Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1681

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1474 en 19_4070
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GEMWT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 19/1474 GEMWT en 19/4070 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2020 in de zaak tussen

1. Navtrans Invest B.V.te Ridderkerk, eiseres 1,

2. Sypat Management B.V.te Rotterdam, eiseres 2,

3. Hoff.jp B.V.te Den Haag, eiseres 3,

gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, verweerder.

Procesverloop

In de afzonderlijke besluiten van 21 november 2018 (primaire besluiten 1) heeft het college aan eisers lasten onder dwangsom opgelegd in verband met recreatieve verhuur van het pand Valkenisseweg 59 (Snippenoord) te Biggekerke en het pand Valkenisseweg 61 (Coccinelle) te Biggekerke.

In het besluit van 13 maart 2019 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten 1 ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer: 19/1474.

In de afzonderlijke besluiten van 20 maart 2019 (primaire besluiten 2) heeft het college nieuwe lasten onder dwangsom opgelegd met betrekking tot de recreatieve verhuur van het pand Valkenisseweg 61 (Coccinelle) .

In het besluit van 19 juni 2019 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten 2 ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen bestreden besluit 2 beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer: 19/4070.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 10 januari 2020.

Hierbij waren aanwezig namens eisers hun gemachtigde en namens eiseres 2 tevens [vertegenwoordiger eiseres2] en namens eiseres 3 [vertegenwoordiger eiseres3] . Namens het college was drs. A.M. Faas aanwezig.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. Feiten

Eisers hebben de panden aan de Valkenisseweg 59 en 61 te Biggekerke in gezamenlijk eigendom.

In de besluiten van 21 november 2018 (primaire besluiten 1) heeft het college eisers gelast om uiterlijk 31 januari 2019 de recreatieve verhuur van het pand Valkenisseweg 59 (Snippenoord) en Valkenisseweg 61 (Coccinelle) in strijd met het bestemmingsplan en de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per week, met een maximum van € 5.000,-. Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.

In de uitspraak van 31 januari 2019 (zaaknummers: 19/14 VV, 19/16 VV, 19/17VV, 19/18 VV en 19/19 VV) heeft de voorzieningenechter de verzoeken afgewezen.

Ten aanzien van Valkenisseweg 61 (Coccinelle) zijn de vijf opgelegde dwangsommen (op 9 maart 2019) verbeurd. Eisers hebben deze dwangsommen – onder protest – betaald.

In bestreden besluit 1 heeft het college, onder verbetering van de motivering, de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten 1 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.

Omdat de last tot het staken van de recreatieve bewoning van het pand Valkenisseweg 61 (Coccinelle) op 9 maart 2019 was uitgewerkt, heeft het college bij de primaire besluiten 2 opnieuw lasten onder dwangsom opgelegd. Het college heeft eisers gelast om uiterlijk 25 maart 2019 de recreatieve verhuur van het pand Valkenisseweg 61 (Coccinelle) in strijd met het bestemmingsplan en de Wabo te beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per week, met een maximum van € 25.000,-.

Hiertegen hebben eisers een bezwaarschrift ingediend. Tevens hebben zij de voorzieningen-rechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.

In de uitspraak van 27 maart 2019 (zaaknummers:19/1473 VV en 19/1475 VV) heeft de voorzieningenrechter de verzoeken afgewezen.

In bestreden besluit 2 heeft het college de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten 2 ongegrond verklaard.

2. Standpunt partijen

Eisers voeren, samengevat, aan dat de recreatieve verhuur van Snippenoord en Coccinelle niet in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Voor zover de rechtbank wel strijd met het bestemmingsplan aanneemt, beroepen eisers zich op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Voor wat betreft de begunstigingstermijn stellen eisers dat die termijn in redelijkheid niet eerder zou moeten aflopen dan op 31 augustus 2019, althans op 31 maart 2019. Verder voeren eisers aan dat per pand slechts één last onder dwangsom aan hen gezamenlijk kan worden opgelegd en dat de opgelegde dwangsommen te hoog zijn.

Het college stelt dat het gebruik van Snippenoord en Coccinelle voor commerciële, recreatieve verhuur als groepsaccomodatie in strijd is met de bestemming ‘Wonen’ die volgens het bestemmingsplan op deze gronden rust. Het college betwist dat het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel zijn geschonden en meent dat de begunstigingstermijn redelijk is. De dwangsom kan volgens het college aan eisers afzonderlijk worden opgelegd omdat zij allen overtreders zijn en het in hun macht hebben om de overtreding te beëindigen. De oplegde dwangsommen staan in redelijke verhouding tot het belang van het beëindigen van de overtreding.

