Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1557

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
AWB- 20_944
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

Zaaknummer BRE 20/944 ZW

uitspraak van 27 maart 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , wonende te [plaatsnaam] , eiseres, gemachtigde: mr. J.W. van de Wege,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), gevestigd te Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het UWV op haar bezwaarschrift van 11 september 2019 tegen de beslissing om haar uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) niet uit te betalen wegens een maatregel.

De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Awb.

De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 4 januari 2019 (primair besluit) heeft het UWV bij wijze van maatregel besloten geen ZW-uitkering aan eiseres uit te betalen, omdat zij akkoord is gegaan met de beëindiging van haar dienstverband tijdens haar ziekte.

De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 11 september 2019 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij brief van 12 december 2019 heeft de gemachtigde van eiseres aan het UWV medegedeeld dat het UWV in gebreke is een beslissing op bezwaar te nemen.

Het UWV heeft de gemachtigde van eiseres op 17 december 2019 om aanvullende informatie gevraagd. Bij brief van 20 januari 2020 heeft de gemachtigde gereageerd op dit verzoek.

Bij brief van 30 januari 2020 heeft de gemachtigde namens eiseres beroep ingesteld tegen het door het UWV niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van eiseres.

Het UWV heeft op 19 februari 2020 een verweerschrift ingediend.

2. Het bestuursorgaan beslist op het bezwaar binnen zes weken na de dag waarop de bezwaartermijn is verstreken (artikelen 7:10, eerste lid, van de Awb). Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).

3. Het bezwaarschrift is ingediend op 11 september 2019. Dat betekent dat de bezwaartermijn liep van 12 september 2019 tot uiterlijk 23 oktober 2019. Het UWV heeft die beslistermijn overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat de gemachtigde van eiseres het UWV op 12 december 2019 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar is daarom kennelijk gegrond. Daarbij is in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat inmiddels een beslissing op bezwaar is genomen.

De rechtbank zal een termijn bepalen waarbinnen een beslissing op bezwaar dient te worden genomen. Gezien de maatregelen die op dit moment in Nederland gelden om verspreiding van het corona-virus COVID-19 te voorkomen, is er nu naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid van de Awb. De rechtbank zal daarom bepalen dat het UWV binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit moet nemen en verzenden. De rechtbank zal daarbij het opleggen van een dwangsom achterwege laten.

4. De gemachtigde van eiseres heeft in het beroepschrift de rechtbank verzocht om een beslissing te nemen op de verschuldigdheid van de dwangsom ingevolge artikel 4:17 van de Awb. Verweerder heeft ook hierop nog niet beslist. De rechtbank zal dan ook gevolg geven aan artikel 8:55c van de Awb en de hoogte van de verbeurde dwangsom vaststellen.

De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling per fax op 12 december 2019 bij het UWV is ingediend. De rechtbank constateert dat sinds de ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken en dat verweerder nog steeds niet op het bezwaar van 11 september 2019 heeft beslist. De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder inmiddels het maximale bedrag van € 1.442,- aan dwangsommen heeft verbeurd.

5. De rechtbank veroordeelt het UWV in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 0,50). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, zodat een wegingsfactor van 0,50 geldt.

3. Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 4 januari 2019 gegrond;

  • -

    draagt het UWV op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op het bezwaar te nemen en te verzenden;

  • -

    bepaalt dat het UWV een bedrag van € 1.442,- aan dwangsommen heeft verbeurd;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 27 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank.