Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1604

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5502
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GEMWT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5502 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. J. Schmidt-Lo Fo Wong,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (het college), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 6 mei 2019 (het primaire besluit) heeft het college het verzoek om handhaving van eiser afgewezen.

In het besluit van 17 september 2019 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank van 20 februari 2020. Hierbij waren aanwezig [naam vertegenwoordiger] en [naam vertegenwoordiger2] namens het college. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1 Feiten

Eiser woont aan de [straatnaam] [huisnummer1] in [plaatsnaam] . Op het adres de [straatnaam] [huisnummer2] in [plaatsnaam] is een supermarkt gevestigd.

Bij brief van 18 maart 2019 heeft eiser het college verzocht om handhavend op te treden tegen de door hem gestelde overtredingen door de supermarkt. De gestelde overtredingen betreffen: oranje en gele plakkaten op de zijramen, twee ronde stickers met een doorsnede van 50 centimeter op de schuifdeuren en intermitterende led-lichtreclame.

Bij brief van 4 april 2019 heeft het college aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om het handhavingsverzoek af te wijzen. Volgens het college zijn de plakkaten niet meer aanwezig, is het toevoegen van de twee ronde stickers geen overtreding waartegen handhavend optreden mogelijk is en is eventuele reclame aan de binnenzijde van de ruiten vergunningvrij.

Eiser heeft in zijn zienswijze aangegeven dat het totaalbeeld van de supermarkt aan te merken is als een welstandsexces. Volgens eiser is reclame die aan de binnenzijde van de supermarkt zit, maar zichtbaar is vanaf de openbare weg, aan te merken als reclame.

In het primaire besluit heeft het college, overeenkomstig het voornemen, het handhavingsverzoek afgewezen. Er kan niet handhavend worden opgetreden omdat er geen sprake is van een bestuursrechtelijke overtreding, aldus het college.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij bestreden besluit heeft het college, overeenkomstig het advies van de commissie van bezwaarschriften, de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Het college stelt zich op het standpunt dat er met betrekking tot de reclame-uitingen geen sprake is van een overtreding. Het college refereert hierbij naar de situatie in 2015, toen de supermarkt de reclame heeft aangepast volgens de aanwijzingen van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). De CRK heeft tijdens een bijeenkomst op 28 november 2018, waar eiser ook bij aanwezig was, de werking van de Welstandsnota Roosendaal 2013 (Welstandsnota) uitgelegd en aangegeven dat de toen geldende situatie paste binnen de normen van de Welstandsnota. Omdat het college geen wijzingen ten opzichte van de situatie van 28 november 2018 heeft geconstateerd is er geen sprake van een overtreding, aldus het college. Met betrekking tot het “OPEN”-bordje is het college van mening dat dit geen reclame is, omdat het in de winkel hangt en het niet op de gevel is bevestigd. Omdat in de Welstandsnota wel is bepaald dat intermitterend licht in principe niet is toegestaan, heeft het college in 2015 een lichtonderzoek laten verrichten. Uit dit onderzoek is gebleken dat de grenswaarden niet worden overschreden, waardoor er ook op dit punt geen sprake is van een overtreding.

2 Omvang van het geschil

Tussen partijen is in geschil of het college het verzoek om handhaving van eiser terecht heeft afgewezen. Daarvoor moet in de eerste plaats de vraag worden beantwoord of het college bevoegd is om handhavend op te treden tegen de supermarkt. Er moet daarom worden vastgesteld of in dit geval sprake is van een overtreding.

De rechtbank stelt voorop dat het aan het bevoegd gezag is toezicht te houden op de naleving van regelgeving en handhavend op te treden ingeval van overtreding. Door een belanghebbende kan aan het bevoegd gezag worden gevraagd om handhavend op te treden tegen een derde. Het ligt in dat geval op de weg van die belanghebbende om het bevoegd gezag enig aanknopingspunt te bieden voor onderzoek naar de vraag of de derde tegen wie handhavend optreden gevraagd wordt, een overtreding begaat of heeft begaan. Het is dan aan het bevoegd gezag om te onderzoeken of sprake is van een overtreding.

