Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1492

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
02/820760-18 en 99/000468-44 (VI)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

6 jaar gevangenisstraf voor 7 brandstichtingen (6 auto’s plus een woning) en heling. Bij de brandstichtingen ging het om wraakacties voor iets wat de slachtoffers verdachte en/of zijn vriendin in zijn ogen hadden aangedaan. Ook herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling voor 1359 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/820760-18; 99-000468-44 (v.i.)

vonnis van de meervoudige kamer van 30 maart 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag verdachte] 1987 te [geboorteplaats verdachte]

wonende te [woonplaats verdachte]

thans gedetineerd in de PI Vught, Vosseveld 2, HvB Regulier te Vught

raadsman mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 maart 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling behandeld met bovenvermeld v.i.-nummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 31 maart 2017 tot en met 1 april 2017 te Oosterhout, althans in Nederland opzettelijk brand heeft gesticht aan een (personen)auto te weten, een Saab 95 (kenteken [kenteken 1] ), toebehorende aan [aangever 1] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met (een) aanmaakblokje(s) en vervolgens dat/die aanmaakblokje(s) op (een van) de (achter)band(en) gelegd, althans een brandbare stof, ten gevolge waarvan die (personen)auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoners van (een) omliggende woning(en) te duchten was en/of terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto en/of voor zich in die auto bevindende goederen en/of voor (een) omliggende woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
feit 2:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 mei 2018 tot en met 4 juli 2018 te Kaatsheuvel, althans in Nederland opzettelijk brand heeft gesticht aan een of meer (personen)auto(‘s) te weten,
een Ford Fiesta (kenteken [kenteken 2] ), toebehorende aan [aangever 2] en/of [naam 1] , en/of
Een Hyundai I30 (kenteken [kenteken 3] ), toebehorende aan [aangever 2] en/of [bedrijf] en/of,
Een Suzuki Swift (kenteken [kenteken 4] ), toebehorende aan [aangever 3]
immers heeft verdachte toen aldaar (telkens) opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met (een) aanmaakblokje(s), althans een brandbare (vloei)stof, ten gevolge waarvan die (personen)auto(‘s) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto(‘s) en/of voor zich in die auto(‘s) bevindende goederen en/of voor nabij geparkeerde (personen)auto(‘s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
feit 3:

hij op of omstreeks 20 juni 2018 te Oosterhout, althans in Nederland opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (motor)benzine en/of aardoliedestillaat en/of een stuk stof/doek, althans met een brandbare stof en/of (een fles met daarin) die (motor)benzine en/of aardoliedestillaat en/of die met (motor)benzine en/of aardoliedestillaat voorziene stof/doek tegen de gevel van de woning van [aangever 1] te gooien, ten gevolge waarvan (de voorgevel van) die woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in die woning aanwezige personen [aangever 1] en/of de echtgenote van die [aangever 1] en/of voor een of meer bewoner(s) van (een) omliggende woning(en) te duchten was, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en anderen en/of terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de inboedel van die woning en/of omliggende woningen en/of in de nabijheid van die woning staande auto(‘s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
feit 4:

hij op of omstreeks 28 juli 2018 te Waalwijk, althans in Nederland opzettelijk brand heeft gesticht aan een (personen)auto te weten, een Saab 9000 (kenteken [kenteken 5] ), toebehorende aan [aangever 1] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan die (personen)auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto en/of voor zich in die auto bevindende goederen en/of voor (een) nabij geparkeerde personenauto(’s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

subsidiair:

hij op of omstreeks 28 juli 2018 te Waalwijk, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto met kenteken [kenteken 5] (merk/type Saab 9000) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt.

feit 5:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 augustus 2018 tot en met 26 augustus 2018 te Waalwijk, althans in Nederland (telkens) opzettelijk brand heeft gesticht aan een (personen)auto te weten, een Fiat Brava (kenteken [kenteken 6] ), toebehorende aan [naam 2] immers heeft verdachte toen aldaar (telkens) opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een brandbare (vloei)stof, ten gevolge waarvan die (personen)auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoners van (een) omliggende woning(en) te duchten was en/of terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto en/of voor zich in die auto bevindende goederen en/of voor (een) omliggende woning(en) en/of auto('s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
feit 6:

hij op of omstreeks 27 augustus 2018 te Waalwijk, althans in Nederland, een personenauto (een Mitsubishi Colt (blauw) met kenteken: [kenteken 7] ), en/of kentekenplaten met het kenteken [kenteken 8] heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van dit goed/ deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
feit 7:

hij op of omstreeks 27 augustus 2018 te Waalwijk, althans in Nederland opzettelijk brand heeft gesticht aan een (personen)auto te weten, een Mitsubishi Colt (blauw), voorzien van (gestolen) kentekenplaten met het kenteken [kenteken 8] , welke auto toebehoorde aan [naam 3] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan die (personen)auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto en/of voor zich in die auto bevindende goederen en/of voor (een) nabij geparkeerde personenauto(’s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
subsidiair:

hij op of omstreeks 27 augustus 2018 te Waalwijk, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, Mitsubishi Colt (blauw), voorzien van (gestolen) kentekenplaat met het kenteken [kenteken 8] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

feit 1 brandstichting Saab 95 [aangever 1]

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de Saab 95 van [aangever 1] in brand heeft gestoken en baseert zich daarbij op de aangifte van [aangever 1] , het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] en de verklaring van [naam 4]

feit 2 brandstichting Ford Fiesta, Hyundai i30 en Suzuki Swift

Naar de mening van de officier van justitie kunnen alle onder feit 2 tenlastegelegde brandstichtingen aan de Ford Fiesta, de Hyundai i30 en de Suzuki Swift wettig en overtuigend worden bewezen. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de aangiftes van [aangever 2] en [aangever 3] , de verklaringen van [naam 5] , de verschillende camerabeelden, de looppatroonanalyse van prof. dr. Otten, de omstandigheid dat bij deze feiten overeenkomstige modus operandi aan de orde zijn en dat de feiten telkens tegen hetzelfde slachtoffer zijn gericht.

feit 3 brandstichting woning [aangever 1]

Gelet op de aangifte van [aangever 1] , het sporenonderzoek, het NFI-rapport over ontbrandbare vloeistoffen, de camerabeelden, de looppatroonanalyse, de verklaring van [naam 5] en het OVC-gesprek nr. 142 tussen verdachte en [naam 5] , kan volgens de officier van justitie brandstichting aan de woning wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

feit 4 brandstichting Saab 9000 [aangever 1]

Op grond van met name de aangifte van [aangever 1] en de verklaring van [naam 5] acht de officier van justitie de brandstichting aan de Saab 9000 wettig en overtuigend bewezen.

feit 5 brandstichtingen Fiat Brava

De officier van justitie acht de brandstichtingen aan de Fiat Brava wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij op de aangiftes van [aangever 4] en [aangever 5] , de verklaringen van [naam 5] , het tapgesprek nr. 10048 tussen [naam 5] en [naam 4] , het tapgesprek nr. 6439 tussen [naam 5] en [naam 4] , het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] en het proces-verbaal bevindingen beelden STO.

Ten aanzien van de feiten 1 t/m 5 heeft de officier van justitie er tevens op gewezen dat hier sprake is van schakelbewijs. Alle slachtoffers hebben namelijk een link met [naam 5] , de vriendin van verdachte.

feit 6 heling Mitsubishi Colt

Volgens de officier van justitie kan de opzetheling van de Mitsubishi Colt en de kentekenplaten wettig en overtuigend worden bewezen, gezien de aangifte van [naam 3] , de bekennende verklaring van verdachte ter zitting en de OVC-gesprekken nr. 47 en nr. 114 tussen verdachte en een onbekende man alsmede tussen verdachte en [naam 5] .

feit 7 brandstichting Mitsubishi Colt

Gelet op het sporenonderzoek en de bekennende verklaring van verdachte, acht de officier van justitie ook de brandstichting van de Mitsubishi Colt wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

feit 1 brandstichting Saab 95 [aangever 1] :

De raadsman heeft voor dit feit vrijspraak bepleit, omdat de aangifte van [aangever 1] en de getuigenverklaring van [naam 4] onvoldoende bewijs opleveren.

feit 2 brandstichting Ford Fiesta, Hyundai i30 en Suzuki Swift

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de brandstichtingen aan de Ford Fiesta, de Hyundai i30 en de Suzuki Swift en verzoekt verdachte daarvan vrij te spreken. Er zijn alleen aangiften voorhanden, zonder voldoende steunbewijs. Daarnaast geldt voor de drie branden dat er alternatieve daders uit het dossier naar voren komen en dat verdachte geen motief heeft voor het stichten van deze branden.

Het deskundigenrapport van prof. Otten heeft volgens de raadsman onvoldoende bewijswaarde en moet buiten beschouwing worden gelaten, omdat hun onderzoeksmethode door NFI-deskundige prof. Sjerps wordt bekritiseerd. Bovendien wordt in het rapport met betrekking tot de Hyundai een extreem lage likelihood ratio vermeld.

