Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1478

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19_2923
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/2923 WABOA

uitspraak van 27 maart 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. T.P.M. Kouwenaar,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg, verweerder.

Als derde partijen hebben aan het geding deelgenomen:

1. [naam derde partij1] te [plaatsnaam2] ,

gemachtigde: mr. M.A. Patandin,

2. [naam derde partij2], te [plaatsnaam2] ,

gemachtigde: mr. M.M. Breukers.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 juni 2019 van het college over een aan haar verleende omgevingsvergunning voor het wijzigen van het inpandig gebruik naar twee appartementen en het verhogen van de kap van het pand aan de [adres] te [plaatsnaam2] .

Eiseres heeft daarbij ook om een voorlopige voorziening verzocht (zaaknummer BRE 19/2922 WABOA VV). Dat verzoek is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij uitspraak van 20 augustus 2019 afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 14 februari 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam vertegenwoordiger] . Het college is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Ook derde partijen zijn niet verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 19 april 2017 heeft het college aan eiseres een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘gebruiken van gronden en/of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ voor het wijzigen van het inpandig gebruik van het pand [adres] te [plaatsnaam2] naar 4 appartementen. Een aantal omwonenden heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Die bezwaren zijn door het college bij besluit van 12 september 2017 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is geen beroep ingesteld. De verleende omgevingsvergunning is daarmee rechtens onaantastbaar geworden.

1.2.

Op 1 juni 2017 heeft eiseres een nieuwe aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de verbouwing van het appartementencomplex aan de [adres] met vier appartementen naar zes appartementen. Concreet houdt de aanvraag in dat het dak van het pand ongeveer 0,9 meter wordt verhoogd en dat op de bovenste verdieping twee appartementen worden gerealiseerd.

Bij besluit van 4 augustus 2017 (primair besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘gebruiken van gronden en/of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’. Ook tegen dat besluit is bezwaar gemaakt door meerdere omwonenden, onder wie derde partijen.

Bij besluit van 2 maart 2018 heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard, waarbij het primaire besluit in stand is gelaten.

1.3.

Derde partijen hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 2 maart 2018. Het beroep van [naam derde partij1] is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer BRE 18/2106 WABOA en het beroep van [naam derde partij2] onder zaaknummer BRE 18/1370 WABOA. [naam derde partij2] heeft tevens een voorlopige voorziening gevraagd.

De behandeling van de beroepen heeft niet gelijktijdig plaatsgevonden.

Op het beroep van [naam derde partij2] is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank uitspraak gedaan op 5 april 2018. Het beroep van [naam derde partij2] is daarbij gegrond verklaard en het besluit van 2 maart 2018 is vernietigd. De voorzieningenrechter heeft daarbij bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Op het beroep van [naam derde partij1] heeft de rechtbank op 20 december 2018 uitspraak gedaan. Ook dat beroep is gegrond verklaard en het besluit van 2 maart 2018 is vernietigd. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voor zover het betreft de ongegrondverklaring van de bezwaren over de aantasting van de privacy en de toename van de parkeerdruk. Voor wat betreft het welstandsoordeel heeft de rechtbank het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren.

1.4.

[naam derde partij2] heeft hoger beroep aangetekend tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 april 2018. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft op 20 februari 2019 de uitspraak van 5 april 2018 (voor zover aangevallen) bevestigd.

1.5.

Het college heeft op 7 juni 2019 een nieuw besluit op de bezwaren genomen (het bestreden besluit). Bij het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit in stand gehouden, maar heeft in de vergunning de navolgende aanvullende voorschriften opgenomen.

  1. De parkeervoorzieningen ten behoeve van de twee appartementen dienen te worden gerealiseerd ten tijde van de uitvoering van deze vergunning (lees: 4 augustus 2017). Indien blijkt dat door omstandigheden de parkeerplaatsen niet te bereiken zijn, dienen er maatregelen te worden getroffen, zodat aan het parkeerbeleidsplan wordt voldaan. Mocht blijken dat er niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, kan op basis van dit voorschrift de vergunning worden ingetrokken.

  2. Langs de korte zijde van alle balkons moeten privacyschermen met een hoogte van minimaal 2 meter worden aangebracht, die worden voorzien van ondoorzichtig materiaal uitgevoerd in melkglas (tenzij een aanvaardbaar alternatief in overleg met omwonenden is overeengekomen en dit aantoonbaar/schriftelijk vastligt). Alvorens de privacyschermen worden aangebracht moet een detailtekening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden overgelegd. Er mag pas gestart worden met de werkzaamheden nadat de tekening is beoordeeld en goedgekeurd.

