Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1626

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
AWB- 20_5513 PW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekken, herzien + deel terugvorderen uitkering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5513 PW VV

uitspraak van 3 april 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster,

gemachtigde: mr. J.E. de Glopper,

en

het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 februari 2020 (bestreden besluit) van Orionis over intrekking van de bijstand op grond van de Participatiewet en over de terugvordering van ten onrechte betaalde bijstand. Zij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster ontving van Orionis een uitkering op grond van de Participatiewet. Zij staat ingeschreven op het adres [adres 1], met haar meerderjarige zoon. Zij ontving een uitkering op grond van de Participatiewet als alleenstaande.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat verzoekster niet woont op het opgegeven adres is een onderzoek naar het recht op bijstand ingesteld. Sociaal rechercheurs hebben op 10 februari 2020 een rapport uitgebracht. Zij hebben geconcludeerd dat verzoekster vanaf 4 november 2014 tot en met 1 januari 2020 niet verbleef op het door haar opgegeven adres maar op het adres van [naam] aan [adres 2] en dat zij daar met [naam] een gezamenlijke huishouding voert. Zij heeft daarover aan Orionis geen inlichtingen verstrekt.

In het bestreden besluit is met ingang van 19 maart 2015 de bijstand ingetrokken. De als gevolg daarvan ten onrechte verstrekte bijstand is teruggevorderd.

2. Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Zij heeft haar hoofdverblijf op het adres [adres 1]. Het zwaartepunt van haar maatschappelijk leven bevindt zich niet in de woning van [naam]. Zij heeft met hem een LAT-relatie. Zij is in de periode van 19 maart 2015 tot 15 januari 2020 niet vaker

op het adres van [naam] geweest dan op haar eigen adres. Zij ontvangt haar kinderen, kleinkinderen [X] en vrienden op haar eigen adres. Na een herniaoperatie op 18 maart 2019 heeft verzoekster meer bij [naam] verbleven, maar zij heeft nooit haar intrek bij hem genomen. Wederzijdse zorg is niet aan de orde geweest in de periode van 19 maart 2015 tot 15 januari 2020. Gegevens over gas-, elektra- en waterverbruik geven geen aanleiding tot een andere opvatting.

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen omdat zij door dat besluit in financiële problemen raakt.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. De voorzieningenrechter staat eerst, ambtshalve, stil bij de vraag of en in hoeverre verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de behandeling van haar verzoek.

Nu verzoekster stelt volledig afhankelijk te zijn van haar uitkering en nu die uitkering is ingetrokken heeft zij een spoedeisend belang bij een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter over het recht op uitkering vanaf 23 maart 2020, de datum waarop het verzoek om voorlopige voorziening werd ingediend. Door de intrekking van de bijstand over de voorafgaande periode en door de terugvordering wordt eiseres niet in haar actuele bestaan bedreigd. De voorzieningenrechter zal daar dan ook geen voorlopig oordeel over geven.

5. In artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet is, voor zover in deze procedure van betekenis, bepaald dat als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

Volgens het derde lid is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

In artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

In artikel 54, derde lid, van de Participatiewet is bepaald dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet of intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

6. De intrekking van de bijstand is gebaseerd op het standpunt van Orionis dat verzoekster een gezamenlijke huishouding voert met [naam]. Dat standpunt is gestoeld op het rapport van de sociale recherche van 10 februari 2020. Onder meer blijkt uit dat rapport dat de verhuurder van verzoeksters woning verklaard heeft dat zij daar niet gewoond heeft, maar dat zij er alleen de post ophaalt. Volgens bewoners in de [adres 3] is zij met [naam] bewoner van zijn adres. De sociaal rechercheurs hebben in de woning van [naam] op 15 januari 2020 een kast vol kleding van verzoekster aangetroffen, alsmede post op haar naam, damesschoenen, haar elektrische fiets, haar geneesmiddelen, haar föhn en toiletgerei. Verzoekster heeft verklaard dat zij sinds een operatie op 18 maart 2019 in [adres 2] woont. Zij stofzuigt daar en haalt kleine boodschappen. Zij hebben gezamenlijke vrienden die zij bij [naam] ontvangen, ze eten gezamenlijk en koken voor elkaar. Boodschappen worden om beurten betaald. [naam] heeft ten dele de verklaring van verzoekster bevestigd. Verzoekster heeft het van haar verklaring opgemaakte proces-verbaal met haar gemachtigde gelezen en ondertekend.

Op grond van deze onderzoeksbevindingen hebben de onderzoekers geconcludeerd dat sprake is van hoofdverblijf op hetzelfde adres en van wederzijdse zorg.

In haar verzoek om voorlopige voorziening heeft verzoekster een voorstelling van zaken gegeven die op onderdelen afwijkt van wat zij tegenover de sociale recherche heeft verklaard. Gelet op de betekenis die volgens vaste rechtspraak toekomt aan een tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan de in het verzoekschrift gegeven voorstelling van zaken meer geloof te hechten dan aan de tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring.

7. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft Orionis op voldoende feitelijke grondslag aangenomen dat verzoekster met [naam], in ieder geval ten tijde van het bestreden besluit, een gezamenlijke huishouding voerde op diens adres, en dat zij geen recht had op bijstand als alleenstaande. Zij heeft niet gesteld dat de situatie nadien is veranderd.

8. De voorzieningenrechter verwacht dat de intrekking van de bijstand in rechte stand houden.

9. Het verzoek om voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.

10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, op 3 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

De griffier is buiten staat

om deze uitspraak mee te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.