Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1472

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3570
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/3570 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] (eiser) en [naam eiseres] (eiseres), te [plaatsnaam]

gemachtigde: mr. R.E. Temmen,

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 2 november 2018 (primair besluit) heeft het college de bijstandsuitkering over de periode van 10 september 2016 tot en met 18 augustus 2017 ingetrokken en teruggevorderd.

In het besluit van 3 juni 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 29 januari 2020. Hierbij waren aanwezig eiseres, haar gemachtigde en namens het college drs. C.G.M.E. Poppe.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Eisers hebben over de periode van 25 februari 2015 tot en met 18 augustus 2017 een bijstandsuitkering ontvangen naar de norm van gehuwden op grond van de Participatiewet. De uitkering is per 18 augustus 2017 ingetrokken omdat eisers als gevolg van een woningbrand niet meer op het uitkeringsadres in [plaatsnaam2] woonachtig waren.

Na een melding van de politie dat in de woning van eisers een hennepkwekerij is aangetroffen, is het college op 28 augustus 2017 een onderzoek gestart naar hun recht op bijstand. In het kader van dat onderzoek heeft de sociale recherche kennis genomen van de uitspraak van de politierechter, de proces-verbalen van het verhoor, informatie van de RDW en heeft op 17 november 2017 een gesprek met eiser plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 12 december 2017. De rapporteur heeft op basis van de bevindingen van het onderzoek geconcludeerd dat eisers in hun woning een hennepkwekerij hebben gehad zonder dit bij het college te melden. Het is aannemelijk dat de kweek in week 43 van 2016 is begonnen. Eisers hebben geen concrete verifieerbare gegevens verstrekt over de aanvang van de kwekerij, noch hebben zij een boekhouding van hun inkomsten daaruit bijgehouden. Bij uitblijven van duidelijke gegevens, gaat de rapporteur uit van een termijn van twee weken voor het inrichten van de kwekerij zodat de schending van de inlichtingenplicht is aangevangen in week 41 van 2016, 10 oktober 2016. Dit betekent dat het recht op bijstand over de periode van 10 oktober 2016 tot en met 9 februari 2017 niet kan worden vastgesteld. Ook is gebleken dat eisers op 10 september 2016 een Mercedes Benz met kenteken [kenteken] hebben aangeschaft zonder dit te melden. De veronderstelde waarde van de auto in december 2017 rechtvaardigt het vermoeden dat de auto in 2016 boven de grens van het vrij te laten vermogen uitkwam. Aangezien controleerbare gegevens over de waarde van de auto ontbreken kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld over de periode van 10 september 2016 tot de datum beëindiging bijstand op 18 augustus 2017.

In het besluit van 2 november 2018 (primair besluit) heeft het college de uitkering met terugwerkende kracht, over de periode van 10 september 2016 tot en met 18 augustus 2017 ingetrokken en teruggevorderd. Primair wegens het schenden van de inlichtingenplicht in verband met de aanschaf van de Mercedes Benz met kenteken [kenteken] , waardoor het recht over voornoemde periode niet is vast te stellen. Secundair wegens de schending van de inlichtingenplicht in verband met het hebben van een hennepkwekerij over de periode 10 oktober 2016 tot en met 9 februari 2017.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eisers onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie, ongegrond verklaard.

2. In geschil is de intrekking en terugvordering van de uitkering over de periode van 10 september 2016 tot en met 18 augustus 2017 (de periode in geding).

3. Wettelijk kader

In artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

In artikel 54, derde lid, van de Participatiewet is bepaald dat het college een besluit tot toekenning van bijstand intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand.

In artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet is bepaald dat het college de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

In het achtste lid is bepaald dat het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4. Eisers hebben aangevoerd dat hun bijstandsuitkering ten onrechte is ingetrokken en teruggevorderd. Op het moment van het nemen van de het besluit waren eisers niet onherroepelijk veroordeeld ten aanzien van de hennepkwekerij. Bovendien hebben zij met de hennepkwekerij amper inkomsten genoten. De kwekerij is slechts korte tijd in de woning aanwezig geweest en zij hebben daaruit vrijwel geen inkomsten gehad. Dit blijkt ook uit het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch in de strafzaak. Dit maakt dat er geen inlichtingenverplichting was, zodat van schending daarvan geen sprake is. Ook voor wat betreft de auto hadden eisers van de gemeente begrepen dat een dergelijke oude auto, die slechts zeer geringe waarde vertegenwoordigt, niet hoefde te worden gemeld. Het gerechtshof heeft vastgesteld dat de Mercedes Benz een waarde vertegenwoordigt van € 8.000,-, wat binnen het vrij te laten vermogen van € 11.800,- valt. Verder is de gehanteerde intrekkingsperiode niet juist, nu het gerechtshof voor wat betreft de hennepkwekerij uitgaat van een startdatum van 10 november 2016 en een einddatum van 9 februari 2017.

5. Oordeel van de rechtbank

5.1

Het college heeft bij het bestreden besluit de intrekking met terugwerkende kracht en de terugvordering van de uitkering van eisers gehandhaafd wegens schending van de inlichtingenplicht in verband met:

1. het niet melden van een hennepkwekerij op het uitkeringsadres en

2) de aanschaf en vervolgens in eigendom hebben van een Mercedes Benz.

Daarnaar gevraagd ter zitting heeft de gemachtigde van het college verklaard dat beide schendingen van de inlichtingenplicht (nevengeschikt) aan het bestreden besluit ten grondslag liggen.