3. Wettelijk kader

De relevante wettelijke bepalingen en bepalingen uit het bestemmingsplan zijn opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

4. Beoordeling

Strijd met het bestemmingsplan?

4.1

In geschil is in de eerste plaats of het college bevoegd was om handhavend op te treden. Deze bevoegdheid bestaat niet indien eisers niet handelen in strijd met het bestemmingsplan. Tussen partijen is niet in geschil dat de panden aan de Valkenisseweg 59 (Snippenoord) en 61 (Coccinelle) recreatief worden verhuurd aan derden. Partijen zijn verdeeld over de vraag of dat is toegestaan op grond van het bestemmingsplan.

Op de percelen rust de bestemming ‘specifieke vorm van wonen - landhuis’. Vast staat dat deze bestemming op zich niet nader gedefinieerd is.

Het college stelt dat voor de uitleg van dit begrip moet worden aangesloten bij de bestemming van artikel 21.1 onder a, van de planvoorschriften (de huisvesting van personen in een woning) en bij de uitleg van het begrip ‘woning’ in artikel 1.95 van de planvoorschriften.

De rechtbank volgt het college niet in deze redenering. In artikel 21 van de planvoorschriften zijn zeer verschillende gebruiksmogelijkheden onder de bestemming ‘Wonen’ gebracht, zoals een restaurant (onder g), groepskamperen (onder i) en een sterrenwacht (onder j). Dat de invulling die in artikel 21, onder a, van de planvoorschriften aan het begrip ‘Wonen’ wordt gegeven bepalend is voor de overige onderdelen van dit artikel kan daarom niet juist zijn. Dit betekent dat de bestemming ‘specifieke vorm van wonen - landhuis’ zelfstandig moet worden uitgelegd.

Nu de regels van het bestemmingsplan daarover (rechtstreeks) niets bepalen, sluit de rechtbank aan bij de betekenis ervan in het normale spraakgebruik1. Volgens de "Van Dale, Groot woordenboek van de Nederlandse taal" wordt een landhuis omschreven als “een aanzienlijk huis of buitenverblijf in het land”. Een huis wordt gedefinieerd als “een bouwwerk of bouwsel dat mensen tot woning dient of dat als woning geschikt is”. Een landhuis is dus een grote woning, niet in de stad maar in het land. Het begrip ‘woning’ wordt wel gedefinieerd in de planvoorschriften, namelijk als “een hoofdgebouw, dan wel een onderdeel van een hoofdgebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden”. De rechtbank is van oordeel dat met deze redenering dus wel aangesloten kan (en moet) worden bij de definitie van woning in het bestemmingsplan. Dit betekent dat recreatief verblijf in Snippenoord en Coccinelle en de verhuur ten behoeve van dit recreatieve verblijf aan families en groepen niet past binnen de bestemming ‘specifieke vorm van wonen - landhuis’. Er is namelijk geen sprake van huisvesting van één huishouden.

De rechtbank heeft daarbij ook in aanmerking genomen dat in artikel 21.1 van de planvoorschriften weliswaar onder b en c ook verblijfsrecreatie in appartementengebouwen en verblijfsrecreatie in een recreatiewoning mogelijk wordt gemaakt, maar dit is alleen mogelijk omdat het expliciet in het bestemmingsplan is opgenomen, niet omdat het (automatisch) voortvloeit uit het begrip ‘woning’ en de bestemming ‘Wonen’.

Eisers hebben nog gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1882), waarin de AbRS heeft overwogen dat onder wonen diverse uiteenlopende vormen van huisvesting moeten worden begrepen. Deze verwijzing leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Niet alleen moet in deze zaak wel worden aangesloten bij de uitleg van het begrip woning, bovendien staat de recreatieve verhuur aan families/groepen wel heel ver af van “wonen”.

