Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1630

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-03-2020
Datum publicatie
27-04-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3073
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:2454, Overig
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op dit moment is er geen samenvatting beschikbaar omdat deze uitspraak in beginsel niet is geselecteerd ter publicatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/1106
Viditax (FutD), 29-04-2020
FutD 2020-1414
V-N 2020/24.26.30
NTFR 2020/1815 met annotatie van mr. J. Rolleman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 18/3073

uitspraak van 30 maart 2020

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de minister voor Rechtsbescherming, de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het tijdvak 2 februari 2016 tot en met 1 februari 2017 een naheffingsaanslag opgelegd tot een bedrage van € 424. Tegelijkertijd met dit besluit heeft de inspecteur bij beschikking een verzuimboete in de motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 424.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 april 2018 het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft daartegen bij fax van 16 mei 2018, ontvangen bij de rechtbank op 16 mei 2018, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 338.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2020 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, A.F.M.J. Verhoeven, verbonden aan Netcar Juridische Dienstverlening B.V. te Westerhoven, bijgestaan door [A] en [inspecteur] namens de inspecteur.

Belanghebbende heeft voor de zitting twee pleitnota’s toegezonden aan de rechtbank, welke (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij zijn verstrekt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1

Het motorrijtuig met kenteken [kenteken] is blijkens de kentekenregistratie van 31 januari 2017 tot en met 3 maart 2017, 16 maart 2018 tot en met 22 maart 2018 en van 28 maart 2018 tot en met 29 maart 2018 opgenomen in de bedrijfsvoorraad van belanghebbende.

2.2

Op 1 februari 2017 omstreeks 23:30 uur op de [weg] te Eindhoven is door een politieagent geconstateerd dat het onderhavige motorrijtuig gebruik van de weg maakte met de handelaarskentekenplaat [handelaarskenteken] .

2.2

In het mutatie rapport van de politie is onder andere opgenomen:

" Toelichting bij incident

(…) Bestuurder [naam] gaf aan dat hij de auto van zijn vader had geleend omdat hij het leuk vond om in z'n dure auto een stukje te rijden. Hij kon geen kentekenbewijs van de originele platen en geen kentekenbewijs van de handelaarsplaten overhandigen."

2.3

Met dagtekening 30 juni 2017 is de naheffingsaanslag ad € 424 opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van deze naheffingsaanslag is bij beschikking een verzuimboete van € 424 opgelegd.

3 Geschil

3.1

In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.2

Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende hieraan het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd: belanghebbende stelt dat de ambtsedige verklaring niet juist is. In tegenstelling tot wat de inspecteur stelt is er niet om het kentekenbewijs gevraagd, terwijl deze wel in de auto aanwezig was. Daarnaast heeft de bestuurder ook een soortgelijke auto bij belanghebbende gekocht, hetgeen bevestigt dat er sprake was van een proefrit.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking. Verder heeft gemachtigde gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de boete en voor de behandeling in de bezwaar- en beroepsfase.

3.3

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1

Door gemachtigde van belanghebbende zijn per fax pleitnota’s - nader ingediende stukken - met dagtekening 27 januari 2020 en 3 februari 2020 overgelegd. Deze stukken bevatten (zware) aantijgingen en beledigingen richting overheidsinstanties en individuele personen. De aantijgingen richting de rechterlijke macht, in het bijzonder wat betreft de onpartijdigheid, raken de democratische rechtsstaat. In eerder uitspraken van andere rechterlijke instanties is al volop geciteerd uit stukken van gemachtigde. Taalgebruik en toonzetting in de onderhavige pleitnota’s wijken daar niet wezenlijk van af. (Vgl. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 januari 2020, nr. 18/6431T, ECLI:NL:RBZWB:2020:341 en Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, nrs. 18/00781 t/m 18/00797, ECLI:NL:GHARL:2019:9786).

4.2

Ter zitting heeft de rechtbank gemachtigde van belanghebbende in de gelegenheid gesteld om de aantijgingen, het grove taalgebruik, de beschimpingen, verdachtmakingen en scheldpartijen uit de pleitnota te verwijderen, dan wel ter zitting te verklaren dat deze als niet geschreven moet worden beschouwd. Gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting verklaard van deze gelegenheid geen gebruik te maken, maar te persisteren bij zijn uitlatingen, ondanks de mededeling van de rechtbank dat de pleitnota’s buiten beschouwing kunnen worden gelaten vanwege strijd met de eisen van een goede procesorde.