Voorts wordt erop gewezen dat uit het procesdossier niet is af te leiden dat het afbranden van de Ford is veroorzaakt door brandstichting of door een technisch mankement.

feit 3 brandstichting woning [aangever 1]

In de visie van de raadsman dient verdachte van de brandstichting van de woning te worden vrijgesproken door gebrek aan bewijs. Zoals ook met betrekking tot feit 2 is betoogd, kan de looppatroonanalyse niet voor het bewijs worden gebezigd. Het looppatroon van verdachte is immers onvoldoende onderscheidend. Er ligt weliswaar een belastend OVC-gesprek, maar verdachte heeft aangegeven dat zijn opmerkingen tijdens dat gesprek als een geintje moeten worden beschouwd. Tevens heeft de raadsman aangegeven dat er onvoldoende bewijsmiddelen zijn en onvoldoende onderzoek is gedaan om te kunnen vast te stellen dat er sprake is geweest van levensgevaar.

feit 4 brandstichting Saab 9000 [aangever 1]

Naast de aangifte is er in deze zaak geen steunbewijs, stelt de raadsman. Hij heeft daarom om vrijspraak verzocht van de brandstichting aan de Saab 9000. Dat verdachte in de nacht van de brand wakker was toen de politie bij hem aanbelde, is niet als bewijs op te vatten. Daarnaast wordt gewezen op de verschillende verklaringen van [naam 6] en [naam 7] over de plaats (vlakbij de plaats delict) waar zij verdachte de middag voor de brand hebben gezien. De verklaring van [naam 5] , die verdachte als dader aanwijst, wordt als onbetrouwbaar aangemerkt.

feit 5 brandstichtingen Fiat Brava

De raadsman vraagt verdachte vrij te spreken van de beide brandstichtingen onder feit 5, omdat het bewijs ontoereikend is. Hij stelt dat de eerste zaak een poging tot brandstichting van de Fiat Brava betreft. Op de camerabeelden is, anders dan de politie constateert, niet waar te nemen dat de betrokken auto een BMW 316i is, een soortgelijke auto als waarin verdachte heeft gereden. De tap, waarin [naam 5] zegt dat er sprake is van een mislukking doordat het licht in de woning aanging, duidt niet op wetenschap via verdachte, maar is in strijd met de werkelijkheid. Dit gezien het tijdstip van het begaan van het delict (ca. 02.00 uur) en het tijdstip waarop [aangever 5] het licht aan deed (ca. 06.00 uur).

Ten aanzien van de tweede zaak, de voltooide brandstichting van dezelfde Fiat Brava, is aangevoerd dat door het ontbreken van technisch onderzoek niet is komen vast te staan dat de auto door brandstichting in brand is gegaan. Ook in deze zaak moet de waarneming over het looppatroon van verdachte buiten beschouwing worden gelaten. De raadsman vindt de verklaring van [naam 5] , ook in combinatie met haar telefoongesprek met [naam 4] , onvoldoende overtuigend om tot een bewezenverklaring te kunnen concluderen.

De raadsman stelt zich verder ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten op het standpunt dat schakelbewijs niet aan de orde kan zijn, nu de modus operandi niet uniek zijn. Het gebruik van aanmaakblokjes bij het in brand steken van voertuigen is een veel voorkomende methode.

feit 6 en feit 7 heling en brandstichting Mitsubishi Colt

Verdachte heeft deze feiten ter zitting van 16 maart 2020 bekend.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Algemene bewijsoverwegingen

De rechtbank zal voordat zij de afzonderlijke feiten bespreekt, eerst ingaan op enkele bewijsmiddelen die bij meerdere feiten een rol spelen.

De bewijskracht van het looppatroon

Door bewegingsdeskundige prof. dr. E. Otten is (op verzoek van de raadsman van verdachte) in opdracht van de rechtbank op 6 december 2019 een deskundigenrapport uitgebracht, waarbij hij op basis van door de politie opgenomen beelden van een lopende verdachte en camerabeelden die zijn gemaakt van de brandstichtingen van feit 2 (Hyundai en Suzuki) en feit 3 (woning) een analyse heeft gemaakt van het looppatroon van verdachte en de persoon die te zien is op de camerabeelden die gemaakt zijn van de betreffende brandstichtingen. Prof. dr. Otten heeft hiertoe twee experts 13 specifieke kenmerken van de looppatronen laten beoordelen en de zeldzaamheid van deze kenmerken bepaald.

Op de camerabeelden van verdachte en op de camerabeelden van de brandstichting van de woning en van de brandstichting van de Suzuki wordt een looppatroon waargenomen van naar buiten staande voeten en naar binnen staande knieën, een rompzwaai naar links en een asymmetrische lift. Bij de camerabeelden van de brandstichting van de Hyundai zijn vanwege de mindere kwaliteit van de beelden slechts de naar binnen staande knieën en de asymmetrische lift waargenomen. Volgens de deskundige komt dit looppatroon heel weinig voor.1 Om te beoordelen hoe zeldzaam het looppatroon is, is een groep van 119 min of meer willekeurige mannen heimelijk gefilmd.2 De betreffende combinatie komt niet voor in deze groep.3

Otten concludeert dat uit het verkregen en verzamelde beeldmateriaal en rekening houdend met de grootte van de gebruikte populatie, de waarnemingsnauwkeurigheid van de twee experts en de zeldzaamheid van de 13 beoordeelde looppatroon-kenmerken, de kans op het vinden van deze overeenkomst in de looppatronen van verdachte en dader:

14 maal hoger is in geval van feit 2 (brandstichting Hyundai op 31 mei 2018),

394 maal hoger is bij feit 2 (brandstichting Suzuki op 4 juli 2018) en

965 maal hoger is bij feit 3 (brandstichting woning op 20 juni 2018),

als ervan uitgegaan wordt dat het om dezelfde personen gaat dan als ervan uitgegaan wordt dat het om verschillende personen gaat.

Door prof. dr. M.J. Sjerps, NFI-deskundige forensische statistiek, is in opdracht van de rechter-commissaris het rapport van prof. dr. Otten van commentaar voorzien. De kern hiervan komt op het volgende neer:

Er zijn geen redenen om te twijfelen aan de deskundigheid van Otten als bewegingswetenschapper. Er is echter wel reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de forensische methode van looppatroonanalyse zoals gehanteerd door Otten. De betrouwbaarheid van de gehanteerde methode kan alleen worden bepaald door een grootschalige validatiestudie en die is er niet. De centrale formule die wordt gebruikt voor de berekening van de likelihood ratio (LR, bewijskracht) klopt niet en daarbij worden aannames en benaderingen gedaan die niet gecontroleerd kunnen worden. Ook is onbekend of mogelijke effecten van psychologische biases bij het onderzoek zijn onderkend en zo ja, of er maatregelen zijn genomen die te voorkomen.

Sjerps heeft op basis van door haar zelf gekozen aannames een grove schatting van de (volgens haar) daadwerkelijke bewijskracht voor de drie brandstichtingen berekend en komt daarbij op een LR van 30. Zij geeft daarbij aan dat bij iets andere aannames de LR tussen de 10 en de 120 uitkomt. Er is dan nog geen rekening gehouden met een mogelijke psychologische bias bij de beoordeling van de looppatroon-kenmerken door de twee experts.

Zij stelt tot slot dat de overeenkomst in de looppatronen in de beeldensets van de drie brandstichtingen een aanwijzing is dat het steeds gaat om dezelfde dader en dat dit een rol kan spelen in het eventuele gebruik van schakelbewijs.

De rechtbank sluit zich aan bij het rapport van Sjerps en is van oordeel dat aan het rapport van Otten niet de bewijswaarde (LR) kan worden toegekend die daaruit naar voren komt. Daarvoor is de kritiek van Sjerps te fundamenteel en de rechtbank is van oordeel dat het rapport van Otten op de betreffende punten onvoldoende informatie bevat om die kritiek te kunnen weerleggen. De rechtbank is van oordeel dat de methode van forensische looppatroonanalyse zoals door Otten gebruikt, in zijn huidige vorm niet voldoet aan de hoge eisen die gesteld moeten worden aan forensisch-wetenschappelijk onderzoek in strafzaken. Tevens stelt de rechtbank vast dat de alternatieve berekening van de bewijskracht door Sjerps teveel onzekerheden bevat, waardoor ook deze niet bruikbaar is.

Dit neemt evenwel niet weg dat de beide deskundigenrapporten naar het oordeel van de rechtbank wel bruikbaar zijn voor het bewijs, in die zin dat uit de rapportages van zowel Otten als Sjerps volgt dat zowel de verdachte als de dader van de hierboven genoemde brandstichtingen een overeenkomend looppatroon hebben met bijzondere kenmerken en dat aan deze overeenkomst enige bewijswaarde kan worden toegekend.

Een aantal van diezelfde kenmerken wordt ook waargenomen door verbalisant [verbalisant 3] . Deze heeft de door het flexteam op 29 juni 2018 van verdachte gemaakte beelden vergeleken met de camerabeelden van de brandstichting van de woning op 20 juni 2018. Verbalisant [verbalisant 3] heef geconstateerd dat op beide opnames te zien was dat de persoon op de beelden een bepaalde knik in zijn looppatroon had en dat de voeten naar buiten weg werden geplaatst.4 Daarnaast wordt verdachte op de beelden van de brandstichting bij de woning aan zijn manier van lopen herkend door twee getuigen die verdachte kennen, [aangever 1]5 en [naam 6]6. Deze waarnemingen vormen een bevestiging van wat volgt uit de deskundigenrapportage en vice versa.