De rechtbank stelt dus vast dat uit (een redelijke uitleg van) het bestemmingsplan volgt dat recreatief gebruik niet past binnen de bestemming ‘specifieke vorm van wonen - landhuis’. Het college stelt echter dat het recreatieve gebruik van een woning niet in strijd is met het bestemmingsplan, maar onder de bestemming ‘Wonen’ valt, mits het recreatieve gebruik plaatsvindt door de eigenaar/rechthebbende van de woning. Het college noemt het dan een ’tweede woning’ en onderscheidt dit van een recreatiewoning. Het college stelt dus dat onder de bestemming ‘Wonen’ ook valt het (recreatieve) gebruik van een woning door een eigenaar/rechthebbende als tweede woning. Dit geldt ook voor Snippenoord en Coccinelle.

De rechtbank heeft zich de vraag gesteld of dit van invloed is op de uitleg van het begrip ‘specifieke vorm van wonen - landhuis’.

Daarbij stelt de rechtbank voorop dat het bestemmingsplan het onderscheid tussen een recreatiewoning en tweede woning niet kent. Het bestemmingsplan kent alleen een recreatiewoning. Die wordt in artikel 1.73 gedefinieerd als: een als woning aan te merken gebouw, bestemd voor verblijfsrecreatie door personen die hun hoofdverblijf elders hebben. Verblijfsrecreatie wordt in artikel 1.87 omschreven als: recreatie in ruimten welke zijn bestemd of opgericht voor recreatief nachtverblijf, zoals een recreatiewoning, logeergebouw, pension of kampeermiddel, door personen die elders een vaste woon- of verblijfplaats hebben, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat zij elders zijn ingeschreven in de administratie als bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Uit deze definities is niet af te leiden dat verblijfsrecreatie in recreatiewoningen alleen betrekking heeft op ‘derden’; op personen die de woning voor een korte periode huren en geen eigenaar (rechthebbende) zijn van het pand waarin zij verblijfsrecreatie bezigen.

In de definities van de planvoorschriften is dus geen steun te vinden voor het onderscheid dat het college maakt tussen een tweede woning en een recreatiewoning .

De rechtbank is desondanks van oordeel dat de uitbreiding van het gebruik van een woning met de bestemming ‘Wonen’ (als tweede woning door de eigenaar/rechthebbende) niet zodanig mag worden opgerekt dat woningen met de bestemming ‘Wonen’ ook mogen worden verhuurd voor recreatief verblijf door derden. Naar het oordeel van de rechtbank is een zodanig ruime uitleg in strijd met het systeem van het bestemmingplan. In het bestemmingsplan wordt immers een onderscheid gemaakt in de bestemming ‘Wonen’ en een bestemming ‘Recreatie’ en (binnen deze bestemmingen) wordt een onderscheid gemaakt tussen woningen en recreatiewoningen en logeergebouwen. Dit onderscheid zou zinledig zijn als woningen ook (commercieel) zouden mogen worden verhuurd als recreatiewoning.

Hieraan doet niet af dat in de toelichting op de planvoorschriften2 heel algemeen lijkt te worden gesteld: “Een deel van de woningen wordt gebruikt als permanente woningen en een deel als recreatiewoning. Het huidige onderscheid tussen beide komt in het nieuwe beleid te vervallen.” Deze passage is in tegenspraak met de toelichting op de bestemming Wonen3: “De gronden met de bestemming Wonen zijn bestemd voor de huisvesting van personen in een permanente woning en de bijbehorende tuinen en erven. Voor enkele appartements-gebouwen met een verblijfsrecreatief karakter en recreatiewoningen die binnen een straal van 100 meter van agrarische bouwvlakken zijn gelegen is een aparte functieaanduiding opgenomen.” Omdat de toelichting niet consistent en duidelijk is, kent de rechtbank hieraan geen doorslaggevende betekenis toe.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is – zij het op grond van een iets andere redenering dan het college – dat het verhuren van Snippenoord en Coccinelle als vakantiewoning/groepsaccomodatie aan (familie)groepen in strijd is met het bestemmingsplan. Dit betekent dat het college in beginsel bevoegd is om handhavend op te treden.

Beginselplicht

4.2

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.4

Niet in geschil is dat er geen concreet zicht op legalisering bestaat. Toch menen eisers dat het college van handhaving dient af te zien. Zij beroepen zich op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.