4.3

Gelet op het voorgaande laat de rechtbank de inhoud van deze pleitnota’s - nader ingediende stukken - buiten beschouwing. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat gemachtigde ter zitting voldoende in de gelegenheid is gesteld - gemachtigde heeft daar ook gebruik van gemaakt - om de in zijn ogen relevante aanvullingen, los van de onnodig grievende aantijgingen en/of grof taalgebruik, aan de rechtbank kenbaar te maken. Op deze wijze heeft de rechtbank voorkomen dat belanghebbende nadeel zou kunnen ondervinden van het onfatsoenlijke gedrag van de gemachtigde.

Inhoudelijk

4.4

Artikel 44 van het Kentekenreglement luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“1 Een handelaarskenteken mag slechts worden gebruikt door degene aan wie het is opgegeven dan wel een door deze aangewezen persoon. Het gebruik is slechts toegestaan voor de categorie waarvoor het is opgegeven.

(…)

3 Een handelaarskenteken moet worden gebruikt voor voertuigen die behoren tot de bedrijfsvoorraad van degene aan wie het kenteken is opgegeven.

4 Een handelaarskenteken mag uitsluitend worden gebruikt indien met het voertuig als bedoeld in het tweede en derde lid gebruik van de weg wordt gemaakt in het kader van bedrijfsactiviteiten van het erkende bedrijf of de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie het handelaarskenteken is opgegeven.

5 Voor overtreding van het eerste tot en met vierde lid is degene aan wie het handelaarskenteken is opgegeven aansprakelijk.”

4.5

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de voorwaarden die in artikel 44 van het Kentekenreglement aan het gebruik van het handelaarskenteken worden gesteld, in het bijzonder het woord “uitsluitend” in het vierde lid, dat, indien het handelaarskenteken wordt gebruikt voor een voertuig waarmee gebruik wordt gemaakt van de weg, in geval van twijfel op de kentekenhouder de last rust aannemelijk te maken dat dit gebruik plaatsvindt in het kader van bedrijfsactiviteiten van de kentekenhouder (vgl. Gerechtshof Leeuwarden 29 juni 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BV2293).

4.6

De rechtbank is van oordeel dat het gelijk aan de inspecteur is. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de regeling van het handelaarskenteken in wezen een vrijstelling is van de motorrijtuigenbelasting en dat een vrijstelling naar vaste jurisprudentie strikt geïnterpreteerd dient te worden. (zie ook Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, 17 januari 2018, nr. 16/01138, ECLI:NL:GHARL:2018:3560). Dit betekent dat de auto alleen gebruikt mocht worden voor een proefrit. De rechtbank hecht geloof aan de verklaring van de twee de politieagenten opgenomen in het mutatie rapport (zie 2.2). Gelet op de verklaring van de bestuurder en het tijdstip van aanhouding is geen sprake geweest van proefrijden. De enkele ontkenning van de verklaring opgenomen in het mutatie rapport maakt dit niet anders. Wat verder ook zij van de blote stelling - gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij er bewust van heeft afgezien om het bewijsstuk in te brengen - dat de onderhavige bestuurder een soortgelijke auto zou hebben aangeschaft. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat belanghebbende niet in de op haar rustende bewijslast is geslaagd.

Unierecht van toepassing

4.7

Belanghebbende stelt dat de heffing van mrb is onderworpen aan het Unierecht en dat hij daarom voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag had moeten worden gehoord. De rechtbank is van oordeel dat het heffen van mrb niet binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht valt, omdat (1) de heffing van mrb een nationaalrechtelijke aangelegenheid is, (2) de heffing in concreto een zuiver interne situatie zonder mogelijke schending van unierechtelijke verkeersvrijheden betreft en (3) de verzuimboete is opgelegd op grond van nationaal recht, terwijl met die boete niet wordt beoogd de schending van unierechtelijke normen te bestraffen (vgl. HvJ 26 februari 2013, nr. C-617/10, ECLI:EU:C:2013:105 in de zaak Åkerberg Fransson r.o. 28 en HR 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2082.)

4.8

In artikel 7:2 van de Awb is bepaald dat voordat de inspecteur op het bezwaar beslist, belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord. In de nationale wetgeving omtrent de heffing van mrb is niet bepaald dat een belastingplichtige voorafgaand aan het opleggen van een (naheffings)aanslag dient te worden gehoord. De grief van belanghebbende dat hij ten onrechte niet reeds vóór het opleggen van de naheffingsaanslag is gehoord, treft dan ook geen doel.

Verzuimboete

4.9

Op grond van artikel 70 van de Wet MRB in samenhang met artikel 67c van de AWR en paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst legt inspecteur met betrekking tot situaties waarvoor op grond van artikel 69 van de Wet MRB een naheffingsaanslag is opgelegd een verzuimboete op van 100% met een maximum van € 5.514.