2. Het beroep van eiseres is gericht tegen de aan het bestreden besluit verbonden voorschriften.

Met betrekking tot het voorschrift onder a) heeft eiseres, onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 april 2018, aangevoerd dat in het primaire besluit al voldoende overwegingen zijn opgenomen met betrekking tot parkeren, zodat er geen aanleiding bestaat om dit voorschrift aan het bestreden besluit te verbinden.

Ook voor wat betreft het voorschrift onder b) heeft eiseres verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 april 2018, alsmede naar die van de AbRS van 20 februari 2019, waarin is overwogen dat de balkons geen evidente privaatrechtelijke belemmering opleveren. Eiseres stelt dat er hooguit aanleiding was om overwegingen omtrent de belangenafweging op te nemen met betrekking tot de veronderstelde privaatrechtelijke belemmeringen, maar voor het opnemen van een voorschrift bestond volgens eiseres geen aanleiding. Voorts stelt eiseres dat het voorschrift onder b) niet in overeenstemming is met de genoemde uitspraken

Overigens heeft eiseres opgemerkt dat zij reeds deugdelijke privacyschermen heeft aangebracht bij de twee relevante balkons.

3. Ter zitting heeft eiseres haar beroepsgrond tegen het voorschrift onder a) ingetrokken.

4.1

Ten aanzien van het voorschrift onder b) heeft eiseres ter zitting toegelicht dat zij op zich geen moeite heeft met het verbinden van een aanvullend voorschrift aan de omgevingsvergunning voor het plaatsen van privacyschermen. Zij vindt echter dat het gekozen voorschrift te ver gaat, namelijk verder dan wat zij onderling met elkaar hadden afgesproken.

4.2

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het college bevoegd was om een voorschrift over het plaatsen van privacyschermen in het bestreden besluit op te nemen.

4.3

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) – voor zover van belang – is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

  1. het bouwen van een bouwwerk,

  2. […],

  3. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan,

  4. […].

In artikel 2.22, tweede lid, eerste volzin, van de Wabo is bepaald dat aan een omgevingsvergunning de voorschriften worden verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20.

4.4

Het besluit van 2 maart 2018 is op 20 december 2018 door de rechtbank weliswaar vernietigd, maar het college heeft alleen voor wat betreft de redelijke eisen van welstand de opdracht gekregen om een nieuw besluit te nemen. Voor wat betreft de aantasting van privacy en de toename van parkeerdruk zijn de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. Ten aanzien van de privacy heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van de privacy. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat is aangegeven dat de zijkanten van de balkons zouden worden voorzien van melkglas. De AbRS heeft die uitspraak bevestigd. Dat betekent dat het college aan het bestreden besluit slechts nog voorschriften mocht verbinden die nodig zijn in het belang van de redelijke eisen van welstand.

4.5

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 20 december 2018 overwogen dat de advisering van de Monumentencommissie geen blijk geeft van een motivering of inzicht in de reactie op de welstandsgrieven van de toenmalige appellanten. De rechtbank leidt uit de uitspraak en de stukken in het dossier af dat de welstandsgrieven destijds te maken hadden met het gevelaanzicht van het pand in relatie tot de karakteristiek van omliggende historische bebouwing. Het voorschrift onder b) daarentegen ziet op de balkons aan de achterzijde van het pand, en heeft met het gevelaanzicht dus niets te maken. Het voorschrift onder b) is dus niet in het belang van de redelijke eisen van welstand opgenomen.

4.6

Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college het voorschrift onder b) niet aan het bestreden besluit heeft mogen verbinden.

5.1

Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover dat betrekking heeft op het verbinden van het voorschrift onder b) aan het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het voorschrift onder b) in het bestreden besluit wordt vernietigd. In zoverre zal deze uitspraak in de plaats treden van het te vernietigen deel van het bestreden besluit.

Voor het overige is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.

5.2

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

5.3

De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,= (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,= en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep deels gegrond;

  • -

    vernietigt het aan het bestreden besluit verbonden voorschrift onder b);

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 345,= aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,=.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in tegenwoordigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 27 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

griffier de rechter is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.