Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1466

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
AWB - 17_5597
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VEROR

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/5597 VEROR

uitspraak van 27 maart 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. T.N. Sanders,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde partij] , te [plaatsnaam] .

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 27 juni 2017 van het college inzake een vijftiental verleende vergunningen voor het innemen van een ligplaats in de Binnenhaven van Vlissingen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 19 december 2018.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger eiseres1] en [vertegenwoordiger eiser2] , bijgestaan door gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger verweerder] en mr. M.A.M. de Baar. Derde partij heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting heropend teneinde het college de gelegenheid te bieden om te reageren op de door de rechtbank in de beslissing 5 februari 2019 gestelde vragen. Op 6 maart 2019 heeft het college de vragen van de rechtbank beantwoord. Op 28 maart 2019 heeft eiseres hierop gereageerd. Op verzoek van de rechtbank heeft het college op 9 oktober 2019 gereageerd op de reactie van eiseres van 28 maart 2019.

Op 14 februari 2020 heeft de rechtbank het beroep op een nadere zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen [vertegenwoordiger eiseres1] en [vertegenwoordiger eiser2] , bijgestaan door gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen [vertegenwoordiger verweerder] en

mr. M.A.M. de Baar. Derde partij heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 2 november 2015 heeft eiseres verzocht om een permanente ligplaats aan de [naam ligplaats] in de binnenhaven van Vlissingen voor het schip “ [naam schip] ”. Op 4 januari 2016 heeft eiseres de aanvraag van 2 november 2015 uitgebreid een het college verzocht om – naast de aangevraagde ligplaats aan de [naam ligplaats] – een permanente ligplaatsvergunning voor de “ [naam schip] ” in het beheersgebied van de Havenverordening Vlissingen 2009 (de Havenverordening), dan wel de gehele binnenhaven van Vlissingen voor de maanden oktober tot en met april van ieder jaar met ingang van het jaar 2016. Bij besluit van 8 april 2016 heeft het college de gevraagde ligplaatsvergunning geweigerd. Het bezwaar van eiseres tegen dit besluit heeft het college bij besluit van 17 oktober 2016 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 juni 2017 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 oktober 2016 ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBZWB:2017:3939). Op 18 juli 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) de uitspraak van de rechtbank van 29 juni 2017 bevestigd (ECLI:NL:RVS:2018:2434).

Op 1 augustus 2016 heeft het college aan [naam vergunninghouder1] , [naam vergunninghouder2] , [naam vergunninghouder3] , [naam vergunninghouder4] , [naam vergunninghouder5] , [naam vergunninghouder6] , [naam vergunninghouder7] , [naam vergunninghouder8] , [naam vergunninghouder9] , [naam vergunninghouder10] , [naam vergunninghouder11] , [naam vergunninghouder12] , [naam derde partij] en [naam vergunninghouder13] het voornemen kenbaar gemaakt om ambtshalve tot vergunningverlening ten behoeve van een ligplaats in de Binnenhaven van Vlissingen over te gaan.

Bij besluiten van 15 november 2016 (primaire besluiten) heeft het college de voorgenomen besluiten omgezet in definitieve besluiten en voor de periode van 15 november 2015 tot en met 31 oktober 2016 en de periode van 1 mei 2017 tot en met 30 juni 2017 aan [naam vergunninghouder1] , [naam vergunninghouder2] , [naam vergunninghouder3] , [naam vergunninghouder4] , [naam vergunninghouder5] , [naam vergunninghouder6] , [naam vergunninghouder7] , [naam vergunninghouder8] , [naam vergunninghouder9] , [naam vergunninghouder10] , [naam vergunninghouder11] , [naam vergunninghouder12] , [naam derde partij] en [naam vergunninghouder13] (hierna: vergunninghouders) vergunning verleend voor het innemen van een ligplaats in de Binnenhaven van Vlissingen. Tegen deze besluiten heeft eiseres op 23 november 2016 bezwaar gemaakt.

Bij het besluit 27 juni 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft de vermelding van de naam van het schip, de lengte van het schip en de exacte situering van de ligplaats in de vergunning. Voor wat betreft de aan de [naam derde partij] verleende vergunning is het niet mogelijk om de naam en lengte van het schip in de vergunning te vermelden. Voor het overige heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Verder heeft het college bij het bestreden besluit de geldigheid van de aan [naam vergunninghouder1] , [naam vergunninghouder3] , [naam vergunninghouder5] , [naam derde partij] en [naam vergunninghouder13] verleende vergunningen verlengd tot 1 januari 2018. Tegen dit besluit heeft eiseres op 3 augustus 2017 beroep ingesteld.

2. Eiseres heeft, samengevat, aangevoerd dat een ligplaatsvergunning een schaarse vergunning is en de Havenverordening geen geschikte procedure bevat om schaarse vergunningen te verdelen. Daarnaast stelt eiseres dat de Havenverordening geen grondslag bevat voor de ambtshalve verlening van ligplaatsvergunningen. Verder beschikken vergunninghouders niet over ‘oudere rechten’ die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de aanvraag. Tevens heeft het college geen, althans onvoldoende rekening gehouden met haar belangen. Haar aanvragen zijn van een eerdere datum en daarom had aan haar ook een ligplaatsvergunning verleend moeten worden, aldus eiseres.

