Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1674

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-03-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
AWB- 19_4947
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4947 WABOA

uitspraak van 30 maart 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. G.M. Pierik,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 28 december 2018 (bestreden besluit) van verweerder inzake de aanvraag om een omgevingsvergunning ten behoeve van een horeca-inrichting aan de Herenstraat 6 te Den Haag .

In verband met onvoldoende zittingscapaciteit bij de rechtbank Den Haag, heeft die rechtbank het beroep bij beschikking van 9 september 2019 doorverwezen naar deze rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 6 februari 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Boender-Wiebenga.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op de volgende vraag van de rechtbank: “Waarom is zware horeca op de bovenverdieping van het pand aan de Herenstraat 6 te Den Haag niet toegestaan op grond van artikel 7.1, onder a, van de planregels uit bestemmingsplan Binnenhof e.o”. De rechtbank heeft de reactie van verweerder op 20 februari 2020 ontvangen. Eiseres heeft daar bij brief van 21 februari 2020 op gereageerd.

De rechtbank heeft een tweede zitting achterwege gelaten, omdat partijen desgevraagd niet hebben aangegeven dat zij mondeling op een zitting willen worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek op 19 maart 2020 gesloten.

Overwegingen

1 Feiten

Eiseres huurt het pand aan de Herenstraat 6 te Den Haag (hierna: het pand) sinds juni 2017 van [naam bv] B.V. Eiseres verhuurt het pand sinds 28 juni 2019 aan [naam bv2] B.V. en heeft het pand daarvoor verhuurd aan [naam bv3] B.V. (hierna: [naam bv3] ).

[naam bv3] heeft op 19 januari 2018 een omgevingsvergunning aangevraagd bij verweerder voor het bouwen van een bouwwerk. De aanvraag ziet op het inpandig veranderen van het pand, het gebruiken van het pand voor zware horeca, het veranderen van de voorgevel door het wijzigen van de kozijnen op de begane grond en eerste verdieping, het plaatsen van reclame-uitingen en het plaatsen van luchtbehandelingsinstallaties.

Onder ‘zware horeca’ wordt in de Horecavisie Den Haag 2016 verstaan: “Dag/avond/nachthoreca waar het accent ligt op het verstrekken van (niet)alcoholische dranken / gelegenheid bieden tot dansen op mechanische / live muziek op een dansvloer. Bijvoorbeeld café en discotheek.”


Bij besluit van 23 mei 2018 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van bouwwerken, het afwijken van het bestemmingsplan en het maken van handelsreclame op of aan een onroerende zaak.

Bij brief van 27 juli 2018 is bezwaar gemaakt tegen dat besluit door ondernemers gevestigd aan en rond de Herenstraat en door de bewonersvereniging ‘Bewoners Rondom het Plein’.

Verweerder heeft het bezwaar bij bestreden besluit gegrond verklaard. In hetzelfde besluit heeft het verweerder de omgevingsvergunning van 23 mei 2018 herroepen en heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk en het maken van handelsreclame op of aan een onroerende zaak. Voorts heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van de begane grond voor zware horeca en heeft verweerder de omgevingsvergunning geweigerd voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van de eerste verdieping voor zware horeca.

Eiseres heeft daar bij brief van 13 februari 2019 beroep tegen ingesteld.

2 Beroepsgronden

Eiseres heeft in beroep primair aangevoerd dat het gebruiken van de verdieping van het pand voor zware horeca niet in strijd is met het bestemmingsplan. Voor zover wel sprake is van een strijdigheid met het bestemmingsplan, stelt eiseres dat verweerder voor het afwijken van het bestemmingsplan ten onrechte geen omgevingsvergunning heeft verleend. Volgens eiseres is namelijk sprake van een kruimelgeval als bedoeld in artikel 4, onder 9, bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en is het verlenen van de vergunning niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

3. Belanghebbendheid eiseres

3.1

Verweerder heeft gesteld dat eiseres niet aangemerkt kan worden als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Volgens verweerder is eiseres alleen een holding maatschappij, die holding, beheer- en beleggingsmaatschappij activiteiten behelst.

Eiseres stelt dat ze wel een eigen belang heeft omdat zij actief is als huurder en verhuurder. Zij huurt het pand niet alleen, maar verhuurt het ook weer. Als verhuurder heeft zij belang bij een zo hoog mogelijke huurprijs.