Hoewel het dus in beginsel aan het bevoegd gezag is om naar aanleiding van een verzoek om handhaving onderzoek te doen naar de gestelde overtreding, kan in bijzondere situaties van de verzoeker om handhaving een begin van bewijs van de gestelde overtreding worden gevergd voordat een verplichting tot (nader) onderzoek voor het bevoegd gezag ontstaat (zie hierover de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3602).

3 Beoordeling

3.1.

Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

3.2.

Beplakking

Met betrekking tot de beplakking - de oranje en gele plakkaten op de zijramen en de twee ronde stickers op de schuifdeuren - heeft eiser in zijn beroepschrift verwezen naar zijn bezwaarschrift. Het college heeft hierover in het verweerschrift verwezen naar het bestreden besluit.

De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn beroepschrift niet heeft aangevoerd waarom hij het op dit punt niet eens is met de motivering in het bestreden besluit. Het college heeft in het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd waarom er geen sprake is van een overtreding. De rechtbank kan deze motivering volgen en is daarom met het college van oordeel dat er met betrekking tot de beplakking geen sprake is van een overtreding.

3.3.

Het “OPEN”-bordje

Eiser betoogt dat het “OPEN”-bordje van de supermarkt leidt tot intermitterend licht. Hierdoor valt het binnen het bereik van de Welstandsnota en is het daarmee in strijd, zodat er sprake is van een welstandsexces. Het lichtonderzoek van 2015 is onjuist uitgevoerd en daarnaast geen weergave van de huidige situatie omdat het “OPEN”-bordje inmiddels is gewijzigd van kleur en lichtsterkte. Volgens eiser voldoet de lichtsterkte en de luminantie niet aan de grenswaarden zoals die is gesteld in de richtlijn van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV). Eiser ondervindt veel overlast doordat het “OPEN”-bordje in zijn woning schijnt. Het college heeft hier onvoldoende onderzoek naar gedaan.

Het college heeft in het verweerschrift en ter zitting aangevoerd dat het nieuwe “OPEN”-bordje niet meer licht uitstraalt of anders intermitteert dan het vorige bordje. Ter zitting heeft het college een foto van de situatie van 2015 en van 2020 overgelegd. Ongeveer één week voor de zitting heeft het college de lichtsterkte van het nieuwe bordje laten onderzoeken. Volgens het college is de meting nu 40 candela (cd) en was het daarvoor 59 cd. Het college heeft van de nieuwe meting geen verslag overgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat het “OPEN-bordje” valt onder de definitie van reclame zoals is opgenomen in de Welstandsnota, nu deze de (toegankelijkheid van de) supermarkt aanprijst. Er is ook sprake van intermitterend licht. Of het bordje een welstandsexces is, moet op grond van artikel 12, 12a en 13a van de Woningwet door het bevoegd gezag beoordeeld worden. Uit het dossier blijkt dat hier in 2015 al naar is gekeken door de CRK en dat de CRK het bordje dat toen aanwezig was heeft beoordeeld als geen welstandsexces. De rechtbank oordeelt dan ook dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. In het bestreden besluit heeft het college niet toegelicht waarom er in 2015 wel reden werd gezien om lichtonderzoek te doen in het kader van een mogelijke overtreding van de Welstandsnota of het Activiteitenbesluit, maar naar aanleiding van het nieuwe bordje niet. De rechtbank is van oordeel dat deze motivering, zeker gelet op de voorgeschiedenis, ontoereikend is. Pas ter zitting is gebleken dat het college – kort voor de zitting – de lichtsterkte van het nieuwe bordje heeft onderzocht en dat de waarde hiervan lager was dan de waarde die naar voren kwam in het lichtonderzoek uit 2015. Ook is pas uit de ter zitting overgelegde situatiefoto’s gebleken dat het oude en nieuwe “OPEN”-bordje nagenoeg dezelfde bordjes zijn. Dit is de reden waarom het college in het bestreden besluit van mening was te kunnen volstaan met de verwijzing naar het uitgevoerde lichtonderzoek in 2015, waaruit bleek dat de waarden van dat “OPEN”-bordje vele malen lager uitvielen dan de toegestane grenswaarden in de richtlijn van de NSVV. De rechtbank is, na de aanvullende motivering van het college in het verweerschrift en ter zitting, van oordeel dat er geen sprake is van een overtreding van de Welstandsnota of van het Activiteitenbesluit, nu niet is gebleken dat het nieuwe “OPEN”-bordje de grenswaarden overschrijdt.