De rechtbank is daarom van oordeel dat uit het voorgaande in ieder geval volgt dat verdachte een bijzonder looppatroon heeft en dat dat bijzondere looppatroon is te zien op de camerabeelden van een drietal brandstichtingen. De gelijkenis is ook van dien aard dat daaraan bewijskracht kan worden toegekend, zij dat deze niet kwantificeerbaar is.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 5]

De partner van verdachte, [naam 5] , heeft bij de politie voor verdachte belastende verklaringen afgelegd. Zij heeft deze verklaringen bij haar verhoor bij de rechter-commissaris echter niet willen herhalen en de verdediging heeft aangevoerd dat de bij de politie afgelegde verklaringen onder druk zijn afgelegd en onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen dienen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de rechter-commissaris heeft [naam 5] verklaard dat zij zich door alle vragen onder druk gezet voelde en dat zij totaal niet wist wat haar overkwam. Op de vraag van de rechter-commissaris of zij zich onder druk gezet voelde om te liegen heeft zij zich op haar verschoningsrecht beroepen. Ook op de expliciete vraag of zij de waarheid heeft gesproken bij de politie met haar verklaring dat verdachte één of meerdere brandstichtingen zou hebben gepleegd, heeft zij zich op haar verschoningsrecht beroepen.

De rechtbank acht het goed voorstelbaar dat een verhoor door de politie een zekere druk meebrengt, zeker als je graag naar huis en vooral naar je kinderen wilt. Maar dat wil nog niet zeggen dat wat er is verklaard niet op waarheid berust. Omdat noch het proces-verbaal, noch de verklaring die [naam 5] heeft afgelegd bij de rechter-commissaris verder enige concrete aanwijzing geven van druk die het waarheidsgehalte van haar verklaringen hebben beïnvloed, gaat de rechtbank ervan uit dat er bij het verhoor bij de politie geen zodanige druk is geweest dat dit de betrouwbaarheid van haar verklaringen heeft aangetast.

De rechtbank acht de belastende verklaringen van [naam 5] ook geloofwaardig omdat zij zich voorafgaand aan haar arrestatie en verhoor bij de politie blijkens telefoontaps diverse malen in gelijke zin had uitgesproken tegen [naam 4] . Die heeft hierover tegenover de politie nog verklaard dat [naam 5] telefonisch oppervlakkig bleef omdat ze bang was dat ze werd afgeluisterd, maar soms vertelde ze door haar impulsiviteit wel iets.7 Zo heeft [naam 5] tegen haar na de brand van de Fiat Brava op 21 augustus 2018 (feit 5) gezegd dat het mislukt was.8 Na de brand op 27 augustus 2018 (feit 7) deelt [naam 5] aan [naam 4] mee dat het voorlopig wel even klaar is als ze het over een gestolen en uitgebrande auto hebben.9 [naam 4] verklaart hier bij de politie nog over dat [naam 5] later vertelde dat ze van verdachte heel erg op haar kop had gekregen, omdat ze hierover niet over de telefoon met haar had mogen praten.10 De rechtbank wijst erop dat dit een feit betreft dat verdachte bekend heeft.

De belastende verklaringen van [naam 5] zijn gebaseerd op het feit dat verdachte tegen haar heeft verteld of heeft laten blijken dat hij de branden heeft gesticht. Dat verdachte daadwerkelijk tegen haar vertelde over zijn brandstichtingen wordt ook bevestigd door het OVC-gesprek in de auto waarin verdachte tegen [naam 5] vertelt dat hij de brand op 20 juni 2018 heeft gesticht.11

De rechtbank acht de verklaringen van [naam 5] bij de politie dan ook alleszins betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

4.3.2

feit 3 brandstichting woning [aangever 1]

,12 woonachtig met zijn echtgenote in een hoekwoning aan de [adres] te Oosterhout, heeft verklaard dat hij in de nacht van 20 juni 2018 wakker schrok van een klap tegen de voordeur. Hij zag toen vlammen door het raam aan de voorzijde van zijn woning. Op de beelden van zijn bewakingscamera zag [aangever 1] later dat de bewuste nacht een auto komt aangereden, waaruit een persoon stapt en naar zijn woning loopt. Vervolgens gooit de persoon iets tegen het huis of de voordeur. Daarna steekt de persoon iets aan, is een flinke steekvlam te zien en gooit de persoon het brandende object tegen het huis of voordeur. Dan is te zien dat de hele voorkant van zijn woning in brand staat. In een aanvullende verklaring heeft [aangever 1]13 aangegeven dat hij de persoon op de camerabeelden herkent als verdachte op basis van zijn postuur, zijn lengte en zijn manier van lopen. Hij beschrijft hem als “zo’n sportschool mannetje”. De beelden maken deel uit van het dossier.14

Van de schade aan de woning zijn foto’s15 aanwezig. Daarop zijn donkere verkleuringen van de voordeur, de kozijnen van de deur, de muur en de oprit bij de voordeur te zien. In de voordeur zit een raam. Direct naast de voordeur is vanaf de grond tot aan de bovenkant van de voordeur ook een raam gesitueerd.

[naam 6] ,16 de vriendin van [naam 7] en schoondochter van [aangever 1] , heeft dezelfde camerabeelden bekeken van de brandstichting en zegt daarop verdachte te herkennen. Zij herkent hem aan zijn manier van lopen. Hij heeft een soort macho loopje en wiegt daarbij zijn schouders. Ook noemt zij in dit verband dat verdachte een klein sprongetje naar achter maakt, wat hem typeert. Daarnaast herkent zij verdachte aan zijn lengte en zijn postuur: hij heeft brede schouders en armen, maar voor de rest is hij smal.

De camerabeelden zijn eveneens bekeken door verbalisant [verbalisant 4]17. Hij ziet daarop het volgende:

- 02.26:28 uur: een klein model personenauto staat stil voor de woning [adres 2] .
- 02.27:03 uur: het bestuurdersportier wordt geopend en er stapt iemand uit die iets op het wegdek plaatst.
- 02.27:54 uur: de persoon komt aan bij de oprit van de woning [adres]
- 02.27:57 uur: de persoon gooit met zijn rechterarm een fles met vloeistof tegen de voorgevel van de woning.
- 02.28:03 uur: de persoon steekt een stuk stof aan dat eveneens in een fles lijkt te zitten, op de betegelde voortuin is een donkere zojuist gegooide vloeistofvlek zichtbaar.
- 02.28:06 uur: de doek ontbrandt.
- 02.28:08 uur: de persoon haalt uit om de tweede en inmiddels brandende fles te gooien.
- 02.28:08 uur: de tweede en brandende fles raakt de voorgevel van de woning [adres] .
- 02.28:09 uur: de tweede fles raakt de voorgevel en er ontstaat een steekvlam.
- 02.28:09 uur: de persoon rent weg in de richting van het klein model personenauto.
- 02.28:39 uur: de door de klap gewekte bewoner komt naar buiten en blust de brand met een brandblusser.

Om de beelden van de brandstichter te kunnen vergelijken met verdachte zijn door de politie op 29 juni 2018 beelden opgenomen van een lopende verdachte.18 Volgens verbalisant [verbalisant 3]19 is er een zeer grote gelijkenis waarneembaar van hoe de dader loopt, zijn armen beweegt en zijn voeten wegzet met hoe verdachte dit doet. Zowel de dader van de brandstichting als verdachte zetten hun voeten enigszins naar buiten weg en hebben een bepaalde “knik” in hun loopje.

Zoals hiervoor al is overwogen heeft ook de deskundige prof. dr. E. Otten20 beschreven dat verdachte een bijzonder looppatroon heeft en dat dat bijzondere looppatroon is te zien op de camerabeelden van deze brandstichting.

Kort na de brandstichting, op 20 juni 2018 om 04.00 uur, is verbalisant [verbalisant 5]21 naar de plaats delict gegaan. Aldaar zag hij glasscherven voor de voordeur liggen, evenals een gebroken bovendeel van een doorzichtige fles. In deze fles bevond zich een doek. Voorts rook [verbalisant 5] een sterke lucht van een brandbare vloeistof, benzine en/of een diesellucht.

Van de doek met de stukken glas is een monster afgenomen en door het NFI22 onderzocht. In het monster zijn vluchtige stoffen aangetoond, die deels afkomstig zijn van motorbenzine en deels van een aardoliedestillaat waarvan de combinatie van stoffen wijst op een product van subklasse gasolie.

De politie heeft bij een (in scène gezet) passantenonderzoek23 verdachte de camerabeelden van deze brandstichting getoond. Verdachte zat op dat moment samen in de auto met [naam 5] en werd aangesproken door een verbalisant. Het OVC-gesprek tussen verdachte en [naam 5] in de auto, na het zien van de beelden, is opgenomen en uitgewerkt:

[verdachte] : herkende je de beelden?

[naam 5] : Nee, ik kon het niet goed zien. Ben jij het? Waar is dat?

[verdachte] : Oosterhout, molotovcocktails.

[naam 5] : Was dat?

[verdachte] : Dat was ik die cocktails stond te gooien tegen dat huis. Ik rende onder dat raam door. Ik herkende hem. Ik wist het. Ik zie hem aankomen lopen en ik herkende me eigen erin. Ik zie hem lopen. Ik zie hem eentje gooien, effe schitteren en de andere er achteraan. Dat was ik, in Oosterhout. Dat waren de beelden van zijn camera, van de molotovcocktails.

[naam 5] 24 heeft bevestigd dat verdachte haar in de auto na het passantenonderzoek heeft verteld dat hij de persoon is geweest die de molotovcocktails bij de woning van de familie [aangever 1] heeft gegooid.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de bovengenoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de brand heeft gesticht aan de woning van [aangever 1] . Zij hecht met name waarde aan het OVC-gesprek, waarin verdachte tegenover [naam 5] heeft bekend dat hij de brandstichter is geweest.