3.2

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan alleen een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit.

Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Om als belanghebbende bij een besluit in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit (ECLI:NL:RVS:2019:1514, r.o. 4.4). Dit geldt ook voor een rechtspersoon als eiseres.

3.3

De rechtbank is het met eiseres eens en is van oordeel dat eiseres kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit. Anders dan verweerder stelt, doet eiseres meer dan alleen ‘holding, beheer- en beleggingsmaatschappij activiteiten’. Uit verschillende door eiseres overgelegde huurovereenkomsten blijkt dat eiseres het pand huurt en vervolgens weer onderverhuurt. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een voldoende objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang dat rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRS) van 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2101, r.o. 2.2) leidt de rechtbank namelijk af dat een verhuurster van een pand een eigen belang heeft bij een besluit dat gaat over het gebruik van het pand. Als door middel van een omgevingsvergunning meer bedrijfsmatige activiteiten worden toegestaan – in dit geval zware horeca op de eerste verdieping – kan eiseres immers een hogere huurprijs vragen. Dit is geen afgeleid belang, maar een eigen belang dat voortvloeit uit haar hoedanigheid van verhuurster.

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank eiseres belanghebbende bij het bestreden besluit.

4. Procesbelang

De rechtbank stelt vast dat de aanvrager van de omgevingsvergunning, [naam bv3] , ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het pand huurde, maar dat eiseres het pand inmiddels – namelijk met ingang van 28 juni 2019 – verhuurt aan [naam bv2] B.V..

De rechtbank heeft zich naar aanleiding hiervan de vraag gesteld of eiseres nog belang heeft bij een uitspraak van de rechtbank over de rechtmatigheid van de weigering van een omgevingsvergunning voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Dit is de vraag naar het procesbelang.

Het procesbelang is het belang dat eiseres heeft bij de uitkomst van de procedure, wat zij in concreto met haar beroep wil/kan bereiken. Het betreft niet de vraag óf eiseres gelijk heeft, het gaat erom of zij een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als zij dat zou hebben. Reëel belang vereist dat er nog sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit. Het doel dat eiseres voor ogen staat, moet met het rechtsmiddel kunnen worden bereikt en voor haar feitelijk van betekenis zijn. Het ontbreken van het procesbelang staat in de weg aan de ontvankelijkheid van het beroep. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRS van 25 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2501).

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat (proces)belang ontbreekt omdat de aanvrager niet langer huurder is en geen gebruik meer kan maken van een omgevingsvergunning voor dit pand, terwijl de vergunning (nog) niet is overgeschreven op naam van eiseres of de nieuwe (onder)huurder. Naar het oordeel van de rechtbank faalt dit betoog. Uit artikel 2.25 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) volgt dat een omgevingsvergunning een zaaksgebonden vergunning is. Een omgevingsvergunning kan dus worden overgedragen. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat de omstandigheid dat [naam bv3] niet langer huurder is, niet hoeft te betekenen dat het gebruik conform de omgevingsvergunning niet meer kan worden verwezenlijkt. De vergunning kan namelijk worden overgedragen aan een nieuwe (onder)huurder of aan eiseres. Dat niet is gebleken dat die overdracht al heeft plaatsgevonden, betekent niet dat dit niet meer mogelijk is. Het staat dus niet vast dat het doel van de omgevingsvergunning niet meer kan worden gerealiseerd. Daarom neemt de rechtbank aan dat eiseres nog een (te verwezenlijken) belang heeft bij de in geding zijnde omgevingsvergunning en dus bij een uitspraak van de rechtbank daar over.

5. Wettelijk kader

De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

6. Beoordeling beroepsgronden

6.1

[naam bv3] heeft een aanvraag ingediend voor het bouwen van een bouwwerk. Bij de beoordeling van die aanvraag heeft verweerder geconcludeerd dat het beoogd gebruik van de begane grond en de verdieping voor zware horeca niet past binnen de bestemming ‘Gemengd-3’. Uit de stukken begrijpt de rechtbank dat verweerder de aanvraag ingevolge artikel 2.10, eerste lid, onder c, en tweede lid, van de Wabo daarom tevens heeft aangemerkt als een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Verweerder heeft de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan verleend voor wat betreft het gebruik van de begane grond voor zware horeca, maar heeft die toestemming voor het gebruik van de verdieping geweigerd.

