Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1623

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
C/02/370170-FA-RK-20-1404
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

zorgmachtiging. Toepassing 6:4 lid 5 Wvggz. Plaatsing in forensische setting als bedoeld in artikelen 3:1 eerste lid en 3.3 eerste lid Wfz

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND WEST-BRABANT

Afdeling Strafrecht

Locatie: Breda

Zorgmachtiging (artikel 2.3, eerste lid, Wet forensische zorg (Wfz) jo. art. 6:5, aanhef en onderdeel a, Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz))

Rekestnummer: C/02/370170-FA-RK-20-1404

Beschikking van de rechtbank op het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 Wvggz, ten aanzien van:

[betrokkene]

geboren op [geboortedag betrokkene] 1997 te [geboorteplaats betrokkene] ,

wonende op het adres [adres betrokkene] ,

verblijvende in Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Zwolle,

bijgestaan door zijn advocaat mr. Timmermans-Roelands, advocaat te Bergen op Zoom,

hierna te noemen: betrokkene.

1 Procesverloop

1.1.

De officier van justitie heeft verzocht een zorgmachtiging ten behoeve van betrokkene te verlenen. Dit verzoekschrift is op 18 maart 2020 bij de rechtbank binnengekomen. Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

  • -

    de medische verklaring, opgesteld door [arts] op 4 maart 2020;

  • -

    het zorgplan inclusief de bijlagen van 25 februari 2020;

  • -

    de bevindingen van de geneesheer-directeur [naam] van 5 maart 2020;

  • -

    de gegevens over eerder afgegeven machtigingen ingevolge de Wet BOPZ en de WvGGZ;

  • -

    de politiegegevens en de strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het ernstig nadeel

  • -

    de zorgkaart van 23 maart 2020, later toegevoegd aan het verzoek.

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 26 maart 2020 in het gebouw van de rechtbank te Breda, in aanwezigheid van de officier van justitie, die in persoon is verschenen. Gelet op de recente ontwikkelingen omtrent het Coronavirus (COVID-19) heeft de Rechtspraak besloten alle rechtbanken te sluiten. Urgente zaken zoals deze zaak gaan echter wel door met dien verstande dat [betrokkene] (hierna: betrokkene) samen met zijn advocaat door middel van een conference call telefonisch is gehoord en niet in persoon. De advocaat van betrokkene is tijdens het telefonisch horen van betrokkene in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze telefonisch kenbaar te maken. De rechtbank wil met deze maatregelen voorkomen dat het Coronavirus verder wordt verspreid. Hoewel de rechtbank veel waarde hecht aan het horen van betrokkene in persoon laat zij thans het belang van de volksgezondheid in het algemeen en de veiligheid van haar medewerkers in het bijzonder prevaleren. Het betreffen uitzonderlijke tijden die tot uitzonderlijke maatregelen nopen. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat betrokkene en zijn raadsvrouw geen bezwaar hebben gemaakt tegen deze manier van horen. Tevens is deskundige de heer [naam] , psychiater, telefonisch gehoord.

2 Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een zorgmachtiging te verlenen. Ten aanzien van de verschillende vormen van zorg en de op te leggen duur heeft de officier van justitie verwezen naar het verzoekschrift. Verder heeft de officier van justitie ter zitting met instemming van partijen in aanvulling op haar schriftelijk verzoek mondeling verzocht om in de zorgmachtiging op te nemen dat betrokkene moet worden opgenomen in een kliniek met beveiligingsniveau 4.

3 Standpunt van betrokkene

De advocaat van betrokkene heeft aangevoerd dat zorg in een vrijwilliger kader op dit moment geen optie is. Een zorgmachtiging kan worden verleend. Met betrekking tot het ernstig nadeel heeft de advocaat van betrokkene aangevoerd dat zij het er niet mee eens is dat dit tevens bestaat uit levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel en ernstige immateriële schade. Dat hiervan sprake is blijkt niet uit de onderliggende stukken, de justitiële documentatie van betrokkene en de strafbare feiten waar hij van verdacht wordt. Tevens betwist de advocaat van betrokkene dat insluiten als vorm van verplichte zorg moet worden opgenomen in de zorgmachtiging. Het is voldoende wanneer betrokkene in een gesloten setting komt en de bewegingsvrijheid beperkt kan worden. De advocaat van betrokkene verzoekt in de beschikking op te nemen in wat voor setting met welk beveiligingsniveau betrokkene geplaatst moet worden.

4 Standpunt van de geneesheer-directeur aangewezen ex artikel 5:4 Wvggz

De geneesheer-directeur heeft aangevoerd dat het noodzakelijk is om een zorgmachtiging te verlenen. Het noodzakelijke beveiligings- en structuurniveau behoeft een setting die niet binnen de reguliere GGZ te borgen is. Binnen het PPC krijgt betrokkene klinische zorg met beveiligingsniveau 4. De behandelstaf vanuit het PPC is van mening dat een voorzichtige, stapsgewijze afschaling van het beveiligingsniveau noodzakelijk is.

Ter zitting heeft hij dit standpunt aangevuld en aangegeven dat het ernstig nadeel ook bestaat uit levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel en ernstige immateriële schade voor anderen. Hij heeft daarbij aangegeven dat betrokkene (fysieke) agressie heeft getoond en dat slechts door ingrijpen door de politie ernstig nadeel voor derden is voorkomen, maar dat dit gevaar wel degelijk aanwezig is. Ook insluiting is nodig als vorm van verplichte zorg, in aansluiting op de behandeling die moet plaatsvinden in de setting die nodig is voor betrokkene.

5 Beoordeling

5.1.

