Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1477

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6591
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BELEI

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Bergen op Zoom

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6591 BELEI

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam1] , eiser

gemachtigde: [plaatsnaam2] ,

en

de directie van FMMU Advies B.V. (FMMU), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 18 augustus 2019 (primaire besluit) heeft FMMU eisers aanvraag voor een hoog persoonlijk kilometer budget afgewezen.

In het besluit van 8 november 2019 (bestreden besluit) heeft FMMU het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

FMMU heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 5 maart 2020.

Hierbij waren namens eiser aanwezig zijn gemachtigde en [naam persoon] . Namens FMMU was mr. T.C. van Eck aanwezig.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser lijdt aan Lewy Body dementie. Verder lijdt hij aan incontinentie als gevolg van een carcinoom. Eiser beschikt over een Valys-pas, waarmee hij gebruik kan maken van taxivervoer voor mensen met een chronische ziekte of handicap en voor ouderen. Met deze pas kan hij op jaarbasis maximaal 700 kilometer met de taxi reizen tegen een tarief van

€ 0,20 per kilometer. Dit aantal kilometers is bedoeld als aanvulling op het openbaar vervoer.

In augustus 2019 heeft eiser bij FMMU een aanvraag ingediend voor een hoog persoonlijk kilometer budget (HPKB). In het primaire besluit heeft FMMU de aanvraag afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft FMMU het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.

Standpunt FMMU

2. FMMU stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een HPKB, omdat hij in staat moet worden geacht om met gebruikmaking van een hulmiddel

–een (elektrische) rolstoel of scootmobiel – in combinatie met assistentie van een begeleider per trein te kunnen reizen.

Standpunt eiser

3. Eiser voert, samengevat, aan dat hij naast de in bezwaar beschreven klachten de laatste tijd in extreme mate en op willekeurige momenten zeer frequent last heeft van een ernstige REM-slaapstoornis. Hierdoor valt hij te pas en te onpas in slaap en gaat hij actief dromen en hallucineren waardoor het niet meer verantwoord is om met de trein te reizen. Verder voert eiser aan dat wordt gesteld dat hij nog met begeleiding kan reizen, maar dat de door NS en ‘Valys Begeleid’ geboden opties geen veilige en reële opties voor hem zijn. De mogelijkheid om met een begeleider te reizen is niet realistisch. Eiser betreurt dat is nagelaten naar het totale ziektebeeld van Lewy Body te kijken en uitwerking van aan dementie en Parkinson gerelateerde klachten bij de beoordeling van het al dan niet begeleid kunnen reizen te betrekken.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank dient te beoordelen of FMMU de aanvraag voor een hoog persoonlijk kilometer budget op goede gronden heeft afgewezen.

5. FMMU beoordeelt aanvragen om toekenning van een hoog persoonlijk kilometer budget op grond van het Indicatieprotocol Hoog Persoonlijk Kilometer Budget (het Indicatie-protocol). Daarbij hanteert FMMU de volgende toekenningscriteria:

1. de aanvrager beschikt over een Wmo-vervoersvoorziening, een Wmo-rolstoel, scootmobiel of OV-begeleiderskaart en

2. moet gebruikmaken van een rolstoel of scootmobiel waarvan gewicht, en/of maatvoering in combinatie met de aanvrager zodanig is dat deze de grenzen van mogelijkheid tot hulpverlening door de NS overschrijden en/of

3. is door persoonsgebonden medische beperkingen van chronische aard vanuit strikt medische optiek niet in staat met de trein te reizen.

6. Namens eiser is in beroep en ter zitting aangevoerd dat de voorwaarden van het Indicatieprotocol wel heel streng zijn. Volgens eiser staat het Indicatieprotocol ver af van de realiteit. Het staat er aan in de weg dat personen die in de praktijk niet met het openbaar vervoer kunnen reizen, maar medisch gezien nog (net) wel in staat zijn reizen van langere afstand te maken om zo bijvoorbeeld familie te bezoeken, daartoe ook de financiële mogelijkheid krijgen.

De rechtbank ziet – hoe invoelbaar het beroep van eiser om naar de realiteit van alle dag te kijken ook is – in de regelgeving en rechtspraak daarover geen ruimte om aan het pleidooi van eiser tegemoet te komen. Het Indicatieprotocol is al meerdere malen ter discussie gesteld in procedures. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft dit systeem geaccepteerd. Volgens de inmiddels vaste jurisprudentie van de CRvB gaan de in het Indicatieprotocol neergelegde toetsingscriteria de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Dit heeft de CRvB overwogen in bijvoorbeeld de uitspraken van 13 juni 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW8656), 21 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1189) en 15 augustus 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2554).

