Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1647

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
AWB- 20_5689 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verlenen omgevingsvergunning plaatsen antennemast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5689 VV

uitspraak van 3 april 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (het college), verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam vergunninghouder] , te Heerle (vergunninghouder).

Procesverloop

In het besluit van 11 maart 2020 (bestreden besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan [naam vergunninghouder] (vergunninghouder) voor het plaatsen van een antennemast.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

In verband met de uitbraak van het coronavirus is de zaak niet besproken op een zitting van de rechtbank. Omdat de overgelegde stukken in deze zaak naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende inzicht bieden in de standpunten van partijen en partijen hebben ingestemd met het achterwege laten van de zitting, zal de voorzieningenrechter, gelet op het aanwezige spoedeisend belang, uitspraak doen zonder zitting.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1

Verzoeker woont aan [adres verzoeker]. Vergunninghouder is eigenaar van het perceel aan [adres]. Hij wil een radio-omroepdienst verzorgen en heeft daarvoor toestemming gekregen van het Commissariaat voor de Media. Het Agentschap Telecom heeft hem een vergunning verleend voor het gebruik van frequentieruimte in de categorie Laagvermogen middengolfomroep.

1.2

Met de aanvraag van 7 november 2019 heeft vergunninghouder het college verzocht om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een antennemast in de achtertuin op zijn perceel, ten behoeve van het gebruik van de vergunde frequentieruimte. De antennemast heeft een maximale hoogte van 29,27 meter in uitgeschoven vorm, 9,75 meter in ingeschoven vorm, en 2 meter in ingeklapte stand.

1.3

Met het bestreden besluit heeft het college de verzochte omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, onderdeel 5, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). De omgevingsvergunning ziet op het bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

1.4

In de omgevingsvergunning zijn de volgende voorwaarden opgenomen:

- de mast mag alleen gedurende uitzendingen op zaterdagen en zondagen tussen 8.00-14.00 maximaal worden uitgeschoven;

- indien de mast niet in gebruik is, moet deze in minimale (neergeklapte) stand op het perceel aanwezig zijn.

Het verzoek

2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat het college niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de omgevingsvergunning te verlenen. Het landschap wordt ernstig verstoord en de belangen van de omwonenden zijn onvoldoende meegewogen. Het college mocht zich niet baseren op het welstandsadvies, gelet op het eerdere negatieve advies. Het besluitvormingsproces van het college was onzorgvuldig, want omwonenden hadden moeten worden geïnformeerd en gehoord bij een dergelijk bouwplan. Verder is er geen noodzaak voor de voorziene antennemast en hadden alternatieven moeten worden onderzocht. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

Toetsingskader

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

Juridisch kader

4. Voor de toepasselijke bepalingen wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak. De tekst van de hierna te noemen bepalingen is in de bijlage te vinden.

Beoordeling van het verzoek

Belanghebbende

5. De voorzieningenrechter dient eerst ambtshalve te beoordelen of verzoeker belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning. Voor de beantwoording van de vraag of verzoeker als belanghebbende kan worden aangemerkt, is van belang dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het uitgangspunt volgt dat degene die gevolgen van enige betekenis ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon- en leefsituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt (zie de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271).

Verzoeker stelt dat de afstand tussen zijn perceel en de antennemast ongeveer 100 meter is, deze antennemast boven de bomenrij tussen zijn woning en het perceel van vergunninghouder uitstijgt en dat hij er vanuit zijn woning zicht op heeft. Dit is door het college niet weersproken, zodat de voorzieningenrechter daarvan uit zal gaan. Gelet hierop is verzoeker naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter belanghebbende. Voor het oordeel dat gevolgen van enige betekenis ontbreken, bevatten de beschikbare stukken geen aanknopingspunten.

Redelijke eisen van welstand

6.1

Verzoeker heeft gewezen op het uitgebrachte advies door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). De voorzieningenrechter begrijpt hieruit dat verzoeker beoogt te stellen dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand, dan wel dat het college het advies van de CRK niet aan de besluitvorming ten grondslag had mogen leggen.