5.2

Het besluit tot herziening, intrekking en terugvordering van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te verzamelen. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat over de gehele periode in geding aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college aan die bewijslast voldaan.

5.3

De Mercedes Benz

Niet in geschil is dat de auto met kenteken [kenteken] op 10 september 2016 op naam van eiser is gekomen en dat eisers hiervan geen melding hebben gemaakt bij het college. De rechtbank stelt daarbij voorop dat auto’s als bezittingen gelden die meetellen voor de vermogensvaststelling en daarmee van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Eisers hebben aangevoerd van mening te zijn dat de waarde van auto zodanig gering is dat een melding over de aanschaf ervan niet nodig was omdat dit geen invloed zou hebben op hun recht op bijstand. De rechtbank volgt eisers hierin niet. Los van de vraag wat de precieze waarde van de auto is (waarbij verweerder uitgaat van een bedrag tussen de € 8.950,- en
€ 9.550,- op grond van het rapport van de sociaal rechercheur en eisers uitgaan van een bedrag van € 8.000,- in navolging van het gerechtshof), is onduidelijk gebleven hoe eisers de aanschaf van de auto hebben gefinancierd. Eiser heeft op 17 november 2017 verklaard niet meer te weten wat de auto gekost heeft, dat hij hiervoor geld heeft geleend bij een kennis van de familie maar dat van die lening geen geldleenovereenkomst is opgesteld, en dat hij na de aanschaf van de auto geld overhield voor de aanschaf van spullen voor de hennepkwekerij. Met het college is de rechtbank van oordeel dat de aanschaf van de Mercedes Benz en de vragen die zijn blijven bestaan over de financiering daarvan maken dat het recht op bijstand met ingang van 10 september 2016 niet kan worden vastgesteld. Immers is niet duidelijk wat eisers’ financiële situatie op dat moment was en of zij (nog) in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.

5.4

De hennepkwekerij

Niet in geschil is dat op 9 februari 2017 in de woning van eisers op het uitkeringsadres een hennepkwekerij is aangetroffen en dat eisers daarvan geen melding hebben gemaakt bij het college. Uit de stukken blijkt (en niet in geschil is) dat er twee kweekruimtes in de woning aanwezig waren. In kweekruimte A stonden 121 redelijk grote planten en in kweekruimte B stonden 80 hennepplanten van een paar weken oud. Eiser heeft zelf verklaard dat er eerder ook een mislukte oogst was geweest. Verweerder heeft op grond van de verklaringen van eiser en het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerijen onder kunstlicht’ geconcludeerd dat eiser op 10 oktober 2016 is aangevangen met de voorbereidingshandelingen voor de kwekerij.

De rechtbank overweegt dat de exploitatie van de hennepkwekerij in de woning een omstandigheid is waarvan het eisers redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze van invloed kon zijn op (de omvang van) het recht op bijstand. Door daarvan geen melding te maken bij verweerder hebben eisers de op hen rustende inlichtingenplicht geschonden. Schending van de inlichtingenverplichting levert op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een rechtsgrond op voor intrekking van bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan eisers aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand hebben gehad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2346). Eisers hebben in dit kader aangevoerd met de kwekerij amper inkomsten te hebben genoten, zodat er geen aanleiding was voor het intrekken van de bijstand. De rechtbank volgt eisers hierin niet. Een aan de strafrechtspraak ontleende theoretische berekening van de opbrengst van een hennepkwekerij op basis van het aantal gerealiseerde oogsten kan niet in de plaats treden van het ontbreken van een deugdelijke administratie en boekhouding met betrekking tot de exploitatie van een kwekerij, omdat die berekening op een aantal aannames en schattingen berust en niet op feitelijke en controleerbare gegevens over de inkomsten van de kwekerij. Aangezien eisers geen verifieerbare gegevens, zoals een administratie, hebben overgelegd over de exploitatie van de hennepkwekerij, heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat niet kan worden vastgesteld of eisers in de geding zijnde periode recht op bijstand zouden hebben gehad als zij de inlichtingenverplichting wel waren nagekomen. Verweerder was dan ook gehouden om met toepassing van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet, de uitkering in te trekken.

Wat eisers hebben aangevoerd over de door het college gehanteerde aanvangsdatum van de kwekerij kan onbesproken blijven, gelet op het feit dat hiervoor onder 5.3 reeds is geoordeeld dat het recht op bijstand vanaf 10 september 2016 niet kan worden vastgesteld in verband met de aanschaf van de Mercedes Benz.

5.5

Terugvordering

Dit betekent dat verweerder gehouden was het recht op bijstand over de periode van

10 september 2016 tot 18 augustus 2017 in te trekken en tevens om de over die periode gemaakte kosten van bijstand, namelijk € 18.259,67 van eisers terug te vorderen. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat er dringende redenen zijn die maken dat het college van de terugvordering af zou moeten zien. Zo heeft zij een auto-immuunziekte en reuma en heeft deze kwestie daar veel invloed op. Als de stress hoog wordt, slaat het op haar lichaam. Ook is het financieel moeilijk nu zij momenteel moeten leven van het inkomen van eiser.

De rechtbank overweegt dat dringende redenen om van terugvordering af te zien (als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet) slechts kunnen zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor betrokkenen. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in wat eisers hebben aangevoerd geen dringende redenen zijn gelegen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering voor hun tot onaanvaardbare gevolgen leidt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Sambeek, griffier, op 27 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.