Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1704

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4203
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BRP

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4203 BRP

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres

gemachtigde: mr. M.S. Yap,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2019 (het primaire besluit) heeft het college ambtshalve besloten eiseres per 13 februari 2019 in de basisregistratie personen (hierna: brp) in te schrijven als niet-ingezetene (‘vertrek onbekend waarheen’).

In het besluit van 26 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 5 maart 2020.

Eiseres heeft zich hierbij laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Bogaart en mr. B. Wouters.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres stond vanaf 7 juni 2018 in de brp ingeschreven op het adres [adres] te [plaatsnaam] , samen met de heer [naam persoon] .

[naam persoon] heeft op 13 december 2018 een meldingsformulier van de gemeente Bergen op Zoom ingediend met als titel: ‘Onjuiste registratie in de basisregistratie personen (BRP)’. In dit formulier schrijft hij dat mevrouw [naam eiseres] sinds bijna een maand niet meer op zijn adres woont.

Het college heeft naar aanleiding van deze melding op 18 december 2018 een brief gestuurd naar het adres [adres] te [plaatsnaam] , gericht aan eiseres. In deze brief schrijft het college informatie te hebben ontvangen waaruit het vermoeden is ontstaan dat zij niet meer woont op dat adres. Eiseres wordt in de brief gevraagd een eventuele adreswijziging door te geven. Tevens kondigt het college aan een uitgebreid adresonderzoek te zullen gaan starten, indien binnen twee weken geen reactie wordt ontvangen.

De brief is retour gezonden aan het college met daarop de handgeschreven vermelding: ‘Retour. Woont niet op dit adres.’

Het college heeft zorgverzekeraar VGZ en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) op 9 januari 2019 gemaild met het verzoek een eventueel bij hen bekend ander woonadres van eiseres door te geven. Hierop is geen reactie gekomen.

Bij brief van 6 februari 2019 heeft het college aan eiseres gemeld dat uit onderzoek is gebleken dat zij niet langer woont aan de [adres] te [plaatsnaam] en dat het nu voornemens is haar adresgegevens ambtshalve te wijzigen naar onbekend. In de brief staat tevens dat het voornemen op 13 februari 2019 zal worden gepubliceerd op de website van de gemeente Bergen op Zoom. Ook deze brief is retour gezonden.

Op 26 februari 2019 is een aan eiseres geadresseerde stempas teruggezonden met daarop de vermelding: ‘Retour afgewijzigt’.

Bij besluit van 13 maart 2019 heeft het college per diezelfde datum eiseres in de brp ingeschreven als niet-ingezetene (‘vertrek onbekend waarheen’). Dit omdat eiseres volgens het college niet meer zou wonen op het adres [adres] te [plaatsnaam] en niet bekend is geworden waar zij dan wel zou wonen.

Sinds 3 april 2019 staat eiseres weer ingeschreven op de [adres] te [plaatsnaam] .

2. Eiseres voert aan wel te hebben gewoond aan de [adres] te [plaatsnaam] , ook al verbleef zij daar door omstandigheden feitelijk niet in de onderzochte periode. [naam persoon] wist simpelweg niet waar zij was. De melding bleek echter op een fout te berusten. Het college heeft niet alle feiten en omstandigheden zoals naar voren gebracht in bezwaar meegewogen in de besluitvorming en geen gedegen onderzoek verricht. Anders was eiseres niet uitgeschreven.

Wat vindt de rechtbank?

3. Voor de leesbaarheid zal de rechtbank het in deze uitspraak vaak hebben over de uitschrijving uit de brp. Hiermee wordt bedoeld de inschrijving als niet-ingezetene in de brp, oftewel de registratie dat eiseres is vertrokken van de [adres] naar een onbekend adres. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

4.1.

Op grond van artikel 2.22 van de Wet Brp dient het college iemand uit te schrijven uit de brp, als er aan drie voorwaarden is voldaan:

- de persoon kan niet worden bereikt op het brp-adres;

- er is geen aangifte van verhuizing ontvangen;

- na gedegen onderzoek zijn geen (andere) verblijf- en adresgegevens van die persoon bekend geworden.

4.2.

Aan het vereiste dat iemand niet daadwerkelijk woont - en dus niet in persoon bereikbaar is - op zijn in de brp geregistreerde woonadres moet op grond van het tweede lid van artikel 2.22 zijn voldaan op de dag waarop het voornemen tot ambtshalve uitschrijving uit de brp wordt bekendgemaakt.1 Van belang is daarom de woonsituatie van eiseres op 13 februari 2019. Dit is de datum waarop het voornemen op de website van de gemeente Bergen op Zoom is gepubliceerd.

4.3.

Voorop dient daarbij te worden gesteld dat de in de brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk dienen te zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens zal, gelet op het systeem van de Wet Brp, onomstotelijk moeten vaststaan dat deze gegevens onjuist zijn.2

5.1.

Vast staat dat eiseres een langere periode, die in ieder geval liep van half november 2018 tot half maart 2019, niet aanwezig is geweest op de [adres] te [plaatsnaam] . Eiseres verbleef in die periode afwisselend bij haar stiefvader in Bergen op Zoom, haar tante in Rotterdam en bij familie in China. In ieder geval heeft zij niet op de [adres] overnacht. Ook is zij hier overdag niet geweest. Eiseres haalde in deze periode haar post niet op en ook [naam persoon] wist niet waar eiseres verbleef, zodat hij niet in staat was post aan haar door te zenden. Eiseres kon op 13 februari 2019 dan ook niet worden bereikt op het brp-adres waarop zij ingeschreven stond. Aan de eerste voorwaarde voor uitschrijving is voldaan. Verder is niet in geschil dat geen aangifte van verhuizing is ontvangen. Ook aan de tweede voorwaarde voor uitschrijving is hiermee voldaan.

5.2.

Partijen zijn het er echter niet over eens of het college wel gedegen onderzoek heeft verricht als bedoeld in artikel 2.22 van de Wet brp naar het woonadres van eiseres en of dus ook aan de derde voorwaarde voor uitschrijving is voldaan. De rechtbank vindt van wel. Daarvoor is het volgende van belang.

5.3.

De wetgever heeft overwogen dat iemand niet lichtvaardig uit de brp mag worden geschreven, omdat dit grote gevolgen kan hebben voor die persoon. Pas als een gedegen onderzoek geen nieuwe gegevens heeft opgeleverd over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland, of verblijf buiten Nederland, mag iemand worden uitgeschreven.

5.4.

Voor het uitvoeren van dit onderzoek is een protocol ontwikkeld, dat is neergelegd in de Circulaire Adresonderzoek BRP (de Circulaire) van 1 november 2018. In de Circulaire is een stappenplan voor het adresonderzoek voorgeschreven, waarbij eisen aan iedere onderzoeksstap worden gesteld.

5.5.

In de Circulaire staat dat het college een adresonderzoek start bij twijfel over de juistheid van een inschrijving in de brp. De aanleiding voor de twijfel kan, zoals in het geval van eiseres, een melding zijn.

5.6.

Vervolgens schrijft de Circulaire voor hoe het onderzoek moet plaatsvinden. Het onderzoek kan worden gestart door aanschrijving van de betreffende persoon om deze te wijzen op de plicht om aangifte te doen van adreswijziging. Het college heeft dit gedaan met de brief van 18 december 2018, die retour is gezonden. Als er geen reactie komt op de brief, dient volgens de Circulaire verder onderzoek te worden gedaan. Dit kan bijvoorbeeld door andere bestuursorganen en instellingen te benaderen, om te vragen of daar iets bekend is over het adres van de betrokkene. Ook dit heeft het college gedaan door contact te zoeken met het VGZ en met DUO.

5.7.

Het college heeft hiermee de onderzoekshandelingen verricht zoals voorgeschreven door de Circulaire en daarmee gedegen onderzoek verricht. Weliswaar is er geen huisbezoek afgelegd, maar dit is ook niet dwingend voorgeschreven in de Circulaire. Het college heeft ter zitting toegelicht dat dit ook niet de standaard werkwijze is. Het feit dat geen huisbezoek is afgelegd, betekent daarom nog niet dat het onderzoek niet gedegen was. Daarbij weegt de rechtbank mee dat, ook als wel een huisbezoek zou zijn afgelegd, dit niet tot een andere conclusie zou hebben geleid, nu vaststaat dat eiseres niet op het adres [adres] verbleef in de periode van onderzoek.

5.8.

Aan alle drie de voorwaarden voor uitschrijving van artikel 2.22 Wet Brp is dus voldaan. Eiseres kon niet worden bereikt op het brp-adres, er is geen aangifte van verhuizing ontvangen en het college heeft gedegen onderzoek, conform de Circulaire, verricht, waarbij geen andere verblijf- en adresgegevens van eiseres bekend zijn geworden. Het verrichte onderzoek kan de conclusie dat eiseres op 13 februari 2019 geen woonadres had aan de [adres] te [plaatsnaam] dragen.

6.1.

Eiseres heeft verder nog aangevoerd dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de door haar in bezwaar gestelde feiten en omstandigheden. Zo heeft zij in bezwaar onder andere aangevoerd te lijden aan psychische problemen, waardoor zij niet altijd goed in staat is de gevolgen van haar handelen te overzien. Daarbij heeft de uitschrijving mogelijk gevolgen voor haar verblijfsrecht in Nederland of een eventueel naturalisatieverzoek.

6.2.

Zoals hiervoor ook overwogen dient de brp ertoe zekerheid te bieden over de verblijfplaats van personen. De daarin opgenomen gegevens moeten juist zijn. Om deze reden laat de wet het college geen ruimte om de belangen van eiseres bij het besluit mee te wegen. Van een ondeugdelijke belangenafweging kan dan ook geen sprake zijn.3 Ook op dit punt krijgt eiseres geen gelijk. Het college was gehouden eiseres uit te schrijven uit de brp.

7. De rechtbank concludeert dat het college eiseres terecht uit de brp heeft uitgeschreven, althans terecht in de brp heeft geregistreerd met ‘adresgegevens onbekend’. Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.H.J. Vermariën, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 8 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier w.g. mr. K.H.J. Vermariën, rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Artikel 2.22 van de Wet BRP luidt:

“1. Indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland.

2. Als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt de dag opgenomen waarop het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek is bekendgemaakt.”

1 Zie ook de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 17 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2270 en van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1036.

2 Dit is in lijn met vaste jurisprudentie van de ABRvS. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2415.

3 De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3817.