De verklaring van verdachte, dat hij deze opmerking als een geintje heeft bedoeld om zijn vriendin op te vrolijken na verdrietig nieuws, vindt de rechtbank ongeloofwaardig. Verdachte heeft dit immers pas opvallend laat naar voren gebracht (bij zijn politieverhoor op 10 december 2018), nadat hij al meermalen was verhoord. [naam 5] heeft aanvankelijk ook niet bij de politie verklaard dat verdachtes bekentenis een grapje was. Pas veel later, bij haar verhoor door de rechter-commissaris (op 24 mei 2019) heeft ze gezegd dat verdachte destijds niet helemaal serieus was. Het is niet ondenkbaar dat de verklaringen tussentijds op elkaar zijn afgestemd. Bovendien is de bekentenis van een strafbaar feit een onaannemelijke manier om een partner op te beuren.

Bovendien vindt de bekentenis steun in de herkenning van verdachte op de camerabeelden door aangever [aangever 1] , getuige [naam 6] , verbalisant [verbalisant 3] en in het deskundigenrapport van prof. dr. Otten. Daarbij is verdachte niet alleen aan zijn opvallende manier van lopen herkend, maar ook aan zijn postuur, zijn lengte en het bewegen van zijn schouders.

De rechtbank is tevens van oordeel dat levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de woning te duchten is geweest. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de brand is gesticht in de nacht, terwijl [aangever 1] en zijn vrouw in de woning lagen te slapen. Dat de molotovcocktail niet naar binnen is gegooid, neemt niet weg dat in de woning brand had kunnen ontstaan. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat door de hitte een ruit kan springen, ten gevolge waarvan het vuur makkelijk naar binnen kan overslaan. De rechtbank heeft in dit verband rekening gehouden met de omstandigheid dat zich in en direct naast de voordeur van [aangever 1] ruiten bevinden.

Deze gevaren zijn ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar geweest. Het verweer van de raadsman, dat er geen gevaar voor personen aanwezig was, wordt dan ook verworpen.

4.3.3

feit 4 brandstichting Saab 9000 [aangever 1]

25 heeft verklaard dat zijn vrouw op 28 juli 2018 om 03.00 uur een telefoontje van de politie kreeg dat zijn Saab 9000, voorzien van kenteken [kenteken 5] , in brand stond. Omdat de Saab het de avond tevoren in de [straat] te Waalwijk had begeven, was die auto in die straat in een parkeervak geduwd en daar ’s nachts blijven staan.

Op 28 juli 2028 omstreeks 03.00 uur troffen verbalisant [verbalisant 6]26 en zijn collega [verbalisant 7] de voormelde auto aan in de [straat] te Waalwijk. Zij zagen dat de motorkap in brand stond.

In de verklaringen van [aangever 1] ,27 [naam 7]28 en [naam 6]29 komt naar voren dat zij de avond voor de brand de kinderen van [naam 7] en [naam 5] bij de woning van verdachte en [naam 5] hebben opgehaald. [naam 7] en [naam 6] verklaren tevens dat verdachte die avond heeft gezien dat de Saab in een andere straat dan gebruikelijk, namelijk in de [straat] geparkeerd stond. Uit die verklaringen volgt eveneens dat [aangever 1] en verdachte eerder woorden met elkaar hebben gehad.

[naam 5] 30 heeft op de vraag van de politie wat zij weet van (eerdere) branden die verdachte heeft gepleegd geantwoord: “Die Saab bij ons om de hoek heeft hij ook gedaan.” Verdachte had haar gezegd dat hij die auto in brand had gestoken, omdat hij en [aangever 1] ruzie hadden gehad bij de voordeur. Op een dag na de ruzie, een dag waarop de auto van [aangever 1] kapot was, kwam [aangever 1] bij de woning van [naam 5] . Verdachte had toen tegen [naam 5] gezegd dat die auto wel heel dichtbij stond en dat hij die in brand had gestoken.

Verdachte31 heeft ter zitting verklaard dat hij bij de voordeur van zijn woning [aangever 1] had aangesproken, omdat hij volgens verdachte [naam 5] steeds onnodig zou hebben aangeraakt bij het brengen of ophalen van de kinderen.

Op grond van de verklaring van [aangever 1] , de belastende verklaring van [naam 5] , de wetenschap van verdachte over de locatie van de Saab, de onenigheid tussen [aangever 1] en verdachte die aan de brandstichting is voorafgegaan, de omstandigheid dat [aangever 1] eerder slachtoffer is geweest van een door verdachte gepleegde brandstichting (feit 3) en de korte tijd tussen die brandstichting (20 juni 2018) en de onderhavige (28 juli 2018), acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook de Saab 9000 in brand heeft gestoken. Het gaat om een gerichte actie jegens [aangever 1] .

Dat verdachte wist waar de Saab was geparkeerd, blijkt niet alleen uit de verklaringen van [naam 6] en [naam 7] , maar ook uit de verklaring van [naam 5] . [naam 5] heeft bovendien verdachte niet sec als de dader aangewezen, maar heeft daarbij meerdere details genoemd, zoals over het feit dat de Saab kapot was en dat deze vlakbij hun woning was geparkeerd. Tevens heeft zij het motief kenbaar gemaakt, te weten een voorafgaande ruzie. De rechtbank acht haar verklaring hierom betrouwbaar en ook op grond van wat hiervoor in het algemeen over haar betrouwbaarheid is overwogen en daarmee bruikbaar voor het bewijs.

4.3.4

feit 1 brandstichting Saab 95 [aangever 1]

Door [aangever 1] is tevens aangifte gedaan van brandstichting aan zijn Saab 95 op 31 maart 2017 bij zijn woning te Oosterhout. Behalve dat [aangever 1] heeft aangegeven dat verdachte met deze brandstichting mogelijk wraak op hem heeft willen nemen, ligt er een verklaring van getuige [naam 4] die in de richting van verdachte wijst. [naam 5] zou haar over deze brand hebben verteld dat “het de verkeerde auto was geweest”.

Hoewel deze brandstichting gezien de andere twee brandstichtingen bij hetzelfde slachtoffer opmerkelijk is, en die bijzonderheid samen met de verklaring van [naam 4] aanwijzingen opleveren voor de betrokkenheid van verdachte, acht de rechtbank onvoldoende concrete bewijsmiddelen aanwezig voor wettig en overtuigend bewijs. Daarbij heeft zij meegewogen dat deze brand in tijd verder verwijderd ligt van de branden tenlastegelegd onder de feiten 3 en 4. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van feit 1.

4.3.5

feit 2 brandstichtingen Ford Fiesta, Hyundai i30 en Suzuki Swift

Bewijsmiddelen Hyundai i30

[aangever 2] 32 heeft namens zijn werkgever [bedrijf] aangifte gedaan van brandstichting aan zijn bedrijfsauto, een witte Hyundai type i30, kenteken [kenteken 3] . [aangever 2] parkeerde de Hyundai op 30 mei 2018 omstreeks 18.00 uur voor zijn woning aan de [straat 2] te Kaatsheuvel, met de voorzijde van de auto in de richting van de [straat 3] . ’s Nachts werd de vriendin van [aangever 2] wakker van stemmen op straat. Hierop maakte zijn vriendin hem wakker. [aangever 2] zag toen dat zijn overbuurman de voorzijde van de auto van zijn werkgever aan het blussen was.
bekeek later de beelden van de beveiligingscamera die aan zijn woning hing. Hierop ziet hij op 31 mei 2018 om 02.01 uur een persoon naar zijn auto lopen. Die persoon bukt aan de achterzijde van de auto bij het linkerwiel. Daarna legt hij wat op het raam bij de ruitenwissers boven de motorkap. Het lijkt net of hij wat sprenkelt over de motorkap en een paar meter afstand van de motorkap neemt. Hierna steekt hij iets aan wat hij in zijn handen houdt. Vervolgens gooit hij dit brandende voorwerp op de motorkap. Het gevolg is een enorme vuurbal en de auto die in brand gaat. Tot slot rent de persoon weg.

Verbalisant [verbalisant 8] zag dat onder het linker achterwiel een aanmaakblok lag. Op het rechter voorwiel was kennelijk een aanmaakblok aangestoken, waardoor brand was ontstaan en die de motorruimte in was geslagen. Onder de ruitenwisser bij de voorruit lagen vijf soortgelijke aanmaakblokken als onder het achterwiel. Tevens zag de verbalisant op het raam onder de ruitenwisser een rode dop liggen. Hiernaast lagen restanten van plastic fles, waarbij een gedeeltelijk verbrand etiket lag met de tekst 'wasbenzine'.33

Ook verbalisant [verbalisant 9]34 vermeldt dat zij de vijf aanmaakblokken, de rode dop en fles wasbenzine op/bij de Hyundai had gezien. Zij zag eveneens dat voertuigen voor en achter de Hyundai waren geparkeerd, op ongeveer anderhalve meter afstand. Deze voertuigen waren door de snelle reactie van de buurtbewoners onbeschadigd gebleven.