Vertrouwensbeginsel

4.3

Eisers hebben gesteld dat het college niet handhavend mag optreden tegen de recreatieve verhuur van Snippenoord en Coccinelle omdat dit in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Zij beroepen zich op een concrete en ondubbelzinnige toezegging en wijzen op het ‘stappenplan’ van de AbRS, zoals uiteengezet in de uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694). Eisers hebben gewezen op de verleende omgevingsvergunning van 3 februari 2015 voor Valkenisseweg 61 (Coccinelle) waarin is vermeld: “De aanvrager van de omgevingsvergunning heeft ons bericht dat het landhuis permanent bewoond zal worden. In de tijd dat de familie niet aanwezig is zal het landhuis te huur worden aangeboden. Op grond van het bestemmingplan Buitengebied is het toegestaan het landhuis zowel permanent als recreatief te bewonen.” Daarnaast hebben eisers gewezen op de omstandigheid dat de heffingsambtenaar van de gemeente Veere in 2012 heeft besloten geen forensenbelasting op te leggen wegens recreatieve verhuur van Snippenoord en de heffing van toeristenbelasting wegens recreatieve verhuur van Snippenoord en Coccinelle.

Volgens het college is geen sprake van een concrete ondubbelzinnige toezegging dat de panden voor recreatieve verhuur gebruikt mogen worden. Uit het besluit van 3 februari 2015 kan niet worden afgeleid dat recreatieve verhuur aan derden is toegestaan. Er is niet bepaald dat het pand (commercieel) recreatief aan derden mag worden verhuurd. Met de geciteerde passage wordt volgens het college bedoeld dat de eigenaar het pand zelf permanent mag bewonen of het pand voor permanente bewoning mag verhuren. Ook is recreatief gebruik (gebruik als tweede woning) door de eigenaar zelf toegestaan. Het college heeft ter onderbouwing van dit standpunt gewezen op een e-mail van 11 mei 2013.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht gesteld dat in het besluit van 3 februari 2015 geen toezegging kan worden gelezen dat het college toestemt in recreatieve verhuur van Coccinelle als groepsaccomodatie. Hoewel de rechtbank met het college van mening is dat de geciteerde passage niet heel duidelijk is, kan deze passage worden uitgelegd conform het standpunt van het college: het landhuis kan permanent of recreatief bewoond worden door de eigenaren of voor permanente bewoning verhuurd worden. De rechtbank volgt niet het standpunt van eisers dat een redelijk denkende burger uit de geciteerde passage mocht afleiden dat recreatieve verhuur aan groepen was toegestaan. Daarbij is van belang dat in de e-mail van 11 mei 2013 uitdrukkelijk wordt aangegeven dat recreatieve verhuur aan groepen niet is toegestaan. In deze e-mail wordt namelijk op de vraag van de zijde van eisers of een groepsaccomodatie voor 15-20 personen / een landhuis met een recreatiefunctie gerealiseerd mag worden, geantwoord: “Binnen de bestemming Wonen-Landhuis geldt geen verplichting tot permanente bewoning. Dus recreatief bewonen mag. Maar wat bedoelt u exact met “groepsaccomodatie”? Binnen de bestemming Wonen-Landhuis moet sprake zijn van een woning. De begripsbepaling van woning luidt: woning: een hoofdgebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden. Het komt over alsof het de bedoeling is het pand te verhuren aan groepen, dus bestemming recreatie en dat kan dus niet.”

Aan de eerste stap op weg naar een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is dus niet voldaan. De omstandigheid dat in 2012 geen forensenbelasting is opgelegd en dat wel toeristenbelasting is geheven, maakt dat niet anders. Net als de voorzieningenrechter5 is de rechtbank van oordeel dat deze besluiten zijn gebaseerd op het feitelijk gebruik, dat daaruit niet blijkt dat het college op de hoogte was van de recreatieve verhuur en daarmee heeft ingestemd en dat in de beslissingen omtrent de belastingheffing geen sprake is van uitleg van het bestemmingsplan.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt dan ook.

Gelijkheidsbeginsel

4.4

Eisers hebben een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Zij hebben gewezen op de recreatieve verhuur van andere panden die als groepsaccomodatie worden verhuurd en een woonbestemming hebben ( [recreatieverblijf1] , [adres1] te Grijpskerke, [recreatieverblijf2] , [adres2] te Oostkapelle en [recreatieverblijf3] , [adres3] te Serooskerke).

Het college heeft onderzoek gedaan naar de door eisers genoemde adressen. Op grond daarvan heeft het college geconcludeerd dat de recreatieve verhuur op twee adressen ( [adres1] in Grijpskerke en [adres3] in Serooskerke) in overeenstemming is met de vergunde situatie, zodat er geen aanleiding is om handhavend op te treden. Ten aanzien van het derde adres ( [adres2] in Oostkapelle) is recreatieve verhuur in strijd met het bestemmingsplan, maar is legalisatie mogelijk en is het college bereid daartoe over te gaan.

De rechtbank constateert dat eisers deze mededelingen van het college niet (gemotiveerd) hebben betwist. De rechtbank gaat dus uit van de juistheid van de informatie van het college. Op grond daarvan concludeert de rechtbank dat van gelijke gevallen geen sprake is.

Ook op deze grond behoefde het college dus niet van handhaving af te zien.

Begunstigingstermijn en hoogte dwangsommen

4.5

In primaire besluiten 1 heeft het college een begunstigingstermijn gegeven tot en met 31 januari 2019. In primaire besluiten 2 loopt de begunstigingstermijn tot en met 25 maart 2019. Eisers vinden deze begunstigingstermijn te kort. Zij willen dat de begunstigingstermijn zolang duurt dat ze de reeds afgesloten huurcontracten kunnen nakomen. Zij hebben gevraagd de termijn te verlengen tot 31 augustus 2019.

Voorts stellen zij dat de dwangsommen te hoog zijn omdat zij de landhuizen al geruime tijd volkomen te goeder trouw recreatief verhuren. Bovendien menen zij dat per pand slechts één last onder dwangsom aan eisers gezamenlijk kan worden opgelegd, omdat zij gezamenlijk eigenaar zijn en niet zelfstandig bevoegd zijn om aan de illegale situatie een einde te maken.

Het college heeft er terecht op gewezen dat volgens vaste rechtspraak6 als uitgangspunt geldt dat de lengte van de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag zijn dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Met de voorzieningenrechter7 is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de begunstigingstermijn te kort is. Bij brief van 5 juli 2018 zijn eisers al geïnformeerd dat zij in strijd met het bestemmingsplan handelen. Zij hadden er voor kunnen kiezen na deze datum geen nieuwe boekingen meer aan te nemen. Daar hebben zij niet voor gekozen. De schade die zij daardoor lijden, dient voor hun rekening en risico te komen.

De rechtbank volgt eisers ook niet in hun betoog dat de opgelegde dwangsommen te hoog zijn. Niet is gebleken dat de dwangsommen hoger zijn dan noodzakelijk om eisers te bewegen tot naleving van de gestelde regels. Het college heeft in primaire besluiten 2 de dwangsom kunnen verhogen van € 1.000,- naar € 5.000,- (per overtreder) omdat de dwangsom van € 1.000,- er blijkbaar niet toe heeft geleid dat eisers op 31 januari 2019 volledig met de verhuur waren gestopt.

Ook het standpunt dat per pand slechts één dwangsom mocht worden opgelegd, faalt. Met het college is de rechtbank van oordeel dat eisers alle drie als mede-eigenaar van de landhuizen medepleger van het handelen in strijd met het bestemmingsplan zijn. Dit maakt dat hen afzonderlijk een last onder dwangsom kan worden opgelegd. Dat zij slechts gezamenlijk een einde aan de overtreding kunnen maken, doet hier niet aan af.

Zienswijze primaire besluiten 2

4.6

Eisers hebben ten aanzien bestreden besluit 2 nog gesteld dat het college hen in strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in de gelegenheid heeft gesteld een zienswijze naar voren te brengen voordat het de tweede lasten onder dwangsom oplegde.

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan leiden tot vernietiging van bestreden besluit 2. Met eisers meent de rechtbank dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door hen niet in de gelegenheid te stellen een zienswijze in te dienen tegen het voornemen om opnieuw een dwangsom op te leggen. Er was namelijk sprake van (veel) hogere dwangsommen en een kortere begunstigingstermijn. Het kan zo zijn dat de feitelijke situatie niet is gewijzigd, maar deze omstandigheden hadden voor het college aanleiding dienen te zijn eisers (wederom) in de gelegenheid te stellen een zienswijze in te dienen. Dat het college dit heeft nagelaten, is weliswaar onzorgvuldig, maar leidt niet tot vernietiging van bestreden besluit 2 omdat eisers hierdoor processueel niet in hun belangen zijn geschaad. Daarbij is van belang dat eisers in hun bezwaarschrift geen wezenlijk andere argumenten naar voren hebben gebracht dan zij in hun bezwaarschriften van 24 december 2018 tegen de eerste last onder dwangsom kenbaar hebben gemaakt. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

Conclusie

4.7

Omdat de beroepsgronden van eisers niet leiden tot vernietigingen van de bestreden besluiten, wordt het beroep ongegrond verklaard.