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, gelegen in het schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, middelgerelateerde en verslavingsstoornissen en persoonlijkheidsstoornissen.

5.2.

Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:

  1. levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, ernstig verstoorde ontwikkeling voor of van betrokkene of een ander;

  2. de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;

  3. de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.

Gelet op de stukken in het dossier en de toelichting van deskundige [naam] ter zitting is de rechtbank van oordeel dat het ernstig nadeel tevens gelegen is in levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel en ernstige immateriële schade.

5.3.

Om ernstig nadeel af te wenden heeft betrokkene verplichte zorg nodig.

5.4.

Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op het zorgplan, de medische verklaring en het advies van de geneesheer-directeur. Ten aanzien van de opname in een accommodatie merkt de rechtbank nog op dat zij het verzoek van de officier van justitie aldus begrijpt dat zij heeft verzocht om een zorgmachtiging te verlenen, die met toepassing van artikel 6:4 lid 4 en 5 Wvggz ten uitvoer zal worden gelegd in een instelling als bedoeld in artikel 3.1 lid 1 of artikel 3.3 lid 1 Wfz.

De volgende vormen van zorg worden allen voor de duur van 26 weken verzocht:

  • -

    toedienen van medicatie

  • -

    beperken van de bewegingsvrijheid

  • -

    insluiten

  • -

    uitoefenen van toezicht op betrokkene

  • -

    onderzoek aan kleding of lichaam

  • -

    onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedragsbeïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen

  • -

    opnemen in een accommodatie.

Anders dan de advocaat van betrokkene heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat insluiten ook als vorm van verplichte zorg moet worden opgelegd. Betrokkene dient geplaatst te worden in een forensische setting zoals genoemd in de artikelen 3.1 lid 1 en 3.3 lid 1 Wfz. Gelet op het risico van ernstig nadeel in de vorm van levensgevaar voor anderen en ernstig lichamelijk letsel voor zichzelf en voor anderen is het met het oog op de veiligheid van betrokkene, die van zijn medepatiënten en van het personeel noodzakelijk dat de zorgmachtiging ten uitvoer wordt gelegd in een forensische instelling met een hoog beveiligingsniveau, te weten beveiligingsniveau 4. Ter zitting heeft deskundige [naam] toegelicht dat de mogelijkheid van insluiting noodzakelijk is in het kader van de behandeling van betrokkene. De Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden is voor de duur van de opname in voornoemde instelling van overeenkomstige toepassing voor zover vermeld in artikel 6:4 lid 5 van de Wfz.

5.5.

De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste zorg is rekening gehouden met de met de veiligheid van betrokkene en met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen.

5.6.

Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Betrokkene heeft, zo blijkt uit de medische verklaring en de bevindingen van de geneesheer-directeur, redelijk gefunctioneerd binnen het hoogbeveiligde klimaat binnen het PPC in de Penitentiaire Inrichting waarin hij verbleef. Hier werd hem veel structuur geboden. Hij moet eerst een periode binnen een hoogbeveiligde forensisch psychiatrische instelling verblijven, waar ook, zeker in het begin, heel veel structuur kan worden geboden. Stapsgewijs kunnen structuur en beveiligingsniveau dan worden afgebouwd, zodat betrokkene uiteindelijk weer binnen een reguliere GGZ-instelling kan verblijven. Als de behandeling wordt ingezet en betrokkene werkt daar aan mee, zal er ruimte zijn voor de mogelijkheden van verlof en een afschaling van het beveiligingsniveau.

5.7.

De rechtbank komt tot de conclusie dat is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. De zorgmachtiging zal dan ook worden verleend voor de (verzochte) duur van 26 weken.

5.8.

De verschillende vormen van zorg kunnen voor de hieronder gestelde termijnen worden toegepast. Deze termijnen zijn noodzakelijk om het doel van verplichte zorg te realiseren.

6 Beslissing

De rechtbank:

Wijst toe het verzoek van de officier van justitie en verleent een zorgmachtiging ten aanzien van

[betrokkene]

geboren op [geboortedag betrokkene] 1997 te [geboorteplaats betrokkene] ,

inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:

  • -

    toedienen van medicatie

  • -

    beperken van de bewegingsvrijheid

  • -

    insluiten

  • -

    uitoefenen van toezicht op betrokkene

  • -

    onderzoek aan kleding of lichaam

  • -

    onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedragsbeïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen

  • -

    opnemen in een accommodatie;

Bepaalt dat de accommodatie een instelling dient te zijn als bedoeld in artikel 3.1 lid 1 of artikel 3.3. lid 1 van de Wet forensische zorg met beveiligingsniveau 4;

Alle vormen van verplichte zorg voor de duur van 26 weken;

Bepaalt dat de artikelen 7, eerste en derde lid, 42, vijfde lid, en 44, alsmede de hoofdstukken V, VI, VII van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden voor de duur van de opname in voornoemde instelling van overeenkomstige toepassing is voor zover vermeld in artikel 6:4 lid 5 van de Wfz;

Bepaalt dat deze machtiging geldt tot 1 oktober 2020.

Deze zorgmachtiging is bij voorraad uitvoerbaar. De machtiging is geldig vanaf dagtekening en moet binnen twee weken ten uitvoer worden gelegd.

Deze machtiging is op 2 april 2020 gegeven door

mr. De Weert, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. Smits, griffier,

De griffier is buiten staat deze beschikking te ondertekenen.

Tegen de beschikking van deze rechtbank staat voor verzoeker beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,

in te stellen door een advocaat middels het indienen van een verzoekschrift bij de griffie van de Hoge Raad,

binnen drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking.