Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1467

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
AWB - 18_8600, 18_8804 en 20_248
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WATER

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 18/8600 WATER, 18/8804 WATER en 20/248 WATER

uitspraak van 27 maart 2020 van de meervoudige kamer in de zaken tussen

1. [naam eiseres1]te [plaatsnaam1] , eiseres sub 1;

2. [nam eiser] , eiser sub 2,

gemachtigde: mr. K.M. Moeliker;

3. [naam eiseres2]te [plaatsnaam2] , eiseres sub 3

en

het dagelijks bestuur van waterschap Scheldestromen, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde partij] , te [plaatsnaam] ,

gemachtigde: mr. J.M. van Koeveringe-Dekker.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de afzonderlijke besluiten van verweerder van 14 november 2018 respectievelijk 21 november 2018 (bestreden besluiten), inzake de beslissing op hun bezwaren tegen het verlenen van een tijdelijke ontheffing en een watervergunning aan derde partij voor het asfalteren van een deel van de Nieuwehovendijk te Nieuwvliet en het maken van een oprit van de Nieuwehovendijk naar het bouwterrein van Noordzee Beach Village achter de Zeekraalstraat.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 14 februari 2020. Eiseres sub 1 is verschenen. Eiser sub 2 en eiseres sub 3 zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.C. Wolters, [naam vertegenwoordiger1] en [naam vertegenwoordiger2] . Derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigden mr. J.M. van Koeveringe-Dekker en [naam vertgenwoordiger] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Derde partij heeft op 28 februari 2018 een aanvraag ingediend voor een ontheffing van de Keur wegen waterschap Scheldestromen 2011 (hierna: de Keur) voor het asfalteren van een tijdelijke toegangsweg over een nader aangeduid deel van de Nieuwehovendijk te Nieuwvliet en voor het maken van een tijdelijke oprit naar het bouwterrein.

Voor deze activiteiten heeft derde partij op 28 februari 2018 tevens verzocht om een watervergunning.

Bij afzonderlijke besluiten van 16 mei 2018 heeft verweerder de gevraagde watervergunning en een tijdelijke ontheffing van de Keur met einddatum 31 december 2022 verleend. Deze besluiten hebben betrekking op het kadastrale perceel Nieuwehovendijk, Oostburg 00, sectie V, nummer 960.

Eisers hebben elk een recreatiewoning aan de Zeekraalstraat en deze straat ontsluit op de Nieuwehovendijk. Zij hebben bezwaar gemaakt tegen het verlenen van de ontheffing en de vergunning.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder, onder verbetering van de motivering, de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

2.1

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Keur geschiedt het afwijzen, wijzigen of intrekken van een ontheffing op grond van deze verordening, dan wel het verbinden van voorschriften aan een dergelijke ontheffing, in het belang van:

a. het verzekeren van de veiligheid van de weggebruikers;

b. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

c. het voorkomen of beperken van aantasting van op de weg aanwezige beplanting en andere vegetatie;

d. het verzekeren van mogelijkheden voor de uitvoering van onderhoud en voor uitbreiding of reconstructie van de weg.

2.2

Het toetsingskader voor het verlenen of weigeren van een watervergunning is neergelegd in, zakelijk weergegeven, artikel 2.1 van de Waterwet en in het door verweerder gehanteerde ‘Vergunningenbeleid waterkeringen 2012’.

In artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet is bepaald dat de toepassing van deze wet is gericht op:

a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met

b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en

c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

Voorts heeft verweerder in het ‘Vergunningenbeleid waterkeringen 2012’ uitgewerkt hoe hij vergunningaanvragen die zien op werkzaamheden in, op of nabij waterkeringen op grond van de Keur watersystemen beoordeelt. In dit beleid is als uitgangspunt opgenomen dat het functioneren van de waterkering volgens gestelde veiligheidseisen nu en in de toekomst niet wordt belemmerd, dat het beheer en onderhoud van de waterkering niet mag worden belemmerd en de kosten van beheer niet onevenredig mogen toenemen.

3. Eisers hebben inzake de verleende ontheffing aangevoerd dat het gebruik van de dijk als bouwroute leidt tot verkeersonveiligheid omdat dit gebruik niet samengaat met het gebruik dat wandelaars en fietsers van de dijk maken. Volgens hen zou daarom een alternatieve bouwroute aangewezen moeten worden. Voorts hebben eisers sub 2 en sub 3 inzake de verleende watervergunning betoogd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het vervangen van klinkers door asfalt slechts een geringe invloed heeft op de regionale waterkering. Daarnaast heeft eiseres sub 1 in dit verband betoogd dat het waterbergend vermogen afneemt omdat de oprit naar het bouwterrein de ter plaatse aanwezige sloot afsluit.

4.1

De rechtbank overweegt dat verweerder heeft gekeken naar de onderlinge afstand tussen uitwegen, zichthoeken en de verkeersveiligheid in het algemeen. Daarbij heeft verweerder onderkend dat de werkzaamheden invloed hebben op de verkeersveiligheid. Dat heeft geleid tot het verbinden van voorschriften aan de ontheffing, waaronder het verplicht inzetten van verkeersregelaars tijdens drukke periodes en het verplicht herstellen van (berm)schade binnen 24 uur. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de veiligheid van de weggebruikers niet noopt tot het weigeren van de ontheffing. Gegeven dit oordeel over het aanleggen van de oprit én het vervolgens asfalteren van de oprit en een deel van de Nieuwehovendijk, kan niet gezegd worden dat verweerder gehouden was om mee te denken over een alternatieve route voor het bouwverkeer naar het bouwterrein.

4.2

Anders dan eisers sub 2 en sub 3 is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat het vervangen van klinkers door asfalt slechts een geringe invloed heeft op de regionale waterkering. In reactie op dit bezwaar heeft verweerder aangegeven dat vaktechnische medewerkers van de afdeling Waterkeringen door middel van sterkteberekeningen hebben vastgesteld dat nog steeds sprake is van een gesloten dijk en dat de invloed van deze ingreep zeer gering is. Op grond van deze motivering heeft verweerder het standpunt kunnen innemen dat de veiligheid, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de dijk gewaarborgd blijven. De stelling van eiseres sub 1 dat de sloot wordt afgesloten, mist feitelijke grondslag. Ter zitting heeft derde partij uiteengezet dat onder de oprit een duiker in de sloot is geplaatst waardoor ook het waterbergend vermogen is gewaarborgd.

4.3

De overige door eisers aangevoerde beroepsgronden hebben geen betrekking op de hiervoor in rechtsoverwegingen 2.1 en 2.2 neergelegde toetsingscriteria en kunnen daarom geen gewicht in de schaal leggen bij de afweging of verweerder de gevraagde ontheffing en vergunning heeft kunnen verlenen.

5. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een rechtsgrond om de ontheffing en/of de vergunning te kunnen weigeren. De beroepen van eisers zullen daarom ongegrond verklaard worden.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzitter, en mr. L.P. Hertsig en mr. V.E.H.G. Visser, leden, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 27 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.