Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1464

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
BRE 18/ 8322
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 34 Wet MRB, artikel 26a Uitvoeringsbesluit MRB

Gebruik van de Nederlandse weg met een voertuig met buitenlands kenteken.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende slaagt niet in het leveren van tegenbewijs. Beroep op veertiendagenvrijstelling slaagt niet omdat niet is voldaan aan de voorwaarden. Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwd waar schending van Unierecht uit zou bestaan. Geen strijd met Unierechtelijk verdedigingsbeginsel of algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechtbank oordeelt dat de verzuimboete passend en geboden is.

Wetsverwijzingen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/1074
NTFR 2020/1309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 18/8322

uitspraak van 27 maart 2020

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 2 november 2018 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (mrb) (aanslagnummer [aanslagnummer].Y.6.90001) (hierna: de naheffingsaanslag) en de daarbij gelijktijdig opgelegde boetebeschikking (hierna: de verzuimboete).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2020 te Eindhoven.

Aldaar zijn verschenen en gehoord de advocaat van belanghebbende, mr. R.L.G.J. Eikelboom, verbonden aan Advocatenkantoor Eikelboom te Maastricht, en namens de inspecteur [inspecteur].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende staat volgens de Basisregistratie personen (Brp) sinds 26 september 1990 ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats].

2.2.

Bij een controle op 28 juli 2017 omstreeks 12:00 uur is geconstateerd dat belanghebbende als bestuurder van het motorrijtuig van het merk Volkswagen en type Golf GTD met het Belgische kenteken [kenteken] (hierna: de auto) gebruik maakte van de openbare weg in Nederland. Voor de auto was geen Nederlandse motorrijtuigenbelasting betaald.

2.3.

De auto staat vanaf 26 juli 2016 op naam van [de vader], de vader van belanghebbende, die volgens de Brp op hetzelfde woonadres in Nederland als belanghebbende staat ingeschreven.

2.4.

Met dagtekening 19 januari 2018 is aan belanghebbende de vooraankondiging naheffingsaanslag/boetebeschikking motorrijtuigenbelasting verzonden. Hierop is niet gereageerd door belanghebbende. Vervolgens heeft de inspecteur met dagtekening 19 maart 2018 de naheffingsaanslag en de verzuimboete opgelegd. De naheffingsaanslag is opgelegd over de periode 26 juli 2016 tot en met 27 juli 2017. De nageheven belasting bedraagt € 1.246 en de verzuimboete bedraagt (eveneens) € 1.246 (100%). In de uitspraak op bezwaar met dagtekening 2 november 2018 heeft de inspecteur de verzuimboete verminderd tot € 124 (10%).

2.5.

Tussen partijen is in geschil of aan belanghebbende de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht en zo ja tot het juiste bedrag zijn opgelegd. Belanghebbende is van mening dat de naheffingsaanslag en verzuimboete ten onrechte zijn opgelegd. De inspecteur meent dat de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

Ten aanzien van de naheffingsaanslag.

2.6.

Voor de beoordeling van een naheffingsaanslag op grond van artikel 34 van de Wet op de Mrb 1994 (de Wet Mrb) moeten diverse stappen worden doorlopen, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483.

Is sprake van een belastbaar feit?

2.7.

Vast staat dat belanghebbende op 28 juli 2017 – als bestuurder – met de auto gebruik heeft gemaakt van de Nederlandse weg. Belanghebbende is verder in de Brp ingeschreven op een Nederlands adres en heeft geen mrb betaald voor de auto. Op basis van deze feiten is het opleggen van de naheffingsaanslag als uitgangspunt terecht op grond van artikel 34 van de Wet Mrb.

Is de berekeningsperiode juist?

2.8.

Op grond van artikel 34, tweede lid van de Wet Mrb vangt de periode waarover mrb kan worden nageheven aan met ingang van de dag waarop de houder als ingezetene is ingeschreven in de Brp en eindigt de dag voorafgaand aan de constatering (de berekeningsperiode). De naheffingsaanslag heeft betrekking op de periode van 26 juli 2016 tot en met 27 juli 2017. Deze periode is gelet op de wettelijke periode van naheffing niet te lang. Wel heeft belanghebbende de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat het motorrijtuig hem op een latere datum feitelijk voor het eerst ter beschikking stond en dat in tussenliggende tijdvakken de auto hem feitelijk niet ter beschikking heeft gestaan.

2.9.

Belanghebbende meent dat de periode van naheffing te lang is omdat sprake is van incidenteel en kortstondig gebruik aangezien hij de auto van zijn vader had geleend. Naar het oordeel van de rechtbank maakt belanghebbende daarmee niet aannemelijk dat de auto hem niet eerder feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Met de Wet Mrb wordt beoogd de persoon te belasten die een motorrijtuig feitelijk en niet geheel voorbijgaand ter beschikking heeft (zie Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483, r.o. 5.1.9). Uit het mutatierapport van de landelijke eenheid politie volgt dat belanghebbende in de periode van 14 maart 2017 tot en met 28 juli 2017 vijf maal als bestuurder van de auto van de Nederlandse weg gebruik heeft gemaakt. De rechtbank heeft geen reden om aan deze rapportage te twijfelen. Daaruit volgt dat niet aannemelijk is dat sprake is van incidenteel gebruik bij de constatering van het gebruik op 28 juli 2017, aangezien belanghebbende de auto meerdere malen ter beschikking heeft gehad in de periode van naheffing. De stelling dat het gebruik steeds kortstondig is geweest, leidt ook niet tot een ander oordeel omdat de mrb een houderschapsbelasting betreft waarbij het daadwerkelijke gebruik niet ter zake doet. Overige feiten en omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat de auto pas later dan 26 juli 2016 of niet in tussenliggende periodes aan belanghebbende feitelijk ter beschikking heeft gestaan, zijn niet gesteld laat staan aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de berekeningsperiode te verkorten.

