Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1687

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4937
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4937 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres] V.O.F. , te [plaatsnaam] , eiseres

gemachtigde: [gemachtigde] ,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer , verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 14 februari 2017 (primair besluit) heeft het college geweigerd om aan eiseres een omgevingsvergunning te verlenen voor het veranderen van een veldschuur in een bedrijfswoning op het perceel [weg] [nummer] te [plaatsnaam2] .

In het besluit van 10 oktober 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Bij beschikking van 9 september 2019 heeft de rechtbank Den Haag de zaak naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant verwezen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 4 maart 2020.

Hierbij waren namens eiseres aanwezig eiseres: [gemachtigde] en [partner gemachtigde] . Namens het college waren aanwezig: mr. W.G.M. Coenen en [vertegenwoordiger verweerder] .

Overwegingen

1. Eiseres houdt alpaca’s en ruischapen op een perceel aan de [weg] [nummer] te [plaatsnaam2] . Op het perceel is alleen een veldschuur/bedrijfsruimte aanwezig.

Op 26 december 2016 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om van de bedrijfsruimte een bedrijfswoning te maken. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning bij het primaire besluit geweigerd. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de door eiseres aangevraagde activiteit in strijd is met het bestemmingsplan en dat het niet mogelijk is om van het bestemmingsplan af te wijken.

Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college heeft dat bezwaar ongegrond verklaard. Het primaire besluit tot weigering van de omgevingsvergunning is daarbij in stand gelaten.

2. Het plan van eiseres betreft alleen een functiewijziging van het bestaande gebouw. Bouwtechnisch verandert er aan het gebouw niets.

De rechtbank dient te beoordelen of het college in redelijkheid heeft besloten om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ te weigeren.

3. Eiseres voert aan dat voor de beoordeling van de huidige stand van zaken relevant is of in eerdere bestemmingsplannen wel of geen bouwvlak op de locatie van het bedrijfsgebouw c.q. de veldschuur was aangegeven. Eiseres voert vervolgens aan dat, ook indien het huidige bestemmingsplan ‘Noordelijk Plassengebied 2015’ als uitgangspunt wordt genomen, aan het huidige bedrijfsgebouw c.q. de veldschuur een bouwvlak dient te worden toegekend.

Het college stelt zich op het standpunt dat in het bestemmingsplan geen bouwvlak is toegekend aan het perceel. Het plan van eiseres is dus in strijd met het bestemmingsplan. Het college ziet geen reden om een uitzondering te maken op het bestemmingsplan, omdat het plan van eiseres niet past in een goede ruimtelijke ordening.

4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) – voor zover van belang – is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en sub a, van de Wabo – voor zover van belang – kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

  1. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

  2. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

  3. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

5. Ten tijde van de aanvraag (26 december 2016) was het perceel [weg] [nummer] te [plaatsnaam2] gelegen in het bestemmingsplan ‘Noordelijk Plassengebied’. Op dat moment had het ontwerpbestemmingsplan ‘Noordelijk Plassengebied 2015’ al ter inzage gelegen (namelijk vanaf 26 mei 2016). Het bestemmingsplan ‘Noordelijk Plassengebied 2015’ is op

8 juni 2017 gepubliceerd en zes weken later in werking getreden. Het bestreden besluit dateert van 10 oktober 2018.

Hoofdregel in het bestuursrecht is dat wordt beslist (door het bestuursorgaan) op basis van het recht dat geldt op het moment van het nemen van de beslissing (ex nunc). Deze hoofdregel geldt ook voor een omgevingsvergunning indien op het moment van de aanvraag het nieuwe bestemmingsplan al ter inzage was gelegd. Als dat nieuwe bestemmingsplan vervolgens tussen de aanvraag en het besluit van het college in werking is getreden, moet de aanvraag in dat besluit aan het nieuwe bestemmingsplan worden getoetst1.

Het bestreden besluit is genomen na de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan. De aanvraag van eiseres moet dus worden getoetst aan het bestemmingsplan ‘Noordelijk Plassengebied 2015’. Op het perceel rust de bestemming ‘Agrarisch met waarden’, met de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – veldschuur’.

Ingevolge artikel 3.1.1 van de planregels zijn de voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden bestemd voor:

  1. agrarisch bedrijf;

  2. per agrarisch bedrijf maximaal één bedrijfswoning, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden bedrijf of beroep;

[…]

De bouwregels voor gebouwen en overkappingen zijn neergelegd in artikel 3.2.1 van de planregels. Daarin is – voor zover van belang – het volgende bepaald:

  1. Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd.

