Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1686

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4948
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4948 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam 1] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen aan den Rijn, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam vergunninghouder] , te [plaatsnaam 2] (vergunninghouder).

Procesverloop

In het besluit van 4 april 2018 (primair besluit) heeft het college een omgevingsvergunning aan [naam vergunninghouder] verleend voor het (tijdelijk) mogen gebruiken van een bedrijfswoning op het perceel [weg] 17 te [plaatsnaam 1] voor het huisvesten van arbeidsmigranten.

In het besluit van 17 december 2018 (bestreden besluit) heeft het college het primaire besluit aangevuld met een aanvullende motivering, maar in stand gelaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Bij beschikking van 9 september 2019 heeft de rechtbank Den Haag de zaak naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant verwezen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 4 maart 2020.

Hierbij waren aanwezig eiser en zijn vrouw [naam echtgenote] , [naam vertegenwoordiger1] en [naam vertegenwoordiger2] namens het college en [vertegenwoordiger vergunninghouder] namens [naam vergunninghouder] .

Overwegingen

1. [naam vergunninghouder] huurt een deel van de bedrijfswoning op het perceel [weg] 17 te [plaatsnaam 1] .

Op 24 januari 2018 heeft [naam vergunninghouder] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het aldaar tijdelijk (10 jaar) mogen huisvesten van arbeidsmigranten. Bij het primaire besluit heeft het college een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ verleend.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Dat bezwaar heeft ertoe geleid dat het primaire besluit is aangevuld in die zin, dat de omgevingsvergunning is verleend en tevens: de toestemming om tijdelijk (10 jaar) af te wijken van de beheersverordening ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, lid 11, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), voor dat gedeelte van de bedrijfswoning, zoals dat is aangegeven op de maatvoering van de bij de omgevingsvergunning behorende tekeningen. Daarbij is vermeld dat het vergunde ‘voorhuis’ dat gedeelte van de woning is dat het dichtst bij de [weg] is gelegen. Voor het overige is het primaire besluit in stand gebleven.

2. De rechtbank dient te beoordelen of het college in redelijkheid heeft besloten om een omgevingsvergunning aan [naam vergunninghouder] te verlenen.

3. Eiser woont op het naastgelegen perceel [weg] 15 te [plaatsnaam 1] . Eiser heeft aangevoerd dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als het huisvesten van arbeidsmigranten niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Eiser wijst daarbij op de beleidsregel ‘Nadere regels voor tijdelijk wonen arbeidsmigranten 2017’. Eiser meent dat daaraan niet is voldaan. Hij licht toe dat hij heeft gekozen voor een huis in het buitengebied om rustig te wonen. Verder heeft eiser moeite met de termijn van tien jaar. Eiser vindt dat op zijn minst een evaluatiemoment moet worden opgenomen in de vergunning.

Eiser wijst er ook op dat een eerder plan om op het betreffende perceel een schuur om te bouwen tot drie appartementen voor in totaal 6 bewoners niet kon, omdat dat niet paste in het landelijk gebied. Eiser vindt het merkwaardig dat het vergunde plan blijkbaar wel kan. Eiser vindt dat hij door de gemeente niet correct is behandeld en dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn woon- en leefklimaat.

Het college stelt daartegenover dat er geen aanleiding was om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Het plan is getoetst aan het beleid en voldoet daar volgens het college aan. Het college wijst erop dat [naam vergunninghouder] is aangesloten bij de Stichting Normering Flexwonen (SNF). Het college heeft een toelichting gegeven op de werkzaamheden van SNF. Zo worden de huisvestingslocaties volgens het college jaarlijks gecontroleerd en, voldoet de huisvesting niet en worden zaken niet snel hersteld, dan wordt de aanbieder van huisvesting uit het register van SNF geschreven. Tevens heeft het college opgemerkt dat, om overlast voor de nabije omgeving uit te sluiten, een protocol is opgesteld met (meertalige) huisregels met sancties. Daarnaast heeft het college opgemerkt dat er wordt voorzien in 10 parkeerplaatsen en dat het gebruik in overeenstemming is met het Paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’.