Door verbalisant [verbalisant 10]35 is het volgende op de camerabeelden van [aangever 2] waargenomen:

Om 02.02.33 uur komt er aan de bestuurderszijde van de Hyundai i30 een persoon in beeld. Hij blijft stil staan ter hoogte van de motorkap. Hij heeft een voorwerp in zijn linkerhand en met zijn rechterhand verricht hij een handeling aan dit voorwerp. Hij maakt vervolgens een beweging met zijn rechterhand naar de voorruit. Hij draait dit voorwerp om en maakt met zijn rechterhand een beweging van voor naar achteren ter hoogte van de ruitenwisser van de auto. Hij bukt met dit voorwerp in zijn hand ter hoogte van de voorband aan de bestuurderszijde van de auto, en op het moment dat hij weer omhoog komt, maakt hij met zijn rechterhand een beweging van boven naar beneden over de motorkap. Dit is aan de bestuurderszijde. Vervolgens legt hij het voorwerp bovenaan de motorkap, onder de ruitwisser neer. [verbalisant 10] ziet dan dat de persoon naar achteren stapt, weg van de personenauto. Hij verricht een handeling met beide handen. Hij legt met zijn rechterhand iets op de voorruit van de auto. De persoon gaat op zijn hurken zitten. Bij zijn handen is een kortdurende vlam te zien.
Hierna komt de persoon omhoog, maar hij blijft gebukt staan. Ter hoogte van zijn handen ontstaat er wederom een vlam. Hij gaat rechtop staan en maakt met zijn rechterarm een gooiende beweging in de richting van de personenauto. De vlam komt bovenaan de rechterzijde van de motorkap terecht en direct daarop vliegt de voorzijde van de auto in brand waarna de persoon wegrent.36

Blijkens de looppatroonanalyse van de deskundigen prof. dr. E. Otten37 vertoont het looppatroon van de brandstichter op de beelden van [aangever 2] twee dezelfde kenmerken als die van verdachte op de beelden die door de politie van hem al lopend op straat zijn opgenomen, te weten het naar binnen staan van beide knieën en de asymmetrische lift.

Tijdens haar verhoor bij de politie krijgt [naam 5]38 de vraag voorgelegd van welke branden zij (nog meer) wetenschap heeft. Zij verklaart dan over een brand in Kaatsheuvel. “Van [aangever 2] ”. Die volgens haar vlakbij de Efteling woont. Na de brand is zij er achter gekomen dat verdachte bij hem een auto in brand heeft gestoken. “Dat is al eventjes geleden”. [naam 5] heeft verklaard dat verdachte haar hierover rechtsreeks vertelde, nadat zij iets over de brand op Facebook had gezien. [naam 5] legt uit dat het over een witte auto ging, die van het bedrijf van [aangever 2] was. Verdachte had haar dit verteld, althans hij had dit niet letterlijk maar indirect gezegd en zij zag het aan zijn gezichtsuitdrukking. [naam 5] heeft verklaard dat zij samen was met [aangever 2] in 2016 en dat zij nare ervaringen met hem had gehad. Verdachte zou volgens [naam 5] bij [aangever 2] zijn uitgekomen, omdat zij hem over haar ervaringen met [aangever 2] had verteld. Verder heeft [naam 5]39 aangegeven dat zij verdachte in het kader van de brandstichtingen had horen praten over het gebruik van wasbenzine.

Bewijsmiddelen Suzuki Swift

De partner van [aangever 2] , [aangever 3] ,40 heeft aangifte gedaan van brandstichting aan haar personenauto, een Suzuki Swift, voorzien van kenteken [kenteken 4] . Op 4 juli 2018 omstreeks 04.30 uur lag zij samen met [aangever 2] te slapen in haar woning te Kaatsheuvel en werd zij wakker van een sterke geur. Toen zij uit het raam keek zag zij dat haar auto, die voor de woning stond geparkeerd, in brand stond. [aangever 2] heeft volgens haar de camerabeelden teruggekeken. Hierop zou te zien zijn dat een kleine personenauto in de [straat 4] wordt geparkeerd en dat daaruit een persoon stapt. Dit lijkt een man te zijn. Deze persoon loopt vervolgens in de richting van de auto van de aangeefster en strooit hier middels een flesje een vloeistof overheen, net onder de voorruit, ter hoogte van de ruitenwissers. Het flesje legt hij hierna op deze locatie op de auto, waarna hij een paar passen achteruit zet. Vervolgens steekt deze persoon iets aan en gooit dit op haar auto. Deze vat direct vlam, waarna de dader hard wegrent, in de kleine personenauto stapt en wegrijdt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 11]41 blijkt dat [aangever 2] op 4 juli 2018 op de plaats waar de brand was gesticht een aanmaakblokje had gevonden. Dat aanmaakblokje werd aan de verbalisant getoond.

Door verbalisant [verbalisant 10]42 zijn de camerabeelden van de bewakingscamera43 aan de gevel van de woning van [aangever 2] bekeken en beschreven:

Om 04.28.34 uur verschijnt een persoon die naar de Suzuki loopt. In zijn rechterhand heeft hij een voorwerp. Bij de band aan de linkerzijde van de auto gaat hij kort door zijn knieën. Vervolgens is te zien dat hij met zijn arm een beweging maakt langs de bovenkant van de motorkap ter hoogte van de ruitenwisser. Hierbij heeft hij een voorwerp op de kop in de hand. Dan maakt hij een beweging over de voorruit van de personenauto. Het voorwerp wordt vervolgens gelegd op de Suzuki, bovenaan de motorkap, bij de ruitenwisser aan de bestuurderszijde.
De persoon stapt naar achteren, weg van de personenauto. Waarna hij direct op zijn hurken gaat zitten. Ter hoogte van zijn handen ontstaat een vlam. De persoon komt hierna overeind en maakt met zijn linkerarm een onderhandse gooiende beweging. De vlam komt bij de motorkap van de personenauto terecht. De vlam dooft.

De persoon pakt hierna iets van de auto bovenaan bij de motorkap. Hij stapt weer weg bij de Suzuki. Hierna ontstaat er bij zijn handen wederom een vlam. Hij maakt een onderhands gooiende beweging in de richting van de auto. De vlam komt aan de voorzijde op de auto, waarna de voorzijde van de auto gelijk in de brand vliegt. De persoon rent weg in de richting van de [straat 5] . Om 04.29.06 uur verdwijnt hij uit het zicht van de camera.

Op de printscreens44 van deze beelden is te zien dat aan de linkerzijde van de Suzuki een aantal auto’s achter elkaar zijn geparkeerd.

Deze beelden zijn ook door prof. dr. E. Otten45 aan een looppatroonanalyse onderworpen. Hieruit volgt dat het looppatroon van de brandstichter aan de Suzuki op de beelden van [aangever 2] meerdere dezelfde kenmerken laat zien in vergelijking met die van verdachte op de beelden die door de politie van hem al lopend op straat zijn opgenomen, te weten het naar buiten gericht staan van beide voeten, het naar binnen staan van beide knieën, de rompzwaai naar links en de asymmetrische lift op het linkerbeen.

Verbalisant [verbalisant 3]46 heeft de beelden van de dader die de Suzuki in brand steekt en de beelden van de dader die de Hyundai in brand steekt met elkaar vergeleken. Hij concludeert dat beide daders een zelfde manier van lopen, knielen en bewegen hebben. De auto’s worden ook op dezelfde manier in brand gestoken.

De beelden die door de politie zijn opgenomen van verdachte zijn ook vergeleken met de beelden van de dader van de brandstichting aan de Suzuki. Ook deze beelden vertonen volgens de verbalisant grote gelijkenis met de manier van lopen van verdachte.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de bovenstaande bewijsmiddelen en op wat eerder over de bewijskracht van het looppatroon van verdachte is overwogen, in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de brandstichting aan de Hyundai i30 door verdachte is begaan. In het bijzonder wijzen de verklaring van [naam 5] en de camerabeelden in combinatie met de looppatroonanalyse op de betrokkenheid van verdachte bij dit feit.

De rechtbank is van oordeel dat de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring van de brandstichting aan de Hyundai i30 kunnen dienen als schakelbewijs voor de brandstichting aan de Suzuki Swift, gelet op de specifieke overeenkomstige modus operandi bij beide feiten. Daarvoor is acht geslagen op de volgende handelingen van de dader en de volgorde daarvan: het bukken/knielen bij het linkerwiel aan de achterzijde van de auto, het besprenkelen van de motorkap met een vloeistof, het wegleggen van een voorwerp bovenaan de motorkap bij de ruitenwissers, het doen van een stap naar achteren, het aansluitend op de hurken gaan zitten en het maken van vuur, het weer overeind komen en een gooiende beweging maken in de richting van de motorkap van de auto waardoor de auto in brand vliegt en het wegrennen.

Gezien dit opvallende patroon naast de bewijsmiddelen die hierboven ten aanzien van de brandstichting aan de Suzuki zijn vermeld én de omstandigheid dat sprake is van hetzelfde slachtoffer (of de partner daarvan) én het korte tijdsbestek tussen de twee branden, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte ook degene is geweest die de Suzuki in brand heeft gestoken. Ook deze brandstichting acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht de overeenkomsten tussen de brandstichtingen aan de Hyundai i30 en de Suzuki Swift als schakelbewijs mede redengevend voor het bewijs van beide brandstichtingen.

Ford Fiesta

Er ligt ook een aangifte van [aangever 2] met betrekking tot een brandstichting aan zijn Ford Fiesta in de nacht van 15 mei 2018, welke auto toen voor de deur van zijn ouders in Kaatsheuvel was geparkeerd. Daarnaast is een getuigenverhoor van zijn moeder [naam 8] aanwezig, die omstreeks 03.00 uur een harde knal hoorde en vlammen onder de motorkap van de Ford vandaan zag komen. Verbalisant [verbalisant 12] constateerde kort daarna dat het voertuig aan de voorzijde geheel was uitgebrand. Verder is uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 4] af te leiden dat een buurtbewoner de bewuste nacht omstreeks 04.00 uur een sissend geluid hoorde en een zwarte cabrio zag wegrijden.