  2. In afwijking van lid a is ter plaatse van de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – veldschuur’ uitsluitend een veldschuur toegestaan met een maximale oppervlakte van 60 m².

6. Het geldende bestemmingsplan ‘Noordelijk Plassengebied 2015’ laat geen bedrijfswoning op het perceel [weg] [nummer] toe. De rechtbank stelt vast dat op de plankaart geen bouwvlak is ingetekend, en dat betekent dat op het perceel geen gebouwen mogen worden gebouwd. In het bestemmingsplan is ten aanzien van percelen met de ‘specifieke bouwaanduiding – veldschuur’ bepaald dat daarop uitsluitend een veldschuur met een maximale oppervlakte van 60 m² is toegestaan. In het bestreden besluit (althans in het advies van de Commissie Bezwaarschriften dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd) is overwogen dat de gemeenteraad er bewust voor heeft gekozen om voor het perceel [weg] [nummer] geen bouwvlak in het bestemmingsplan op te nemen. De rechtbank stelt vast dat dat ook blijkt uit de toelichting op het bestemmingsplan, paragraaf 6.2.2.2.

Het bestemmingsplan is vastgesteld op 29 mei 2017. Indien eiseres het niet eens was met het toekennen van de ‘specifieke bouwaanduiding – veldschuur’ aan haar perceel en/of het niet toekennen van een bouwvlak aan haar perceel, dan had het op haar weg gelegen om beroep aan te tekenen tegen het vaststellingsbesluit. Dat heeft zij niet gedaan. Het bestemmingsplan is inmiddels in werking getreden en onherroepelijk.

7. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat het overgangsrecht van het bestemmingsplan niet op de aanvraag van eiseres van toepassing is. Eiseres had de veldschuur immers niet in gebruik als woonruimte op het moment dat het bestemmingsplan in werking trad.

8. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het college terecht heeft aangenomen dat het in geding zijnde plan van eiseres in strijd is met het bestemmingsplan.

9. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of het college in redelijkheid heeft besloten om niet van het bestemmingsplan af te wijken.

Voorop dient te worden gesteld dat de bevoegdheid van het college om wel of niet van het bestemmingsplan af te wijken, door de rechtbank terughoudend moet worden getoetst. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat het college over het algemeen eerder van die bevoegdheid gebruik zal maken wanneer het bestemmingsplan oud is. In dit geval geldt echter een actueel bestemmingsplan, waarin de planwetgever bovendien blijkens de planregels en de toelichting specifieke bewuste keuzes heeft gemaakt voor het betreffende perceel. Daarom dienen naar het oordeel van de rechtbank in dit geval minder hoge eisen te worden gesteld aan de motivering van het college om niet van het bestemmingsplan af te wijken.

Het college heeft in het primaire besluit overwogen dat het plan van eiseres in strijd is met een goede ruimtelijke ordening omdat de activiteit stedenbouwkundig, landschappelijk en planologisch niet aanvaardbaar is. Het college heeft gemotiveerd dat de [weg] zich kenmerkt als dijklint, waarlangs slechts sporadisch (agrarische) bebouwing aanwezig is, met weidse en open landschappen en doorzichten. Daarbij heeft het college opgemerkt dat de [weg] in het gebiedsprofiel Wijk en Wouden niet is aangemerkt als bebouwingslint. Voorts heeft het college opgemerkt dat het gebied wordt gekenmerkt door leegte. Het nagenoeg geheel ontbreken van bebouwing wordt waardevol geacht, als contrast met de bebouwingsdichtheid van de nabijgelegen stadswijk Noordhove. De [weg] kent slechts beperkte bebouwing. Het college heeft toegelicht dat de aangevraagde functiewijziging niet wenselijk is, omdat deze haaks staat op het beleid om geen woonfunctie toe te voegen om verdere occupatie van het oude lint tegen te gaan. Het college vreest dat met medewerking aan het plan van eiseres de deur wordt opengezet voor een stapsgewijze verdere bebouwing van het lint.

Eiseres bestrijdt de uitleg van het college, maar de rechtbank ziet in de beroepsgronden onvoldoende onderbouwing om aan de uitleg van het college te twijfelen. De rechtbank vindt dat het college voldoende inzicht heeft gegeven in de door hem gemaakte afweging en acht het standpunt van het college niet onredelijk.

10. Op basis van het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de rechtbank de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen weigeren. Het beroep is ongegrond.

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 7 april 2020. De beslissing is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:2013:1887