Bestaat recht op een vrijstelling?

2.10.

Belanghebbende doet verder een beroep op de vrijstellingsregeling van artikel 73 van de Wet Mrb in verbinding met artikel 26a van het Uitvoeringsbesluit Mrb 1994 (het Uitvoeringsbesluit Mrb). Deze vrijstelling houdt in dat voor motorrijtuigen met een buitenlands kenteken, onder voorwaarden, een vrijstelling mrb van ten hoogste twee weken wordt verleend (de tweewekenregeling). Aan deze vrijstelling is onder andere de voorwaarde verbonden dat het gebruik van de auto op de Nederlandse weg voorafgaand wordt gemeld (artikel 26a, eerste lid, onderdeel c van het Uitvoeringsbesluit Mrb). Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij een dergelijke melding niet heeft gedaan. Hij heeft daarmee niet voldaan aan één van de cumulatieve voorwaarden, zodat zijn beroep op de tweewekenregeling niet slaagt. Het beroep van belanghebbende op artikel 26a, vierde lid van het Uitvoeringsbesluit Mrb slaagt evenmin. Deze regeling is slechts van toepassing voor die gevallen waarbij eerder wel een vrijstelling is verleend op grond van de tweewekenregeling. De rechtbank ziet verder geen grond voor de stelling van belanghebbende dat de verbalisanten hem bij de controle op 28 juli 2017 hadden moeten wijzen op het bestaan van de tweewekenregeling, aangezien geen wettelijk voorschrift daartoe verplicht.

Is sprake van strijd met EU-recht?

2.11.

Belanghebbendes blote stelling dat de naheffing van mrb in strijd is met het Unierechtelijke principe van vrij verkeer van personen slaagt niet. Belanghebbende heeft niet voldoende onderbouwd waar de gestelde schending van het Unierecht uit zou bestaan. Daarbij overweegt de rechtbank dat in het geval toch sprake zou zijn van een belemmering, deze gerechtvaardigd is (zie Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483, r.o. 5.4.5)

Mag Nederland mrb heffen?

2.12.

Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat Nederland geen mrb mag heffen omdat door zijn vader reeds in België een soortgelijke heffing is voldaan. Als de naheffingsaanslag in stand blijft, is volgens belanghebbende sprake van dubbele heffing. Deze stelling slaagt niet. Ook al is de stelling van belanghebbende juist dat zijn vader in België een soortgelijke heffing betaalt, dan brengt dat nog niet mee dat Nederland niet mag heffen van belanghebbende.

Verzuimboete: formele aspecten

2.13.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van belanghebbende dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden bij de oplegging van de boete. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is in deze situatie niet van toepassing, aangezien hier geen sprake is van een bezwarend besluit dat is gebaseerd op nationale bepalingen die uitvoering geven aan voorschriften van de Europese Unie (vergelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:9679). Ook de stelling dat belanghebbende geen cautie of een waarschuwing is gegeven ten tijde van de controle door de politie kan niet slagen, aangezien geen rechtsregel daartoe verplicht. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld dat sprake is van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur bij de oplegging van de verzuimboete omdat hij voorafgaand niet is gehoord, overweegt de rechtbank dat aan belanghebbende in de vooraankondiging met dagtekening 19 januari 2018 de gelegenheid is geboden op het voornemen tot oplegging van de naheffingsaanslag en de verzuimboete te reageren. Ook in zoverre kan de stelling dus niet slagen.

Verzuimboete: materiële aspecten

2.14.

Met betrekking tot de aan belanghebbende opgelegde verzuimboete overweegt de rechtbank het volgende. Indien een belastingplichtige de verschuldigde belasting ingeval van gebruik van de weg met een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig niet heeft betaald, kan op grond van artikel 37 van de Wet Mrb, in samenhang met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, een verzuimboete worden opgelegd van ten hoogste 100% met een maximum van € 5.278. Voor het opleggen van een dergelijke boete is niet vereist dat er sprake is van opzet of grove schuld. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een boete achterwege te blijven.

2.15.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende met de auto gebruik heeft gemaakt van de weg zonder dat mrb is betaald. Naar het oordeel van de rechtbank zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat sprake is van avas. De rechtbank zal dan ook beoordelen of de opgelegde boete passend en geboden is.

2.16.

In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de verzuimboete gematigd tot 10% (€ 124) op grond van de financiële omstandigheden van belanghebbende. Tijdens de zitting heeft belanghebbende gesteld dat de boete verder moet worden gematigd omdat belanghebbende in de schuldsanering zit. De rechtbank is van oordeel dat met de financiële omstandigheden van belanghebbende, alsmede het feit dat de hoogte boete komt vast te staan met toepassing van een berekeningsvoorschrift, reeds afdoende rekening is gehouden, en acht een verdere matiging van de verzuimboete op deze grond niet geboden. Andere feiten of omstandigheden die nopen tot matiging van de boete zijn niet gesteld of gebleken. De rechtbank is van oordeel dat de verzuimboete passend en geboden is, gelet op het doel van de verzuimboete om een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Gezien de hoogte van de boete volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn met ruim twee maanden is overschreden.

2.17.

De beroepen zijn dan ook ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 27 maart 2020 door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting maar wordt deze uitspraak gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

(De griffier is verhinderd (Was getekend

deze uitspraak te ondertekenen) mr. S.A.J. Bastiaansen)

mr. S.A.C. Deeleman mr. S.A.J. Bastiaansen

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.