De hiervoor bewezen verklaarde brandstichtingen aan auto’s van [aangever 2] en zijn partner bieden een aanknopingspunt voor de aanname dat verdachte ook betrokken is geweest bij deze brand. De kans op brand is immers klein en de kans op meerdere branden in een dergelijke korte periode is eigenlijk alleen redelijkerwijs denkbaar als daar menselijk handelen aan te pas komt. Bij deze brand zijn echter geen bewijsmiddelen voorhanden waaruit, anders dan de genoemde onwaarschijnlijkheid van een spontane brand, blijkt dat er daadwerkelijk sprake is van brandstichting. Er blijkt evenmin van enig onderzoek daarnaar. Daarmee ontbreekt eveneens een modus operandi die eventueel gebruikt zou kunnen worden voor het toepassen van schakelbewijs waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte de dader is. De rechtbank zal verdachte daarom wegens een gebrek aan bewijs van de brandstichting aan de Ford Fiesta vrijspreken, zoals ook door de raadsman is betoogd.

4.3.6

feit 5 brandstichtingen Fiat Brava

Bewijsmiddelen

[aangever 4] 47, de zus van [naam 5] , heeft aangifte gedaan van brandstichting aan een grijze Fiat Brava, voorzien van kenteken [kenteken 6] . De auto is eigendom van haar zwager [naam 2] . De Fiat was op 20 augustus 2018 rond 19.00 uur voor hun deur geparkeerd, adres [straat 6] te Waalwijk. Toen haar partner [aangever 5] de volgende ochtend omstreeks 04.30 uur wilde wegrijden, zag hij dat er vloeistof over de motorkap was gegooid en dat er een fles terpentine lag bij de ruitenwisser tegen de voorruit.

Van de brandschade en de achtergebleven fles terpentine zijn als bijlage foto’s aanwezig.48

[aangever 4] heeft later tegenover verbalisant [verbalisant 2]49 verteld dat ze na de ontdekking van de brand had moeten denken aan verdachte, de vriend van haar zus, als dader. [aangever 4] was niet blij met de keuze van haar zus voor deze vriend. Ze had hierover wel eens met haar zus gesproken en verdachte zou ook weten hoe ze over hem dacht.

Verbalisant [verbalisant 2]50 heeft ter plaatse waargenomen dat op de motorkap van de Fiat terpentine was gegooid en in brand was gestoken. Het plastic ter hoogte van de ruitenwissers was hierdoor beschadigd. Een klein gat en roetschade waren ook te zien. De rechtervoorband vertoonde een gat en was door de hitte geklapt.

Op camerabeelden van het nabijgelegen eetcafé [naam 9] is door [verbalisant 2] gezien dat op 21 augustus om 02.00.33 uur een persoon komt gelopen naar de geparkeerde Fiat Bravo. Rond 02.00.53 uur is te zien dat deze persoon naast de auto met handelingen bezig is en knielt. Om 02.01.05 uur is te zien dat er onder de auto iets oplicht.

De middag na deze brand, op 21 augustus 2018, voerde [naam 5] een telefoongesprek met [naam 4] , welk gesprek is afgetapt.51 Daarin wordt onder meer het volgende gezegd.52

[naam 5] : ja het is fucking mislukt he kut he

[…]

[naam 4] : wat had ze gedaan dan

[naam 5] : ah joh die zit al van af, ja. nou weet je het was eigenlijk een toeval, ....want het was eerst de bedoeling voor iemand anders maar die is even....die, die, die die ... moet nog geld betalen zeg maar. Alleen die was spoorloos, op al de drie de adressen was hij er niet en hij had zijn zinnen er natuurlijk al opgezet van uhhh. ...ja er gaat toch IETS het interesseert me niet wat

[naam 4] : ja

[naam 5] : en afgelopen zaterdag hadden we feest van mijn pa en toen was ze allemaal weer zo achterbaks te doen. weet je wel, je weet hoe ze is en dat doet ze al maanden zo. En een paar maanden geleden hadden ze toch die ruzie een beetje ruzie met elkaar en dat is allemaal nog niet opgelost, dat blijkt alleen maar erger te worden en hij zei ja verveelde me en toen was zij op dat moment effen het slachtoffer

[…]

[naam 5] : nou daarom, ja vond ik wel of in ieder geval ja het was eerst bedoeld voor iemand anders om zo maar te zeggen maar ja toen had hij toch maar dat gedaan zeg maar. Ja ik moet af en toe uitkijken wat ik zeg he.

[naam 5] 53 heeft tegenover de politie verklaard dat verdachte de (eerste) brandstichting bij haar zus heeft gepleegd. Verdachte had haar verteld dat hij haar zus eens goed wilde laten schrikken. Zij hebben iets samen, ze weet niet precies wat. Zij zegt nog te weten dat verdachte ’s nachts een keer tegen haar zei dat [aangever 4] niet vrolijk zou worden. Een dag later hoorde ze van [aangever 4] dat iemand had geprobeerd om de auto in de fik te steken. Er zou daarbij een fles terpentine zijn gebruikt, had haar zus gezegd. Verdachte had tegen [naam 5] verteld dat hij iets over de auto had gegoten.

Nog geen week later volgde een aangifte van de partner van [aangever 4] , [aangever 5] .54 Hij heeft verklaard dat hij en [aangever 4] in de nacht van zondag 26 augustus 2018 lagen te slapen in hun woning te Waalwijk en dat zij omstreeks 06.00 uur abrupt werden gewekt door een buurman die riep dat zijn auto in brand stond. [aangever 5] zag dat de Fiat Brava met kenteken [kenteken 6] inderdaad in brand stond. De voorzijde van de auto brandde hevig. Een kinderwagen had hij op het laatste moment nog uit het voertuig kunnen redden, al was deze wel door de brand beschadigd geraakt.

Op 26 augustus 2018 omstreeks 06.00 uur was de melding van de autobrand binnengekomen bij de politie. Verbalisant [verbalisant 13]55 en zijn collega [verbalisant 14] waren binnen enkele minuten ter plaatse. [verbalisant 13] zag een brandend voertuig, voorzien van kenteken [kenteken 6] , op de [straat 6] geparkeerd staan. De voorzijde van het voertuig brandde hevig.

In een afzonderlijk proces-verbaal56 is door verbalisant [verbalisant 10] opgetekend dat op foto’s kan worden gezien hoe dicht de Fiat Brava bij een woning stond. Door de hitte van de brand waren namelijk de ruiten van deze woning gesneuveld.

Ook stelt de rechtbank vast dat er op diezelfde foto’s,57 die als bijlage bij voornoemd proces-verbaal zijn gevoegd, meerdere auto’s voor en achter de Fiat zijn geparkeerd.

Twee dagen na deze tweede brand, op 28 augustus 2018, voerde [naam 5] een telefoongesprek met [naam 4] , welk gesprek is afgetapt.58 Daarin wordt het volgende gezegd, nadat ze eerst hebben gesproken over een andere uitgebrande auto.59

[naam 5] : Nou is het wel voorlopig even klaar.

[naam 4] : Dat snap ik, op een gegeven moment zit er een patroon in. Moet die misschien even rustig aan doen.

[naam 5] : Ja hoor.

[naam 4] 60 heeft zelf nog verklaard bij de politie dat [naam 5] haar in een telefoongesprek had verteld dat haar zus nu aan de beurt was gekomen. Later werd ze gebeld door [naam 5] dat ze heel erg op haar kop had gekregen van verdachte, dat ze hierover niet met [naam 4] over de telefoon had mogen praten.

[naam 5] 61 is bij de politie bevraagd over de tweede brandstichting bij haar zus. Zij zegt te weten dat verdachte ook die tweede brand heeft gesticht. Verdachte had haar daarover verteld op zondag, toen hij wakker werd. Zo ongeveer op dezelfde manier als de eerste keer zei hij: “nu weet ze het wel, nu was het wel raak. Nu zal [aangever 4] helemaal flippen” of iets dergelijks. Hij had [naam 5] tevens verteld hoe hij de tweede brand had gesticht, namelijk voor en achter. En dat hij nu wel was gegaan, of iets dergelijks. [naam 5] zegt tijdens het verhoor dat haar nog iets te binnen schiet over de tweede brand bij haar zus. Zij spreekt dan over telefonisch contact met [naam 4] , die iets had gesteld als “nu is het wel raak”. Verdachte was daarover heel erg boos geworden tegen [naam 5] . [naam 5] had daarover toen [naam 4] teruggebeld, op een moment dat verdachte niet thuis was.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte de dader van beide brandstichtingen is.

Bij de eerste brandstichting is dat op basis van de aangifte en de belastende verklaring van [naam 5] , die gedetailleerd heeft verklaard over het moment waarop en hoe verdachte haar over die brand had verteld en over de terpentine die door hem over de auto was gegoten, alsmede over de aanleiding tot de brandstichting.

Bij de tweede brandstichting is dat op basis van de tweede aangifte, de belastende en gedetailleerde verklaring van [naam 5] en de inhoud van het tapgesprek tussen [naam 5] en [naam 4] kort na de tweede brand en hun verklaringen hierover.

Bovendien heeft de rechtbank voor beide feiten in acht genomen dat het tweemaal dezelfde auto en hetzelfde slachtoffer betreft, dat de feiten in een korte tijdspanne zijn gepleegd en dat het slachtoffer [aangever 4] via [naam 5] is te herleiden naar verdachte. In die zin versterken de feiten elkaar. Ook voor dit feit wordt verwezen naar wat hiervoor in het algemeen is overwogen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 5] .