6.2

Uit de stukken blijkt dat het college de CRK heeft verzocht om advies uit te brengen over de antennemast. In eerste instantie heeft de CRK op 8 januari 2020 negatief geadviseerd omdat de CRK de mast als een ernstige verstoring van het open agrarische landschap zag. Op 10 maart 2020 heeft de CRK geconcludeerd dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk voldoet aan de redelijke eisen van welstand. In dit laatste advies heeft de CRK opgemerkt dat de maximale hoogte alleen van toepassing is bij uitzendingen, die beperkt zijn. De mast in uiterste uitgeschoven toestand is daarmee beperkt in tijd aanwezig. Verder noemt de CRK dat de hoogte van de antenne dus feitelijk aanzienlijk lager is en dat deze – zeker als deze ook nog is ingeklapt – nauwelijks boven de andere in de directe omgeving gesitueerde objecten uit komt. De beeldimpact is dus voor het grootste gedeelte, zijnde de permanente hoogte, minder relevant en aanvaardbaar. Daarnaast is de mast in antraciet matte lak uitgevoerd.

6.3

De voorzieningenrechter overweegt dat het uitgangspunt is dat het college, hoewel het niet aan een advies van de CRK gebonden is en de verantwoordelijkheid voor welstandtoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet – of niet zonder meer – aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van het welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien een advies wordt overgelegd van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd wordt aangevoerd dat het welstandsadvies in strijd is met de geldende criteria (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1383).

Verzoeker heeft geen advies van een andere deskundige overgelegd. Ook zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het advies van de CRK naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont. Het enkele feit dat de CRK in een eerder advies negatief heeft geadviseerd over het plan, is daarvoor onvoldoende. De CRK heeft immers voldoende toegelicht dat nieuwe achtergrondinformatie over de hoogte en de kleur van de antennemast aanleiding gaf voor het positieve advies. Het college heeft het advies van de CRK dan ook aan het verlenen van de omgevingsvergunning ten grondslag mogen leggen.

Verzoeker heeft gesteld dat de CRK de verkeerde toets heeft gehanteerd in de adviezen. Voor zover verzoeker bedoelt te betogen dat de CRK de welstandstoetsing en de toetsing aan de ruimtelijke gevolgen door elkaar heeft gehaald, faalt dat betoog. Uit de adviezen blijkt dat de CRK de aanvraag heeft getoetst aan de welstandscriteria. In dat kader heeft de CRK in aanmerking kunnen nemen dat de tijd dat de antennemast volledig uitgeschoven zal zijn, en daarmee invloed heeft op de “beeldimpact” en het “landschappelijke ensemble”, gering is. De CRK heeft daar een groot gewicht aan kunnen toekennen.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college het bestreden besluit dus kunnen baseren op het advies van de CRK. Ook heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de antennemast voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Afwijking van het bestemmingsplan

7.1

Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Gelet op artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen niet mogelijk zonder verlening van een omgevingsvergunning voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan.

7.2

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onder 5, van Bijlage II bij het Bor heeft het college de bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor de realisatie van een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 meter. De hoogte van de antennemast is maximaal 29,75 meter. Het college is dus (in beginsel) bevoegd om van het bestemmingsplan af te wijken.

7.3

Bij zijn beslissing om al dan niet gebruik te maken van deze bevoegdheid heeft het college beleidsruimte. Bij de uitoefening daarvan moet door het college een belangenafweging worden gemaakt, die door de bestuursrechter terughoudend dient te worden getoetst. Deze toets houdt in dat de rechtbank zich in deze zaak moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen om de omgevingsvergunning te verlenen.