De rechtbank zal bij de toetsing van het bestreden besluit dus uitgaan van de in overweging 5 vermelde criteria.

7. Eiser stelt dat FMMU de combinatie van symptomen die samenhangen met Lewy Body dementie niet voldoende heeft onderkend; er is niet naar het totale ziektebeeld gekeken. Hij heeft gewezen op de symptomen die samenhangen met deze ziekte. Zo heeft hij veel last van duizelingen, waardoor ‘transities’ – overgangen van staan naar zitten – gevaarlijk zijn, hallucineert hij af en toe, vergeet hij spullen in de trein, kan hij zich niet goed verstaanbaar maken, kan hij het toilet in de trein niet tijdig bereiken en is het moeilijk om adequaat te reageren op nieuwe en onverwachte situaties. Op 24 februari 2020 heeft eiser ter ondersteuning van zijn standpunt informatie van zijn behandelaars toegestuurd. Dit betreft informatie van de casemanager dementie, klinisch geriater en geriatrie fysiotherapeut.

De rechtbank volgt niet het standpunt van eiser dat FMMU zijn klachten en beperkingen heeft onderschat. FMMU heeft zorgvuldig onderzoek verricht naar de medische beperkingen van eiser en heeft uit mogen gaan van de bevindingen van dit onderzoek. Omdat eiser de medische stukken van zijn behandelaars pas vlak voor de zitting heeft toegestuurd, heeft de arts van FMMU voor de zitting niet schriftelijk op deze stukken kunnen reageren. Namens FMMU is ter zitting gezegd dat deze informatie het standpunt van FMMU niet wijzigt. Ter zitting is de schriftelijke reactie overgelegd. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat FMMU een volledig beeld had van de ziektebeelden van eiser. FMMU heeft zich op grond van de beschikbare informatie op het standpunt kunnen stellen dat eiser met behulp van een hulpmiddel zoals een rolstoel en een persoonlijke begeleider nog met de trein moet kunnen reizen. Een rolstoel zou het valgevaar kunnen ondervangen en een persoonlijk begeleider kan niet alleen eiser ondersteunen, maar ook het woord voeren jegens bijvoorbeeld medewerkers van de NS. Zowel de casemanager als de klinisch geriater spreken zich alleen uit over de onmogelijkheid om zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen, maar geven niet aan dat eiser ook met een persoonlijke begeleider niet met de trein kan reizen. De fysiotherapeut is weliswaar wat uitgesprokener – zij zegt: “Reizen met het openbaar vervoer met of zonder extra hulpmiddelen van de ns is voor deze kwetsbare meneer met veel comorbiditeit niet verantwoord” – maar ook zij zegt niet expliciet dat reizen met een hulpmiddel en een persoonlijke begeleider vanuit medisch oogpunt niet mogelijk is.

FMMU stelt zich terecht op het standpunt dat het HPKB alleen bestemd is voor pashouders van een Valyspas die door ergonomische belemmeringen dan wel chronische medische toetsbare beperkingen niet met de trein kunnen reizen en ook zelf geen ander vervoersalternatief hebben. Daarbij kunnen feitelijke en omgevingsgebonden factoren geen rol spelen. In het Indicatieprotocol is bewust gekozen voor zo objectief mogelijke indicatie-criteria (Brief staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 februari 2004, Kamerstukken II 29200 XVI, nr. 184). Dat betekent dat het op zich voorstelbaar is dat het in de praktijk lastig is om een geschikte begeleider te vinden en eiser er om therapeutische redenen voor kiest om geen gebruik te maken van een rolstoel, maar dat de regelgever er bewust voor heeft gekozen om dergelijke omstandigheden buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van een aanvraag. Met betrekking tot de beschikbaarheid van een begeleider heeft de CRvB al eerder geoordeeld dat het, gezien de beperkte strekking van het Indicatie-protocol, op de weg van de pashouder zelf ligt om te zorgen voor een begeleider, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 9 december 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK591).

Conclusie

8. De rechtbank concludeert dat de beroepsgronden van eiser niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is dus ongegrond.

9. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van W.J. Steenbergen, griffier, op 27 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.