6.2

Tussen partijen is in geschil of het gebruiken van de verdieping voor zware horeca past binnen de bestemming ‘Gemengd-3’.

Eiseres stelt dat in artikel 7.1, onder a, van de planregels staat dat zware horeca op de verdieping is toegestaan.

Verweerder stelt dat in artikel 7.1 van de planregels per laag c.q. verdieping expliciet is aangegeven welke functies zijn toegestaan. Uit artikel 7.1, aanhef en onder g, van de planregels volgt volgens verweerder dat uitsluitend op de begane grond ‘horeca in de categorie ‘licht’ is toegestaan. Uit artikel 7.1, aanhef en onder h-i, volgt dat ter plaatse van de daar genoemde aanduidingen “horeca tot en met categorie 2, categorie 3 of gemengd” is toegestaan. Op het pand is geen aanduiding van toepassing. Dat betekent volgens verweerder dat horeca in het pand uitsluitend is toegestaan op de begane grond. Dat in de ‘Staat van bedrijven bij functiemenging’ o.a. cafés, bars en discotheken zijn opgenomen maakt dit niet anders. Daar heeft verweerder aan toegevoegd dat die staat moet worden gelezen in samenhang met de ‘Staat van Horeca-categorieën’. Die staat vormt een verbijzondering van de bedrijfsmatige activiteiten van de hier toegestane functie ‘horeca’ in de categorie ‘licht’.

6.3

De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie van de AbRS (zie o.a. ECLI:NL:RVS:2020:211, r.o. 3.2) volgt dat de rechtbank planregels omwille van de rechtszekerheid letterlijk moet uitleggen. De rechtszekerheid vereist namelijk dat uitgegaan mag worden van hetgeen in het bestemmingsplan is bepaald.

De rechtbank leest in artikel 7.1, aanhef en onder a, van de planregels dat de voor ‘Gemengd-3’ aangewezen gronden bestemd zijn voor bedrijfsmatige activiteiten in de categorieën A en B van de bij het bestemmingsplan behorende ‘Staat van bedrijven bij functiemenging’ als opgenomen in Bijlage 3 van de regels, met uitzondering van inrichtingen als bedoeld in artikel 41, derde lid, van de Wet Geluidhinder, inrichtingen als bedoeld in artikel 4, vijfde lid van het Besluit externe veiligheid inrichtingen en garagebedrijven. In de ‘Staat van bedrijven bij functiemening’ staat aangewezen als ‘categorie A’: cafés en bars en staat aangewezen als ‘categorie B’: discotheken en muziekcafés. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat zware horeca als bedoeld in de Horecavisie Den Haag 2016 (in beginsel) is toegestaan in het pand.

De rechtbank leest in de planregel dat alleen ten aanzien van de begane grond een speciale regel wordt gegeven voor het gebruik als horeca. In artikel 7.1, aanhef en onder g, van de planregels staat namelijk dat uitsluitend op de begane grondlaag horeca is toegestaan in de categorie ‘licht’, tenzij sprake is van een ‘aanduiding’ als bedoeld ‘onder h’ of ‘onder i’. Uit de planregel blijkt volgens de rechtbank niet klaarblijkelijk en voor iedereen kenbaar dat die beperking ook geldt voor de verdiepingen van het pand. Ook blijkt uit de planregel niet dat de ‘Staat van bedrijven bij functiemenging’ niet geldt voor de eerste bouwlaag/verdieping of dat de ‘Staat van bedrijven bij functiemenging’ moet worden gelezen in samenhang met de ‘Staat van Horeca-categorieën’. Naar het oordeel van de rechtbank kan dat ook niet worden gelezen in artikel 7.1, onder j, van de planregels. Uit die planregel volgt dat in aanvulling op de functies die staan genoemd in artikel 7.1, onder a-e, ook de daar genoemde functies zijn toegelaten ter plaatse van de aanduiding ‘gemengd’. Uit de tekst van artikel 7.1 blijkt dus niet dat zware horeca is uitgezonderd van de bedrijfsmatige activiteiten die op grond van artikel 7.1., onder a en de daarin genoemde ‘Staat van bedrijven bij functiemenging’ zijn toegestaan in een pand.