De rechtbank gaat uit van gerichte (wraak)acties van verdachte tegen het slachtoffer. Het dossier bevat immers verschillende aanwijzingen voor wrijvingen tussen de zussen en/of tussen verdachte en [aangever 4] .

Dat bij de eerste brandstichting slechts sprake was van lichte brandschade doet er niet aan af dat tot een voltooide brandstichting kan worden geconcludeerd en niet tot een poging daartoe, zoals de raadsman heeft opgeworpen. Zijn verweer treft op dat punt geen doel.

De rechtbank is van oordeel dat bij de tweede brandstichting, naast gevaar voor goederen, ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de woning te duchten is geweest. Zij heeft daarvoor in aanmerking genomen dat de brand is gesticht in de nacht, waarbij als feit van algemene bekendheid geldt dat de kans groot is dat bewoners van de woning liggen te slapen. De auto stond dicht bij een woning en door de hitte van de brand waren de ruiten van deze woning gesneuveld, waardoor het vuur makkelijk naar binnen had kunnen overslaan.

4.3.7

feiten 2, 3, 4 en 5

De feiten 2, 3, 4 en 5 hebben gemeen dat de slachtoffers van de branden steeds via [naam 5] te linken zijn aan verdachte. De ex-schoonvader van zijn vriendin ( [aangever 1] ), een voormalige vriend van zijn vriendin ( [aangever 2] ) en de zus van zijn vriendin ( [aangever 4] ) werden ieder slachtoffer van twee brandstichtingen. Daarbij komt dat in al deze gevallen op enige wijze sprake was van onmin of spanning tussen verdachte en de slachtoffers. De rechtbank acht deze gemene deler als schakelbewijs mede redengevend voor het bewijs van deze brandstichtingen. Er kan uit worden afgeleid dat sprake is geweest van gerichte (wraak)acties.

4.3.8

feit 6 heling Mitsubishi Colt

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 6 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. De rechtbank acht dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 16 maart 2020,62

- de aangifte van [naam 3] betreffende de diefstal van de Mitsubishi Colt, d.d. 24 augustus 2018;63

- het proces-verbaal sporenonderzoek betreffende de gestolen kentekenplaten die bij de (uitgebrande) Mitsubishi Colt zijn aangetroffen, d.d. 27 augustus 2018.64

4.3.9

feit 7 brandstichting Mitsubishi Colt

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 7 primair eveneens een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal ook hier worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. De rechtbank acht dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 16 maart 2020;65

- het proces-verbaal sporenonderzoek – brandonderzoek voertuig.66

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 2:

op tijdstippen in de periode van 30 mei 2018 tot en met 4 juli 2018 te Kaatsheuvel opzettelijk brand heeft gesticht aan personenauto‘s te weten een Hyundai i30 (kenteken [kenteken 3] , toebehorende aan [aangever 2] en [bedrijf] en een Suzuki Swift (kenteken [kenteken 4] ), toebehorende aan [aangever 3] , immers heeft verdachte toen aldaar telkens opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met (een) aanmaakblokje(s), ten gevolge waarvan die personenauto‘s gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto‘s en voor nabij geparkeerde auto‘s te duchten was;
feit 3:

op 20 juni 2018 te Oosterhout opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met motorbenzine en aardoliedestillaat en een stuk doek en een fles met daarin motorbenzine en aardoliedestillaat en die met motorbenzine en aardoliedestillaat voorziene doek tegen de gevel van de woning van [aangever 1] te gooien, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in die woning aanwezige personen [aangever 1] en de echtgenote van die [aangever 1] te duchten was en terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de inboedel van die woning te duchten was;
feit 4:

op 28 juli 2018 te Waalwijk opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto te weten
een Saab 9000 (kenteken [kenteken 5] ), toebehorende aan [aangever 1] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan die personenauto gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto te duchten was;

feit 5:

op tijdstippen in de periode van 21 augustus 2018 tot en met 26 augustus 2018 te Waalwijk telkens opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto te weten een Fiat Brava (kenteken [kenteken 6] ), toebehorende aan [naam 2] immers heeft verdachte

- op 21 augustus 2018 opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een brandbare (vloei)stof, ten gevolge waarvan die personenauto gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto te duchten was en
- op 26 augustus 2018 opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een brandbare (vloei)stof, ten gevolge waarvan die personenauto is verbrand, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoners van een omliggende woning te duchten was en terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto en voor zich in die auto bevindende goederen en voor een omliggende woning en auto's te duchten was;


feit 6:

op 27 augustus 2018 te Waalwijk een personenauto (een Mitsubishi Colt (blauw) met kenteken: [kenteken 7] ), en kentekenplaten met het kenteken [kenteken 8] voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
feit 7:

op 27 augustus 2018 te Waalwijk opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto te weten een Mitsubishi Colt (blauw), voorzien van (gestolen) kentekenplaten met het kenteken [kenteken 8] , welke auto toebehoorde aan [naam 3] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto te duchten was.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte een gevangenisstraf van 6 jaar op te leggen. Daarbij heeft zij onder meer rekening gehouden met het grote aantal brandstichtingen en het gevaar voor personen dat enkele branden hebben gevormd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat verdachte inmiddels al veel te lang in voorlopige hechtenis heeft gezeten, ook indien de rechtbank meer bewezen acht dan waar de verdediging van uitgaat. Daarbij is gewezen op een aantal uitspraken in brandstichtingszaken, waarin veel lagere straffen zijn opgelegd dan de officier van justitie nu eist. Verder is gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, die graag weer wil zorgen voor zijn vrouw en stiefkinderen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan heling van een gestolen auto en maar liefst zeven brandstichtingen. Zes maal heeft hij midden in de nacht een auto in brand gestoken, waarbij één maal ook gevaar ontstond voor de woning waar de auto direct voor stond en de mensen in die woning. Maar het ernstigste feit is zonder twijfel de aanslag op een woning met molotovcocktails, ook midden in de nacht. Gelukkig zijn daarbij geen persoonlijke ongelukken gebeurd omdat de bewoner toevallig wakker was en de vlammen tijdig wist te doven.

Bij één auto ging het om een door verdachte geheelde auto. Maar bij alle andere brandstichtingen ging het om auto’s van mensen met wie verdachte kennelijk om een of andere reden nog een appeltje te schillen had. De ex-schoonvader van zijn vriendin, een voormalige vriend van zijn vriendin en de zus van zijn vriendin werden allemaal slachtoffer van twee brandstichtingen. Het ging feitelijk om wraakacties voor iets wat de slachtoffers verdachte en/of zijn vriendin in zijn ogen hadden aangedaan. Kennelijk was het zijn bedoeling om hen angst aan te jagen. En daar is hij in geslaagd. Brand is op zich al een angstaanjagend fenomeen, maar dat is natuurlijk nog veel erger als sprake is van brandstichting, tot twee keer toe zelfs. Uit de vorderingen tot schadevergoeding en de slachtofferverklaring ter zitting blijkt welk een enorme impact dit heeft gehad op twee van de slachtoffers, die beiden kampen met psychische problemen.

Maar behalve angst bij de directe slachtoffers, zorgen brandstichtingen ook voor grote gevoelens van onveiligheid in de omgeving. Ook dat neemt de rechtbank verdachte kwalijk.

Het zal duidelijk zijn dat, gezien het aantal en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, alleen een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf is.

Bij brandstichting (en zeker in zulke aantallen) wordt al snel gedacht aan een pyromaan of iemand met een of andere geestesstoornis. Verdachte is onderzocht door een psychiater en een psycholoog, maar die hebben - wellicht door zijn beperkte medewerking aan het onderzoek - geen geestesstoornis bij hem kunnen ontdekken. Wel is volgens de psycholoog sprake van narcistische en antisociale kenmerken, maar verdachte weet wat hij doet en kan in staat geacht worden het doel, de inzet en de consequenties van zijn handelen afdoende te overzien. De psychiater kenschetst verdachte als niet apert agressief of impulsief, maar eerder vlak, hooghartig en berekenend.

De rechtbank maakt zich grote zorgen over het risico dat verdachte opnieuw ernstige strafbare feiten zal plegen. Kennelijk is hij op basis van een onbeduidende aanleiding in staat tot brandstichtingen waarin zijn agressie tot uiting komt. Naar het oordeel van de rechtbank moet het recidiverisico dan ook als hoog worden ingeschat. Daar komt bij dat uit zijn strafblad blijkt dat hij al twee keer eerder is veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen voor ernstige geweldsdelicten. Kennelijk maken die straffen op hem geen enkele indruk, want in de proeftijd van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling van de laatste straf (voor maar liefst 1359 dagen) heeft hij nu weer zeer ernstige strafbare feiten gepleegd.

De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding om een lagere straf op te leggen.

Weliswaar wordt verdachte vrijgesproken van feit 1 en deels van feit 2, terwijl de officier van justitie uitging van een volledige bewezenverklaring, maar alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat, gezien met name de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte, de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 6 jaar passend en noodzakelijk is.

7 De benadeelde partij

7.1

[aangever 1]

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 4.292,24 voor de feiten 1, 3 en 4. Dit betreft materiële schade van € 479,69 voor de aanschaf van camera’s en € 312,55 voor het eigen risico van de zorgverzekering over 2018, plus € 3.500,- aan immateriële schade.

