Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1679

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19_4199
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAJONG

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4199 WAJONG T

tussenuitspraak van 31 maart 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. M.H. Smit,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 1 februari 2019 (primaire besluit) heeft het UWV geweigerd aan eiser een Wajonguitkering toe te kennen.

In het besluit van 4 juli 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 18 februari 2020.

Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde en mr. M.B.A. van Grinsven namens het UWV.

Overwegingen

1. Feiten

Eiser, geboren op [geboortedatum] 1999, heeft een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het UWV heeft de aanvraag op 9 november 2018 ontvangen.

Eiser lijdt aan niet-aangeboren hersenletsel door een hersentumor. Daarnaast heeft hij de ziekte van Graves, een aandoening aan zijn schildklier. Daar deze aandoeningen heeft hij vermoeidheidsklachten, cognitieve problemen en minder kracht in zijn armen en benen.

2. Standpunt van het UWV

Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser weliswaar geen arbeidsvermogen heeft, maar dat het niet is uit te sluiten dat hij in de toekomst arbeidsvermogen ontwikkelt omdat er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) verbetering van zijn functioneren te verwachten is. Het ontbreken van arbeidsvermogen is daarmee op dat moment niet duurzaam. Daarom heeft het UWV eiser geen Wajonguitkering toegekend.

3. Standpunt van eiser

Eiser voert aan dat het onderzoek door het UWV onzorgvuldig is geweest en dat het UWV ten onrechte stelt dat zijn belastbaarheid zal toenemen. Er zijn geen verbeteringen te verwachten wat betreft zijn cognitieve en energetische beperkingen. De behandelend oncoloog stelt dat eiser zo moe is als gevolg van het niet-aangeboren hersenletsel. De verzekeringsarts b&b heeft de conclusie over de te verwachten verbeteringen op cognitief en energetisch vlak slechts gebaseerd op de algemene werking van de schildklier en niet op eisers specifieke situatie. Ook uit de medische gegevens blijkt niet dat de aanpassing van de medicatie de werking van de schildklier heeft verbeterd en welke gevolgen dit heeft gehad voor zijn klachten. De verzekeringsarts b&b had daarom niet mogen concluderen dat eiser in de toekomst wel arbeidsvermogen zal hebben. Eiser verwijst voor zijn beroepsgronden ook naar wat hij in bezwaar heeft aangevoerd. Hij heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gegevens van behandelaars ingediend.

4. Juridisch kader

4.1

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is een jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

In het vierde lid is bepaald dat onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

In het achtste lid is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het eerste, vierde en zesde lid nadere regels kunnen worden gesteld.

Op grond van artikel 1a:2, eerste lid, van de Wajong heeft de jonggehandicapte recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

4.2

De nadere regels die worden genoemd in artikel 1a:1, achtste lid, van de Wajong zijn neergelegd in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: Schattingsbesluit).

In artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit is bepaald dat de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong 2015, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

In het tweede lid van artikel 1a is bepaald dat een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de kleinste eenheid van een functie is en bestaat uit één of meerdere handelingen.

In artikel 2, eerste lid, van het Schattingsbesluit is, voor zover hier van belang, bepaald dat de beoordeling van duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben als bedoeld in de hoofdstukken 1a, 2 en 3, van de Wajong, wordt gebaseerd op een verzekeringsgenees-kundig onderzoek en een arbeidsdeskundig onderzoek.

In artikel 3, vierde lid, van het Schattingsbesluit is, voor zover hier van belang, bepaald dat de verzekeringsarts bij een beoordeling van het duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, bedoeld in de hoofdstukken 1a en 3 van de Wajong, vaststelt of de gevolgen van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling waardoor de betrokkene ongeschikt is tot werken duurzaam zijn.

In artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van het Schattingsbesluit is, voor zover hier van belang, bepaald dat het arbeidsdeskundig onderzoek strekt tot vaststelling van: duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben als bedoeld in artikel 1a:1 van de Wajong.

4.3

Uit het wettelijk kader volgt dat het UWV voor het recht op uitkering op grond van de Wajong moet beoordelen of de betrokkene aan (ten minste) een van de vier in het eerste lid van artikel 1a van het Schattingsbesluit genoemde voorwaarden voldoet. Is dat het geval dan moet het UWV beoordelen of deze situatie duurzaam is als bedoeld in artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong.