Nu de rechtbank ten aanzien van bestreden besluit 2 een gebrek constateert, zal de rechtbank het college veroordelen tot vergoeding van de door eisers in verband met de behandeling van bestreden besluit 2 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 1050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 345,00 in de zaak met

nummer 19/4070 aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van W.J. Steenbergen, griffier, op 3 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Wettelijk kader

Gemeentewet

Artikel 125 van de Gemeentewet luidt:

1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last onder bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 4:8, eerste lid, van de Awb luidt:

1. Voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt

Artikel 5:4, tweede lid, van Awb bepaalt dat een bestuurlijke sanctie slechts wordt opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven.

Artikel 5:31d van de Awb bepaalt dat onder een last onder dwangsom wordt verstaan de herstelsanctie inhoudende:

a. de last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:32, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.

Artikel 5:32b, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de bedragen van de vastgestelde dwangsom in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.

Artikel 6:22 van de Awb bepaalt dat een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Bestemmingsplan 3e herziening Buitengebied Veere

Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘3e herziening Buitengebied Veere’, rust op de percelen Valkenisseweg 59 en 61 de bestemming ‘Wonen’, met aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – landhuis’.

Artikel 21 Wonen luidt:

21.1

Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. . de huisvesting van personen in een woning;

  2. . ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - appartement': verblijfsrecreatie in appartementengebouwen;

  3. . ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - recreatiewoning': uitsluitend verblijfsrecreatie in een recreatiewoning;

  4. . ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf ': de huisvesting van personen in de bebouwing behorende bij een voormalig agrarisch bedrijf, waarbij één woning is toegestaan tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' een ander aantal is aangeduid;

  5. . ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landhuis': een landhuis met bijbehorende bouwwerken, alsmede voor het behoud en herstel van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarden;

  6. . ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - Nieuwe Economische Drager': een Nieuwe Economische Drager;

  7. . ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - restaurant': een restaurant;

  8. . bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, parkeervoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen;

  9. . ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - groepskamperen': verblijfsrecreatie in de vorm van groepskamperen;

  10. . ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - sterrenwacht': een sterrenwacht.

  11. . ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatiewoning 4': verblijfsrecreatie in een recreatiewoning, met dien verstande dat maximaal vier recreatiewoningen zijn toegestaan;

  12. . ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - theeschenkerij': tevens theeschenkerij;

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor:

m. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kamperen': een kleinschalig kampeerterrein.

Artikel 15 Recreatie luidt – voor zover hier van belang –:

15.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

(…)

d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie': verblijfsrecreatie in een groepsaccommodatie;

(…)

n. ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning': recreatiewoningen;

In artikel 1 Begrippen zijn – voor zover hier relevant – de volgende definities opgenomen:

1.50

logeergebouw:

een gebouw, bestemd voor verblijfsrecreatie door meerdere personen in groepsverband;

1.72

recreatief verblijf:

een niet langdurig verblijf van één of meerdere personen met of zonder overnachting die hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben;

1.73

recreatiewoning:

een als woning aan te merken gebouw, bestemd voor verblijfsrecreatie door personen die hun hoofdverblijf elders hebben;

1.87

verblijfsrecreatie:

recreatie in ruimten welke zijn bestemd of opgericht voor recreatief nachtverblijf, zoals een recreatiewoning, logeergebouw, pension of kampeermiddel, door personen die elders een vaste woon- of verblijfplaats hebben, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat zij elders zijn ingeschreven in de administratie als bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;

1.95

woning, wooneenheid:

woning, wooneenheid: een hoofdgebouw, dan wel een onderdeel van een hoofdgebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden;

1 Dit is in overeenstemming met de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2018:885.

2 Zie paragraaf 5.6 van de Toelichting bij Bestemmingsplan Buitengebied, blz. 30

3 Zie blz. 72 van de Toelichting bij Bestemmingsplan Buitengebied

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRS van 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4040

5 Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2019, BRE 19/1473 VV en 19/1475 VV

6 Zie de bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRS van 28 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3294

7 Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 januari 2019, BRE 19/14 VV, 19/16 VV, 19/17VV, 19/18 VV en 19/19 VV