3. Ingevolge artikel 1.3 van de Havenverordening kan het college vergunningen en toestemmingen verlenen alsmede aanwijzingen doen en/of geven en aan deze vergunningen, toestemmingen of aanwijzingen in de zin van artikel 9.1 beperkingen en voorschriften verbinden. De beperkingen en voorschriften mogen slechts strekken tot bescherming van het belang in verband waarmede de vergunning, toestemming of aanwijzing is vereist.

In het tweede lid is bepaald dat toestemmingen worden verleend voor een eenmalige gedraging of handeling. Vergunningen worden verleend voor een geldigheidsduur van ten hoogste 24 maanden; het college kan de geldigheidsduur telkens verlengen met ten hoogste 24 maanden.

Artikel 2.2 van de Havenverordening bepaalt:

1. Het is verboden met een schip ligplaats te nemen of zich met het schip op een ligplaats te bevinden, tenzij dit geschiedt in een geval als hierna bedoeld

a. in overeenstemming met ter plaatse aangebrachte, in artikel 2.1 bedoelde, tekens en nadere aanduidingen;

b. met uitdrukkelijke instemming van de eigenaar, huurder of erfpachter van een aan de ligplaats gelegen terrein;

c. met toestemming van het college.

2. Het college kan bij de in het eerste lid, onder c, bedoelde toestemming aanvullende voorwaarden verbinden.

3. Het college kan in afwijking van het eerste lid, onder b, het nemen of houden van ligplaats verbieden uit het oogpunt van orde, ordening, veiligheid of milieubelangen.

4.1

Voordat de rechtbank toe kan komen aan een inhoudelijke behandeling van het beroep, moet eerst worden vastgesteld of eiseres voldoende procesbelang heeft.

4.2

Volgens vaste rechtspraak van de AbRS (zie o.a. ECLI:NL:RVS:2018:1796) is de bestuursrechter alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen als dit van betekenis is voor het geschil over een besluit van een bestuursorgaan. Daarbij geldt dat het doel dat eiseres voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor haar feitelijk van betekenis moet zijn.

4.3

De rechtbank stelt vast dat de bij besluit van 15 november 2016 door het college verleende vergunningen respectievelijk op 1 juli 2017 en 1 januari 2018 zijn geëxpireerd. Eiseres kan derhalve thans niet meer bewerkstellingen wat zij met het instellen van het beroep heeft beoogd, namelijk de intrekking van de verleende vergunningen.

4.4

In deze situatie kan er toch nog belang voor eiseres bij dit beroep bestaan als eiseres tot op zekere hoogte aannemelijk maakt dat zij materiële en/of immateriële schade heeft geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming. Daarin is eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De rechtbank acht hierbij van belang dat de door eiseres gestelde schade niet het gevolg is van de door het college voor de periode van 15 november 2015 tot en met 31 oktober 2016 en de periode van 1 mei 2017 tot en met respectievelijk 30 juni 2017 en 1 januari 2018 (relevante periode) verleende vergunningen, maar uitsluitend het gevolg kan zijn van het besluit van het college van 8 april 2016. Bij dat besluit heeft het college immers geweigerd om aan eiseres voor de relevante periode een ligplaatsvergunning te verlenen. Door de uitspraak van AbRS van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2434) staat echter in rechte vast dat het college rechtmatig heeft geweigerd om aan eiseres een liglaatsvergunning voor de relevante periode te verlenen, zodat van een onrechtmatig besluit geen sprake is.

4.5

Nu uit het voorgaande volgt dat de geldigheidsduur van de 15 verleende vergunningen is geëxpireerd en eiseres als gevolg van de besluitvorming inzake de 15 verleende vergunningen geen schade heeft geleden, is er geen procesbelang. Dat wellicht één of meer van de 15 verleende vergunningen onrechtmatig is verleend maakt dat niet anders. Gelet hierop dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

5. Eiseres heeft ter zitting verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

6. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van de CRvB van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

7. Gerekend van (de ontvangst van) het bezwaarschrift van 23 november 2016 tot de datum van deze uitspraak zijn meer dan twee jaar verstreken. De rechtbank heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van eiseres aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar (zijnde een half jaar voor de behandeling van het bezwaar plus anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep) zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve op 23 november 2018 overschreden. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak zijn drie jaar en 4 maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met 1 jaar en 4 maanden is overschreden. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase heeft plaatsgevonden moet deze volledig aan de Staat der Nederlanden worden toegerekend.

8. De rechtbank zal, uitgaande van het forfaitaire tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.500,- aan eiseres als vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade. De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding dan ook tot dat bedrag toewijzen.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

-veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eiseres van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van W.J. Steenbergen, griffier, op 27 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.