7.4

Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat de antennemast enige impact heeft op de woon- en leefomgeving van verzoeker, kan dit niet leiden tot het oordeel dat het college bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot verlening van de omgevingsvergunning heeft kunnen besluiten. Daarvoor is van belang dat de voorziene antennemast zal worden gerealiseerd op een afstand van in ieder geval 100 meter van de woning van verzoeker. Daarbij gaat de voorzieningenrechter uit van de door verzoeker gestelde 100 meter. Voor zover de precieze afstand in geschil is tussen partijen, kan dit in de bezwaarprocedure worden opgehelderd. Ook heeft het college mogen meewegen dat zich tussen de percelen van vergunninghouder en verzoeker nog een bomenrij bevindt. Verder heeft het college voorwaarden verbonden aan de vergunde activiteiten, zoals weergegeven onder 1.4, om het ruimtelijk effect van de voorziene antennemast zo veel mogelijk te beperken. Buiten de gebruikstijden dient de antennemast te zijn ingeklapt, waardoor deze een hoogte heeft van 2 meter en niet zichtbaar is voor verzoeker. Dat de gebruikstijden op weekenddagen vallen, is niet een zodanig zwaarwegende omstandigheid die maakt dat het college anders had moeten besluiten. De geuite twijfels van verzoeker over de uitvoering van die voorwaarden is een vraagstuk omtrent handhaving. Dit valt buiten de omvang van dit geding.

Overige gronden

8.1

Verzoeker heeft gesteld dat het besluitvormingsproces onzorgvuldig is geweest, omdat het college niet is ingegaan op de ingebrachte zienswijze van [naam] van 25 november 2019. Ook zouden de omwonenden niet zijn gehoord en geïnformeerd. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. Uit het bestreden besluit blijkt dat het college kennis heeft genomen van de ingebrachte bezwaren van omwonenden en hierop in de motivering is ingegaan, ook al is deze brief niet met zoveel woorden genoemd. Voor zover verzoeker bedoelt te stellen dat het college verplicht was om een vorm van burgerparticipatie te organiseren, vindt dit geen steun in het recht.

8.2

Verzoeker heeft er tot slot nog op gewezen dat vergunninghouder momenteel al een antenne heeft geplaatst met een hoogte van 12 meter. Volgens verzoeker had moeten worden onderzocht of daarmee een alternatief beschikbaar is dat minder bezwarend is dan de voorziene antennemast.

Dit standpunt volgt de voorzieningenrechter niet. Bij de beoordeling of een omgevings-vergunning dient te worden verleend, vormt het bouwplan zoals dat is ingediend het uitgangspunt. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2800). Verzoeker stelt ten onrechte dat het op de weg van het college ligt om voorafgaand aan de besluitvorming alternatieven te onderzoeken. Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een gelijkwaardig en minder bezwarend alternatief voorhanden was voor de voorziene antennemast. Dit heeft hij niet gedaan. Het enkele opwerpen van vraagtekens over het doel, de noodzaak en de juridische status van de bestaande antenne is daarvoor onvoldoende.

Conclusie

9.1

Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het voorlopige oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het verlenen van de omgevingsvergunning heeft kunnen besluiten. De verwachting is dat het bestreden besluit stand zal houden. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

9.2

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Skalonjic, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier op 3 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo is het, voor zover hier van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit a) het bouwen van een bouwwerk en c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt – kort gezegd – dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de aangevraagde activiteit niet voldoet aan (a) het Bouwbesluit, (b) de Bouwverordening en in strijd is met (c) het bestemmingsplan of (d) redelijke eisen van welstand.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2, van de Wabo geldt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

De hiervoor bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Op grond van artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Artikel 4, aanhef en vijfde lid, van bijlage II van het Bor bepaalt dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking komt: een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 meter.

Ter plaatse van de voorziene antennemast geldt op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied Wouw” de bestemming “Wonen-2”.

Op grond van artikel 24.2.1 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan mogen op de plankaart voor “Wonen-2” aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd:

  1. hoofdgebouwen;

  2. bijgebouwen;

  3. woonwagens;

  4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Op grond van artikel 24.2.5 van de planvoorschriften mag de hoogte van bijbehorende bouwwerken, geen gebouw zijnde, maximaal 2,00 meter bedragen.