Dat ten aanzien van de diverse functies expliciet wordt aangegeven op welke laag c.q. verdieping één of meerdere functies zijn toegestaan c.q. een aanduiding geldt – zoals verweerder stelt – leest de rechtbank niet in artikel 7.1. Onder a-e van dit artikel worden bestemmingen opgenoemd die algemeen, voor het hele pand gelden. De rechtbank kan uit de redactie van artikel 7.1 niet afleiden dat de bestemmingen genoemd onder a-e alleen zouden gelden voor de eerste bouwlaag/verdieping en de bestemmingen genoemd onder f-g of f-j alleen voor de begane grond(laag).

Dat een en ander volgens de planwetgever mogelijk wel zo bedoeld is, betekent niet dat dit artikel ook zo moet worden gelezen.

Gelet op het voorgaande past het gebruik van de verdieping van het pand voor zware horeca binnen de bestemming ‘Gemengd-3’. Omdat de planregel naar het oordeel van de rechtbank duidelijk is, bestaat geen aanleiding om de planregel de door verweerder gestelde interpretatie te geven.

7. Conclusie

7.1

De rechtbank concludeert dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van de verdieping van het pand voor zware horeca in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en zal het bestreden besluit vernietigen. De subsidiair door eiseres aangevoerde beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

7.2

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

7.3

De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 1050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 30 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Wettelijk kader

1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo)

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.


Artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo voegt daar aan toe: Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.

In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag ingevolge het tweede lid mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo voegt daar aan toe: voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

  1. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

  2. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

  3. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge artikel 2.25, eerste lid, van de Wabo geldt een omgevingsvergunning voor eenieder die het project uitvoert waarop zij betrekking heeft. De vergunninghouder draagt ervoor zorg dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.

In het tweede lid is bepaald dat, indien een omgevingsvergunning zal gaan gelden voor een ander dan de aanvrager of de vergunninghouder, de aanvrager, onderscheidenlijk de vergunninghouder dat ten minste een maand voordien aan het bevoegd gezag meldt, onder vermelding van de bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gegevens.

2 Bestemmingsplan Binnenhof e.o.

Het bestemmingsplan ‘Binnenhof e.o’ is vastgesteld voor o.a. de Herenstraat 6 te Den Haag.

Uit de plankaart blijkt dat de enkelbestemming ‘Gemengd-3’ aan de Herenstraat 6 is toegekend.

De voor 'Gemengd-3' aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 7.1, van de planregels bestemd voor:

  1. bedrijfsmatige activiteiten in de categorieën A en B van de bij dit bestemmingsplan behorende Staat van bedrijven bij functiemenging als opgenomen in Bijlage 3 van de regels, met uitzondering van inrichtingen als bedoeld in artikel 41, derde lid van de Wet Geluidhinder, inrichtingen als bedoeld in artikel 4, vijfde lid van het Besluitexterne veiligheid inrichtingen, en garagebedrijven;

  2. dienstverlening zoals nader bepaald in lid 7.5;

  3. kantoor zoals nader bepaald in lid 7.5;

  4. maatschappelijk waaronder worden verstaan gezondheidszorg, praktijkruimten, kinderopvang, openbare dienstverlening, verenigingsleven en welzijnsinstellingen,

  5. wonen,

en uitsluitend op de begane grondlaag:

detailhandel;

horeca in de categorie "licht" van de Staat van Horeca-categorieën als opgenomen in Bijlage 2 van de regels van dit plan en zoals nader bepaald in lid 7.5;

en ter plaatse van de aanduiding:

"horeca tot en met categorie 2" is op de begane grondlaag een horeca-inrichting in de categorie "middelzwaar" van de Staat van Horeca-categorieën als opgenomen in Bijlage 2 van de regels van dit plan en zoals nader bepaald in lid 7.5 toegestaan;

"horeca tot en met categorie 3" is op de begane grondlaag een horeca-inrichting in de categorie "zwaar" van de Staat van Horeca-categorieën als opgenomen in Bijlage 2 van de regels van dit plan en zoals nader bepaald in lid 7.5 toegestaan;

"gemengd" zijn ook de functies horeca tot en met de categorie middelzwaar van de Staat van Horeca-categorieën als opgenomen in Bijlage 2 van de regels van dit plan, hotel, recreatie-inrichting, detailhandel, kantoor, dienstverlening binnen het pand toegestaan,

een en ander met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, wegen, parkeervoorzieningen, groen, water en overige voorzieningen.