3.4.

Compromis

Eiser betoogt verder dat het college niet bereid is om tot een compromis te komen.

Het college stelt zich op het standpunt dat de bereidheid om tot een compromis te komen er altijd is, maar dat deze zaak onderdeel uitmaakt van een langslepend conflict waarbij al meerdere malen met alle partijen om tafel is gezeten. Volgens het college is het doel van eiser het weren van de supermarkt. Het feit dat eiser niet naar de zitting komt, zoals hij ook niet naar de hoorzitting is gekomen, versterkt dit gevoel. Als eiser niet verschijnt, is het lastig zoeken naar een oplossing. Dat is de reden waarom het college in deze fase niet is ingegaan op het verzoek van eiser om naar een compromis te zoeken.

De rechtbank stelt vast dat een dergelijke verplichting van het college geen steun vindt in het recht. Ook deze grond slaagt daarom niet.

4 Conclusie

Nu sprake is van een motiveringsgebrek zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter in stand laten, omdat de motivering door het college in het verweerschrift en ter zitting is aangevuld. Dit betekent dat de uitkomst van de zaak hetzelfde blijft. De uitkomst is dat de rechtbank met het college van oordeel is dat er geen overtreding is begaan. Het college heeft het handhavingsverzoek dan ook terecht afgewezen in verband met het ontbreken van de bevoegdheid daartoe.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Daarnaast veroordeelt de rechtbank het college in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 525,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525,00 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 174,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van J.J.P.M. van Gestel, griffier, op 1 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier* rechter

* De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage: wettelijk kader

Woningwet (Ww)

Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ww mag het uiterlijk van een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een bouwwerk waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen van dat bouwwerk is bepaald dat dit slechts voor een bepaalde periode in stand mag worden gehouden, niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel b.

Ingevolge artikel 12a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ww stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij de beoordeling of het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 13a van de Ww kan het bevoegd gezag, indien niet wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid, degene die als eigenaar van een bouwwerk dan wel uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen daaraan, verplichten tot het binnen een door hem te bepalen termijn treffen van zodanige door hem daarbij aan te geven voorzieningen, dat nadien wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid, van de Ww.

Welstandsnota Roosendaal 2013 (Welstandsnota)

Volgens de Welstandsnota is reclame een publieke aanprijzing van een bedrijf, een product of een dienst. Reclame is niet toegestaan als deze naar het oordeel van het bevoegd gezag ontsierend is voor het straatbeeld of afbreuk doet aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Voor reclame geldt de volgende grondslag: (…) geen lichtkranten of lichtreclame met veranderlijk of intermitterend licht. Ten aanzien van excessen is verder in de Welstandsnota vermeld dat de gemeente het criterium hanteert dat er sprake moet zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Als voorbeeld wordt genoemd: te opdringerige reclames: “Een veelheid of hinderlijk in het oog springende reclame kan een exces zijn. Of er daadwerkelijk sprake is van een exces is onder andere afhankelijk van de ligging en de omvang van het gebouw.”

Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit)

Artikel 2.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit bepaalt dat degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, die gevolgen voorkomt of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

Artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder h, van het Activiteitenbesluit bepaalt dat onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van lichthinder.