4.4

In de nota van toelichting bij het Besluit van 8 oktober 2014 tot wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in verband met de Invoeringswet Participatiewet (Stb. 2014, 359), waarbij ook het Schattingsbesluit is aangepast, staat dat de term ‘mogelijkheden tot arbeidsparticipatie’ gelijk is aan het begrip ‘arbeidsvermogen’ (pagina 5 en verder). Arbeidsvermogen is het vermogen van een individu om doelgerichte handelingen in een arbeidsorganisatie te verrichten die resulteren in producten of diensten die een economische waarde hebben. Met ‘economische waarde’ wordt bedoeld dat een werkgever bereid is loon te betalen voor een verrichte taak. Verder blijkt uit de nota van toelichting dat het duurzaam niet hebben van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie betekent dat de mogelijkheden noch door medisch herstel noch door training (bijvoorbeeld scholing) kunnen verbeteren.

4.5

Het UWV heeft in verband met de inwerkingtreding van de Wajong per 1 januari 2015 de methode Sociaal Medische Beoordeling Arbeidsvermogen (SMBA) ontwikkeld. Voor het toepassen van de SMBA-systematiek heeft het UWV het Compendium Participatiewet (hierna: Compendium) vastgesteld. Het Compendium moet worden aangemerkt als een vaste gedragslijn.

4.6

Het UWV hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader (hierna: beoordelingskader) dat is opgenomen in Bijlage 1 van het Compendium. In het beoordelingskader is het volgende stappenplan opgenomen voor het onderzoek door de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen:

Stap 1 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.

Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 2 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:

- er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;

- de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.

Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen

De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.

Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.

4.7

De rechtbank overweegt vervolgens dat het bij de vraag naar de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen gaat om de toekomstige mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige moeten een inschatting maken over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij de betrokkene kunnen ontwikkelen. Dit brengt volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie onder meer de uitspraak van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018) voor een zorgvuldige besluitvorming mee dat de inschatting van de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige van de ontwikkeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betrokkene aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de situatie van de betrokkene op de datum in geding. In het geval de inschatting van de mogelijkheden tot ontwikkeling berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de betrokkene. Als de betrokkene bezwaar maakt tegen het oordeel dat geen sprake is van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen, zullen de verzekeringsarts bezwaar en beroep en/of de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, rekening houdend met alle medische en arbeidskundige gegevens die in de bezwaarfase voorhanden zijn, voor zover deze betrekking hebben op de datum in geding, beoordelen of de inschatting van het niet duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen gehandhaafd moet blijven.

5. De rechtsvraag die de rechtbank moet beoordelen

De rechtbank moet beoordelen of het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen recht heeft op een Wajonguitkering.

Tijdens de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de te beoordelen datum (datum in geding) eisers 18e verjaardag is, dat wil zeggen [geboortedatum] 2017. De rechtbank gaat daar dan ook vanuit.

Partijen zijn het er verder over eens dat eiser op [geboortedatum] 2017 geen arbeidsvermogen had. Zij verschillen van mening over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen per die datum duurzaam is. De rechtbank zal daarom alleen dat beoordelen.

6. Beoordeling door het UWV

Het bestreden besluit is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts, een arbeidsdeskundige en een verzekeringsarts b&b van het UWV.

De verzekeringsarts heeft eiser op het spreekuur van 14 januari 2019 gezien en zijn psyche onderzocht, waaronder de cognitieve en affectieve functies. Ook heeft hij informatie opgevraagd bij eisers internist-endocrinoloog en eisers dossier bestudeerd.

De verzekeringsarts heeft op 30 januari 2019 gerapporteerd dat er sprake is van de ziekte van Graves, waarvoor eiser wordt behandeld met medicatie, en van niet-aangeboren hersenletsel, waarvoor eiser in 2014 is behandeld. Eiser is beperkt als gevolg van ziekte of gebrek ten aanzien van de algemene mentale functies, spierfuncties, het leren en toepassen van kennis en de mobiliteit. Hij is niet ten minste vier uur per dag belastbaar en kan niet ten minste een uur aaneengesloten werken. Eiser wordt momenteel ingesteld ten aanzien van de schildklier. Dit kan van invloed zijn op zijn vermoeidheidsklachten. Verbetering is mogelijk wanneer de schildklierfunctie beter gereguleerd is.

De arbeidsdeskundige heeft op 1 februari 2019 gerapporteerd dat eiser niet beschikt over basale werknemersvaardigheden omdat hij te vermoeid is om afspraken met de werkgever na te komen. De arbeidsdeskundige heeft geen taak kunnen kiezen die eiser in een arbeidsorganisatie zou kunnen uitvoeren.

De verzekeringsarts b&b heeft eiser gezien tijdens de hoorzitting van 19 juni 2019 en zijn dossier bestudeerd.

De verzekeringsarts b&b heeft op 21 juni 2019 gerapporteerd dat eiser als gevolg van ziekte beperkingen heeft waardoor hij noch op zijn 18e verjaardag noch op de datum van de Wajongaanvraag in staat was om 4 uur per dag belastbaar te zijn voor werkzaamheden en voor het minstens 1 uur aaneengesloten werken. De redenen hiervoor zijn gelegen in energetische en neurocognitieve problemen. Naast het niet-aangeboren hersenletsel is sprake van een nog niet goed ingestelde schildklierfunctie. De werking van de schildklier beïnvloedt het totale functioneren van de mens, zowel fysiek als mentaal. De schildklier speelt onder andere een rol in het regelen van de energiehuishouding, reactiesnelheid, alertheid, lichaamstemperatuur en tonus. In de totale belastbaarheid van eiser is op medisch gebied nog winst te behalen door behandeling, waardoor bijvoorbeeld zijn energetisch vermogen kan toenemen, verwerkingssnelheid kan versnellen, coördinatie beter wordt, cognitieve vermogens kunnen toenemen en de spierkracht kan versterken. Wanneer de schildklierwerking op het juiste niveau gestabiliseerd wordt, is een nieuw neuropsychologisch onderzoek aangewezen om het therapeutisch effect van de behandeling te evalueren dan wel de belastbaarheid opnieuw in kaart te brengen. Omdat nog op diverse punten verbetering van het functioneren te verwachten is, is geen sprake van duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen.

De verzekeringsarts b&b heeft op 17 december 2019 gerapporteerd dat de brief van de kinderrevalidatiearts van 5 december 2019, die eiser in beroep heeft ingediend, geen aanleiding geeft om het standpunt te wijzigen. Het staat niet ter discussie dat eisers totale belastbaarheid op zijn 18e verjaardag onder meer wordt beïnvloed door het niet-aangeboren hersenletsel in combinatie met een disfunctionerende schildklier. Het is moeilijk om de bijdrage per ziektebeeld af te meten, zeker ten aanzien van uithoudingsvermogen dan wel werktijden. De gevolgen van het hersenletsel zijn vanuit medisch oogpunt weinig tot niet te beïnvloeden, al is enige verdere hersenontwikkeling tussen 2014 en 2017 niet uitgesloten. Maar de schildklierfunctie kan verbeteren, waardoor de algemene gezondheid op diverse vlakken zal/kan toenemen. In welke mate dat zal of kan zijn is niet voorspelbaar. Dit zal niet leiden tot volledig herstel van de belastbaarheid, maar minstens tot een verbetering daarvan, met name vooral ten aanzien van het uithoudingsvermogen.

7. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank constateert dat het standpunt van het UWV erop neer komt dat volgens de verzekeringsarts b&b op de datum in geding [geboortedatum] 2017 geen verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie in verband met het niet-aangeboren hersenletsel te verwachten was, maar wel in verband met de schildklieraandoening.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat uit de beschikbare medische gegevens niet blijkt of de schildklieraandoening ook al speelde op de datum in geding. De verzekeringsarts b&b heeft de internist-endocrinoloog weliswaar gevraagd om over de aandoening informatie te verstrekken, maar vroeg daarin niet of de aandoening ook al bestond op de datum in geding. De internist-endocrinoloog schrijft op 28 januari 2019 dat er in het begin sprake was van minder goed ziektemanagement en dat eiser vanaf najaar 2018 beter wordt behandeld. Verder schrijft de kinderoncoloog op 6 januari 2020 dat bij eiser in 2018 een probleem van de schildklier is vastgesteld. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt niet dat zij eiser hebben gevraagd of de schildklieraandoening al bestond op de datum in geding. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit alleen al daarom onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Het verweer van de gemachtigde van het UWV tijdens de zitting bij de rechtbank dat er een korte tijd zit tussen 2018 en de datum in geding en dat niet is gebleken dat het toen niet speelde, treft geen doel, omdat dat slechts een veronderstelling betreft zonder concrete medische onderbouwing.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de verzekeringsarts b&b onvoldoende concreet heeft onderbouwd wat op de datum in geding de mogelijke resultaten van de behandeling van de schildklieraandoening konden zijn voor de totale verbetering van de belastbaarheid van eiser en daarmee zijn reële mogelijkheden tot arbeidsparticipatie in de toekomst. De rechtbank vindt het in dit verband van belang dat uit de medische gegevens blijkt, en ook door de verzekeringsarts b&b wordt erkend, dat eiser als gevolg van het niet-aangeboren hersenletsel op de datum in geding onder andere blijvende cognitieve en energetische (vermoeidheid) beperkingen had. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsartsen hebben onderzocht of het ‘gat’ dat de verbetering van de schildklieraandoening zou moeten overbruggen tussen het niveau van eisers functioneren op de datum in geding en het functioneren dat noodzakelijk is voor arbeidsparticipatie in de toekomst, te overbruggen is door behandeling van de schildklier, en of dit ‘gat’ – mede door de cognitieve en energetische beperkingen als gevolg van het niet-aangeboren hersenletsel – te groot is. De verzekeringsarts b&b heeft er slechts in het algemeen op gewezen dat van het beter instellen van de schildklier een verbetering van het functioneren te verwachten is. Deze algemene verwachting is volgens de rechtspraak van de CRvB echter onvoldoende. De CRvB eist namelijk een concrete en deugdelijke afweging toegespitst op de situatie van de betrokkene en een onderbouwing die ziet op het mogelijke resultaat van een medische behandeling. Deze afweging ontbreekt in het geval van eiser. Dit klemt te meer omdat eiser naast de schildklieraandoening lijdt aan niet-aangeboren hersenletsel. Dat het moeilijk is om de bijdrage per ziektebeeld af te meten, vindt de rechtbank aannemelijk en logisch. Dit ontslaat de verzekeringsarts b&b echter niet van de verplichting om te onderbouwen waarom de verwachting gerechtvaardigd is dat betere instelling van de schildklier – ondanks de beperkingen die voorvloeien uit het niet-aangeboren hersenletsel – tot een zodanige afname van de vermoeidheid en een zodanige verbetering van het fysiek en mentaal functioneren van eiser zal leiden dat dit zal kunnen leiden tot een reële verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie in de toekomst.

De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het bestreden besluit een onderzoeksgebrek en een motiveringsgebrek kleven. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

8. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten 'bestuurlijke lus'. De rechtbank ziet om proceseconomische redenen aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het UWV in de gelegenheid stellen om de in rechtsoverweging 7 geconstateerde gebreken te herstellen.

De rechtbank zal daarna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.

Het UWV zal bij het herstel van de gebreken in elk geval het volgende moeten betrekken.

a. Wanneer het UWV van oordeel is dat de schildklieraandoening nog niet bestond op de datum in geding, zal het moeten aangeven welke consequenties dat heeft voor het oordeel over de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen gelet op de blijvende beperkingen als gevolg van het niet-aangeboren hersenletsel, zoals de rechtbank in overweging 7 heeft overwogen.

b. Wanneer het UWV van oordeel is dat de schildklieraandoening al wel bestond op de datum in geding, zal het concreet moeten onderbouwen wat op die datum de mogelijke resultaten van de behandeling daarvan konden zijn voor de totale verbetering van de belastbaarheid van eiser en daarmee zijn reële mogelijkheden tot arbeidsparticipatie in de toekomst gelet op de blijvende beperkingen als gevolg van het niet-aangeboren hersenletsel, zoals de rechtbank in overweging 7 heeft overwogen.

c. Afhankelijk van de stappen van het stappenplan van het beoordelingskader die aan de orde zijn, zal het onderzoek door het UWV niet alleen door de verzekeringsarts b&b moeten worden gedaan, maar ook door de arbeidsdeskundige b&b.

De rechtbank geeft het UWV in overweging om zo nodig nadere informatie op te vragen bij eisers behandelaars.

9. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV de gebreken kan herstellen op acht weken. Als het UWV hiervan geen gebruik wil maken, dan moet het dit binnen drie weken aan de rechtbank meedelen. Als het UWV wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting einduitspraak doen.

10. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat laatste betekent ook dat zij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt het UWV in de gelegenheid om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van wat in overwegingen 7 en 8 van deze tussenuitspraak is overwogen;

- draagt het UWV op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, dat binnen drie weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier.

De uitspraak is gedaan op 31 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.