4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en sub c, van de Wabo – voor zover van belang – is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een beheersverordening,

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en sub a, van de Wabo – voor zover van belang – kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met de beheersverordening:

  1. met toepassing van de in de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

  2. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

  3. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

5. Het perceel [weg] 17 te [plaatsnaam 1] is gelegen in gebied waarvoor de beheersverordening ‘Buitengebied Rijnwoude 2015’ geldt. Op grond van de beheersverordening heeft het perceel de bestemming ‘Bedrijf’ met de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – schildersbedrijf’.

Het huisvesten van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning is in strijd met de regels van de beheersverordening. Daarover zijn partijen het eens. Het bewonen van de bedrijfswoning is immers bedoeld voor één huishouden. De rechtbank dient te beoordelen of het college in redelijkheid heeft besloten om een omgevingsvergunning voor het ‘afwijken van het bestemmingsplan’ te verlenen. Voorop dient te worden gesteld dat de bevoegdheid van het college, om wel of niet van het bestemmingsplan af te wijken, door de rechtbank terughoudend moet worden getoetst.

6. Het college heeft toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2°, van de Wabo in combinatie met artikel 4 van bijlage II bij het Bor.

Op grond van artikel 4 van bijlage II bij het Bor komt voor verlening van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan – onder meer – in aanmerking (onderdeel 11): ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

Met betrekking tot de bevoegdheid om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2°, van de Wabo in combinatie met artikel 4 van bijlage II bij het Bor een omgevingsvergunning te verlenen voor tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten heeft het college beleidsregels vastgesteld, die zijn neergelegd in de ‘Nadere regels voor tijdelijk wonen arbeidsmigranten’ (de beleidsregels).

Het college heeft de aanvraag getoetst aan de beleidsregels, en geconcludeerd dat daaraan wordt voldaan. Daartoe is overwogen dat:

  1. er sprake is van huisvesting voor maximaal 10 personen;

  2. de huisvesting plaatsvindt binnen de vigerende bebouwingsmogelijkheden van het bestemmingsplan (bouwvlak en bouwregels);

  3. de verhuurder ervoor zorg dat er geen overmatige overlast ontstaat voor omwonenden;

  4. als er geen hoofdbewoner in het pand aanwezig is, de verhuurder zorgt voor een vast aanspreekpunt voor omwonenden die 24 uur per dag, zeven dagen per week telefonisch bereikbaar is en binnen een uur ter plaatse kan zijn;

  5. bewoners die langer dan vier maanden in Nederland (zullen) verblijven worden ingeschreven in de Basisregistratie personen van de gemeente.

Daarnaast is overwogen dat:

 de wijziging van het gebruik van ondergeschikte aard is, waardoor er geen sprake is van een onomkeerbare situatie voor de omgeving;

 er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is in het gebied voor deze ontwikkeling in relatie tot de omgeving;

 de aanvrager actief omwonenden bij zijn plannen betrok;

 de aanvrager een protocol heeft opgesteld hoe overlast te voorkomen;

 de belanten die de Wet ruimtelijke ordening beoogt te beschermen niet in onevenredige mate worden geschaad door het verlenen van de gevraagde planologische afwijking, ofwel door toepassing van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 2° van de Wabo;

 er geen sprake is van een activiteit, als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage;

 de wijziging van het gebruik geen onevenredige gevolgen heeft voor de stedenbouwkundige situatie ter plaatse;

 het project niet voorziet in een afwijking van de beheersverordening waarmee de luchtkwaliteit ter plaatse zal verslechteren;

 door de aanvrager een zekerheidstelling is afgegeven met betrekking tot de (plan)kosten (planschadeovereenkomst).

7. Eiser bestrijdt dat wordt voldaan aan de beleidsregels. Zij wijst erop dat er 12 bewoners komen en wijst tevens op de voorwaarde voor een met omwonenden afgestemd communicatieplan. De rechtbank heeft kennisgenomen van de beleidsregels en ziet niet in dat niet aan de beleidsregels wordt voldaan. Het college blijft met de verleende omgevingsvergunning binnen de kaders die in de beleidsregels zijn gesteld.