Nu verdachte wordt vrijgesproken van feit 1, kan de vordering alleen gebaseerd worden op de feiten 3 en 4. De rechtbank constateert dat de gevorderde materiële schade (aanschaf camera’s en eigen risico zorgverzekering) dateert van vóór 20 juni 2018, zodat deze schade geen rechtstreeks gevolg kan zijn van de bewezen verklaarde feiten 3 en 4. Dit betekent dat de vordering inzake materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Over de immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. Uit de onderbouwing van deze schadepost en de bijgevoegde stukken komt naar voren dat [aangever 1] ernstige psychische klachten heeft, waarvoor hij een intensieve medische behandeling heeft ondergaan. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat deze klachten in ieder geval deels het gevolg zijn van de brandstichtingen, maar is onvoldoende duidelijk of zijn arbeidsongeschiktheid daar volledig aan te wijten is. Bovendien was al sprake van ernstige klachten na de eerste brandstichting in 2017 (waarvan verdachte wordt vrijgesproken), maar kan schadevergoeding alleen worden toegewezen voor zover de schade het gevolg is van de andere twee (wel bewezen) brandstichtingen in 2018. De rechtbank acht het zondermeer aannemelijk dat met name de brandstichting aan de woning een enorme impact heeft gehad op [aangever 1] en heeft geleid tot verergering van de psychische problematiek. Voor de rechtbank is dan ook aannemelijk dat [aangever 1] immateriële schade heeft geleden door de bewezen verklaarde feiten. De precieze hoogte daarvan is niet eenvoudig vast te stellen, gezien de verwevenheid met de eerdere psychische problemen, maar bedraagt naar het oordeel van de rechtbank ten minste € 2.000,. De schade zal daarom tot dat bedrag worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Nader onderzoek naar de exacte omvang van de immateriële schade zou een onevenredige belasting van deze strafzaak opleveren, zodat de rechtbank de vordering voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.

7.2

[aangever 2]

De benadeelde partij [aangever 2] vordert een schadevergoeding van € 1.607,18 voor feit 2, bestaande uit materiële schade van € 179,95 voor de aanschaf van een camerasysteem, € 42,23 aan reiskosten en € 385,- voor het eigen risico van de zorgverzekering over 2018, plus € 1.000,- aan immateriële schade.

De rechtbank constateert dat het camerasysteem is aangeschaft op 4 mei 2018, dus vóór de bewezen verklaarde brandstichtingen, zodat deze schade geen rechtstreeks gevolg kan zijn van het bewezen verklaarde feit. Dit betekent dat de vordering in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het eigen risico en de reiskosten komen wel voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank is van oordeel dat die schade voldoende aannemelijk is gemaakt en een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit, zodat verdachte daarvoor aansprakelijk is. De materiële schade zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 427,23.

De immateriële schade is gemotiveerd uiteengezet en onderbouwd met een verklaring van de psycholoog dat sprake is van een posttraumatische stressstoornis. Het gevorderde bedrag van € 1.000,- acht de rechtbank billijk. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

7.3

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot de toegekende vorderingen aan de benadeelde partijen zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Dit betekent dat de vorderingen zullen worden geïnd door het CJIB, waarbij eventueel gijzeling kan worden toegepast als verdachte niet op tijd betaalt.

8 Het beslag

8.1

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Die voorwerpen (drugs en de verpakkingen daarvan) behoren aan verdachte toe en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

8.2

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde onder verdachte in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, te weten jerrycans en een mobiele telefoon. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen grond voor verbeurdverklaring van deze voorwerpen. Uit het dossier blijkt niet dat de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd met behulp van deze voorwerpen.

9 De vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

De officier van justitie heeft een vordering gedaan tot volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd onder parketnummer 20-0025605-11, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in zijn vordering, nu de vordering op 11 juli 2018 is ontvangen op de griffie van de rechtbank en de grond bevat waarop zij berust.

Verdachte is met ingang van 7 september 2017 voorwaardelijk in vrijheid gesteld voor een periode van 1359 dagen, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en enkele bijzondere voorwaarden. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan meerdere ernstige strafbare feiten. Daarmee heeft hij de algemene voorwaarde overtreden, zodat de vordering tot herroeping zal worden toegewezen. Mede gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten ziet de rechtbank geen aanleiding om af te zien van volledige herroeping.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 57, 157 en 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 2:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd;

feit 3:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

feit 4 primair:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 5:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

feit 6:
opzetheling, meermalen gepleegd;

feit 7:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

- wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe;

- gelast dat het gedeelte van de bij arrest van het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 22 maart 2012 opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel moet worden ondergaan, te weten een gevangenisstraf van 1359 dagen;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 3, 4, 6, 8 en 9;

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1, 2, 5;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 2.000,-, ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 20 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 1.427,23, waarvan € 427,23 voor materiële schade en € 1.000,- voor immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 31 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf de daarbij vermelde datum tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling het daarbij vermelde aantal dagen gijzeling kan worden toegepast:

- [aangever 1] (feit 3, 4) € 2.000,- 20 juni 2018 30 dagen gijzeling,

- [aangever 2] (feit 2) € 1.427,23 31 mei 2018 24 dagen gijzeling,

met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Breeman, voorzitter, mr. Veldhuizen en mr. Gillesse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Roebroeks, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 maart 2020.

Mr. Veldhuizen, mr. Gillesse en mr. Roebroeks zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2018141765/ZB3R018061 van politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 812. Het deskundigenrapport van prof. dr. E. Otten d.d. 6 december 2019, pag. 7.

2 Het deskundigenrapport van prof. dr. E. Otten d.d. 6 december 2019, pag. 4 en 5.

3 Het deskundigenrapport van prof. dr. M J. Sjerps d.d. 26 februari 2020, pag. 9.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, pag. 281.

5 Het proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 1] , pag. 213.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6] , pag. 223.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] , pag. 491

8 Tapgesprek sessienr. 6439, pag. 475 en proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] , pag. 490

9 Tapgesprek sessienr. 10048, pag. 533

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] , pag. 489

11 OVC-gesprek sessienr. 142, pag. 284-285

12 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , pagina 211 en 212.

13 Het proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 1] , pagina 213.

14 De dvd als bijlage bij het procesdossier met bestandsnaam 2018141765.mpg.

15 De foto’s van de schade aan/bij de voordeur van de woning van [aangever 1] , pagina 216 t/m 219.

16 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6] , pagina 223.

17 Het proces-verbaal bevindingen brandstichting, pagina 252 en 253.

18 De dvd als bijlage bij het procesdossier met bestandsnaam flexteam.mp4.

19 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 281.

20 Het deskundigenrapport van prof. dr. E. Otten, d.d. 6 december 2019, pagina 7.

21 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 231.

22 Het geschrift, de verkorte rapportage over het onderzoek naar ontbrandbare stoffen, opgemaakt door Ing. L.J.C. Peschier van het NFI, d.d. 10 juli 2018, pagina 248 t/m 251.

23 Het proces-verbaal, pagina 233 en 234.

24 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 5] , pagina 161.

25 Het proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 1] , pagina 325 en 326.

26 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 329.

27 Het proces-verbaal van verhoor aangever [aangever 1] , pagina 325.

28 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 7] , pagina 331 en 332.

29 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6] , pagina 337.

30 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 5] , pagina 161 en 162.

31 De verklaring van verdachte [verdachte] , afgelegd ter zitting van 16 maart 2020.

32 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , pagina 366 t/m 368.

33 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 368

34 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 374.

35 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 390 t/m 395.

36 De dvd als bijlage bij het procesdossier met bestandsnamen: _kort 208124250.avi, _02 2018124250.avi.

37 Het geschift, zijnde de looppatroon analyse, opgemaakt door prof. dr. E. Otten, d.d. 6 december 2019, pagina 7.

38 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 5] , pagina 162 en 163.

39 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 5] , pagina 162.

40 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , pagina 402 en 403.

41 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 408.

42 Het proces-verbaal bevindingen camerabeelden, pagina 412 t/m 415.

43 Beelden op de dvd als bijlage bij het procesdossier met de bestandsnamen: beelden brandstichting 2018154278.mp4 en aansteken 01 2018154278.avi .

44 Het proces-verbaal bevindingen camerabeelden, printscreens, pagina 415.

45 Het deskundigenrapport van prof. dr. E. Otten, d.d. 6 december 2019, pagina 7.

46 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 282.

47 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , pagina 432 en 433.

48 De foto’s van de brandschade aan de Fiat Brava d.d. 21 augustus 2018, pagina 432 t/m 438.

49 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 442.

50 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 445.

51 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 466.

52 Het tapgesprek, sessienr. 6439, d.d. 21 augustus 2018, pagina 475.

53 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 5] , pagina 157 en 160.

54 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] , pagina 482 en 483.

55 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 515.

56 Het proces-verbaal gevaarzetting brandstichting, pagina 477.

57 De foto’s van de brandende Fiat Brava, pagina 478 en 479.

58 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 528.

59 Het tapgesprek, sessienr. 10048, d.d. 28 augustus 2018 09.55.09 uur, pagina 533.

60 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] pagina 489.

61 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 5] , pagina 160 en 161.

62 De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 16 maart 2020.

63 Het proces-verbaal van aangifte van [naam 3] , pagina 543 en 544.

64 Het proces-verbaal sporenonderzoek – brandonderzoek voertuig, pagina 574.

65 De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 16 maart 2020.

66 Het proces-verbaal sporenonderzoek – brandonderzoek voertuig, pagina 574.