4.10

Bij het opleggen van verzuimboeten wordt geen onderscheid gemaakt naar de mate van schuld of nalatigheid, met dien verstande dat bij afwezigheid van alle schuld (avas) het opleggen ervan achterwege behoort te blijven. Avas is noch gesteld, noch gebleken. De rechtbank acht de verzuimboete dan ook terecht opgelegd. Gelet op alle in aanmerking komende omstandigheden - omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven voor matiging zijn niet gesteld of anderszins gebleken - oordeelt de rechtbank dat de opgelegde verzuimboete van 100% passend en geboden is.

4.11

Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de boete gematigd moet worden wegens overschrijding van de redelijke termijn voor bezwaar en beroep, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In beginsel is daarvan sprake als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak heeft gedaan. Dat blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Deze termijn vangt aan op het moment dat jegens belanghebbende een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. De boete is opgelegd gelijktijdig met de naheffingsaanslag op 31 juli 2017. Op 22 mei 2017 werd de vooraankondiging van de naheffingsaanslag en boetebeschikking verstuurd, vanaf dat moment kon belanghebbende er redelijkerwijs vanuit gaan dat aan hem een boete zal worden opgelegd. In de tijd tot deze uitspraak van de rechtbank is ruim twee jaar en zeven maanden verstreken. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn van afgerond zeven maanden. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de boete met 10% te verminderen tot een bedrag van (afgerond) € 381.

Overschrijding redelijke termijn

4.12

De rechtbank overweegt als volgt ten aanzien van het verzoek van de gemachtigde van belanghebbende om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Uitgangspunt is dat aanspraak bestaat op immateriële schadevergoeding indien de redelijke termijn voor de behandeling in de bezwaar- en beroepsprocedure is overschreden. Die termijn bedraagt voor de bezwaar- en beroepsprocedure tezamen niet meer dan twee jaar (zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

4.13

De inspecteur stelt dat de termijn start per de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 31 juli 2017. Belanghebbende daarentegen stelt dat deze termijn al op 22 mei 2017 is gestart, toen jegens belanghebbende de eerste handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat aan hem een boete zou worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat voor de berekening van de immateriële schadevergoeding uitgegaan dient te worden van het moment van ontvangst van het bezwaarschrift (zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

4.14

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn, nu het bezwaarschrift op 31 juli 2017 door inspecteur is ontvangen, op de dag van deze uitspraak met afgerond 8 maanden is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die verlenging van de termijn met zich brengen is niet gebleken. Dat brengt met zich dat de verzochte vergoeding toewijsbaar is. Dat levert een overschrijding op van (afgerond) tweemaal een half jaar à € 500, goed voor een schadevergoeding van € 1.000. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt € 500 per half jaar ook geldt indien deze forfaitaire berekeningswijze leidt tot een schadevergoeding die hoger is dan het bedrag aan belasting waarop dit geschil betrekking heeft. (Hoge Raad 29 november 2013, nr. 12/04301, ECLI:NL:HR:2013:1361). De uitspraak op bezwaar is op 10 april 2018 gedaan. Gelet daarop is de overschrijding voor afgerond 2 maanden aan inspecteur toe te rekenen, en voor afgerond 6 maanden aan de rechtbank. Inspecteur zal gelet daarop veroordeeld worden tot een vergoeding van € 250 (2/8 * € 1.000) en de Minister tot een vergoeding van € 750 (6/8 * € 1.000).

4.15

Gelet op de omvang van het bedrag, hoeft de Minister niet als partij in deze procedure te worden gehoord (zie Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, 20210).

5 Griffierecht en Proceskosten

5.1

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

5.2

De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.050 (beroepschrift 1 punt en zitting 1 punt = 2 punten x wegingsfactor 1 x € 525). Voor een vergoeding van de kosten van bezwaar bestaat geen aanleiding. Nu de rechtbank de uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking alleen vernietigd wegens overschrijding van de redelijke termijn, is geen sprake van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen de uitspraak op bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen de uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de boetebeschikking betreft;

  • -

    vermindert de verzuimboete tot op een bedrag van € 381;

  • -

    bepaalt dat de uitspraak (in zoverre) in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt inspecteur tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 250;

  • -

    veroordeelt de Minister tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 750;

  • -

    draagt inspecteur op het betaalde griffierecht van € 338 aan belanghebbende te vergoeden;

  • -

    veroordeelt inspecteur in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, rechter, in aanwezigheid van

mr. K.M. Kruizinga, griffier, op 30 maart 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting maar wordt deze uitspraak gepubliceerd op rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.