De rechtbank stelt vast dat vergund is huisvesting voor maximaal 10 arbeidsmigranten. In het primaire besluit is vermeld dat het huisvesten van meer dan 10 personen tot intrekking van de vergunning kan leiden.

Bij het primaire besluit is als bijlage het ‘Communicatieplan’ gevoegd van 20 maart 2018 en dit maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunning. In het communicatieplan zijn belangrijke telefoonnummers vermeld, alsmede een protocol bij incidenten en de huisregels. Volgens de beleidsregels is het aan het college ter beoordeling of met het communicatieplan een goede communicatie geborgd is. De rechtbank stelt vast dat het college, alvorens de vergunning te verlenen, zich ervan heeft vergewist dat er afstemming met omwonenden heeft plaatsgevonden. Eiser ontkent dat, maar stelt zelf in zijn beroepschrift dat [naam vergunninghouder] een concept-communicatieplan heeft verstrekt. Dat vervolgens het definitieve communicatieplan niet met eiser is besproken, maakt niet dat moet worden geoordeeld dat op dat punt niet aan de beleidsregels is voldaan.

In het bestreden besluit (althans, in het advies van de commissie bezwaarschriften dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd) is overwogen dat de belangen die de Wabo beoogt te beschermen niet in onevenredige mate worden geschaad door het verlenen van de omgevingsvergunning en dat ook voldoende is aangetoond dat de verleende medewerking passend is in het buitengebied. De rechtbank acht dat standpunt niet onredelijk. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende inzicht heeft gegeven in de door hem gemaakte afweging en dat het college daarin voldoende oog heeft gehad voor de belangen van eiser, in het bijzonder voor hun vrees voor overlast. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser niet in een rustige woonomgeving woont, maar in een omgeving met veel bedrijvigheid. Met onder meer het communicatieplan en het protocol heeft het college getracht de overlast voor omwonenden zoveel mogelijk weg te beperken. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank daarbij ook mogen vertrouwen op de certificering van de SNF. Daarbij heeft het college ter zitting toegelicht dat het vaker te maken heeft gehad met [naam vergunninghouder] als organisatie bij het bieden van huisvesting aan arbeidsmigranten en dat het goede ervaringen met de organisatie heeft.

Ter zitting is aan de orde geweest dat de woning inmiddels geruime tijd in gebruik is voor de huisvesting van arbeidsmigranten en dat eiser een paar keer overlast heeft ervaren. Eiser heeft daarop, overeenkomstig het communicatieplan, telefonisch contact gezocht met [naam vergunninghouder] , maar dat contact is volgens eiser niet prettig verlopen. Met partijen is ter zitting geconcludeerd dat de communicatie met eiser op dat moment niet goed is geweest en dat de opvolging van de klachten en terugkoppeling van de acties nog voor verbetering vatbaar is. Dat wil echter niet zeggen dat om die reden moet worden geoordeeld dat het college geen omgevingsvergunning had mogen verlenen.

8. Het beroep van eiser is ook gericht tegen de periode van tien jaar waarvoor de omgevingsvergunning is verleend.

Zowel artikel 4 van bijlage II bij het Bor als de beleidsregels geven het college de bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor maximaal 10 jaar.

De rechtbank vindt het niet onredelijk dat het college de omgevingsvergunning voor de maximale periode heeft verleend. De rechtbank stelt voorop dat het college behoort te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. In de aanvraag is expliciet vermeld dat het gebruik 10 jaren zal duren. Het college heeft ter zitting toegelicht dat er geen redenen waren om de gevraagde 10 jaren niet te vergunnen. Daarbij is door [naam vergunninghouder] toegelicht dat die termijn voor haar van belang is om gedane investeringen terug te kunnen verdienen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het college rekening heeft gehouden met de belangen van eiser met de hiervoor al besproken randvoorwaarden om de overlast voor eiser zoveel mogelijk te beperken.

9. Op basis van het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de rechtbank de omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen verlenen.

10. Het beroep is ongegrond.

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 7 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.