontvangen.

4. De rechtbank stelt vast dat er inmiddels op 24 januari 2020 een beslissing is genomen. Niet gebleken is dat eiser nog een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig nemen van een besluit door het college. Anders dan eiser stelt, biedt artikel 8:55c van de Awb geen grond voor een ander oordeel omdat de dwangsomregeling hier niet van toepassing is.

5. Uit artikel 4:17, eerste lid, van de Awb volgt dat alleen een dwangsom kan worden verbeurd, indien niet tijdig een beschikking op aanvraag wordt gegeven. Ingevolge artikel 1:3, tweede lid, van de Awb wordt onder beschikking verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie ECLI:NL:RVS:2020:291) is een verkeersbesluit een besluit van algemene strekking en dus geen beschikking, ook niet in het geval daaraan een aanvraag ten grondslag ligt. Omdat het de aanvraag van eiser betrekking heeft op een besluit van algemene strekking, mist artikel 4:17, eerste lid, van de Awb hier toepassing.

Gelet op het voorgaande, heeft eiser geen belang bij een beoordeling van het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag om een verkeerbesluit zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

6. De gemachtigde van eiser heeft echter wel terecht beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Immers, op dat moment was de beslistermijn ruimschoots verstreken. Dat de beslissing kort na indiening van het beroep is verzonden, maakt dit niet anders. Hierin ziet de rechtbank aanleiding het college op te dragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

7. Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding het college te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het college wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,00 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 178,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2020.

griffier rechter

De griffier is verhinderd om

deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.