Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1455

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
02/285754-19 en 02/290566-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

dealen van cocaïne

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummers: 02/285754-19 en 02/290566-19

vonnis van de meervoudige kamer van 27 maart 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats]

wonende te [adres verdachte]

thans uit andere hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting HvB Grave (unit A+B)

raadsvrouw mr. N. Heijkant, advocaat te Dongen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 maart 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Bezem, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting zijn de zaken onder voormelde parketnummers overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gevoegd.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

Inzake parketnummer 02/285754-19

1.
hij op of omstreeks 11 april 2019 te Waalwijk opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer
- 2,5 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
- 1 (zogenoemde XTC-)pil, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDA (tenamfetamine) en/of MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MEDEA (methyleendioxyethylamfetamine) en/of 4-broom-2,5- dimethoxyfenethylamine (2CB), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDA (tenamfetamine) en/of MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleendioxyethylamfetamine) en/of 4-broom-2,5- dimethoxyfenethylamine (2CB), (telkens) zijnde cocaïne en/of (zogenoemde XTC-)pil een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij op of omstreeks 11 april 2019, te Waalwijk, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten een geldbedrag (totaal ongeveer 955,00 euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Inzake parketnummer 02/290566-19

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2018 tot en met 04 december 2019, in elk geval op of omstreeks 04 december 2019 te Waalwijk opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Inzake parketnummer 02/285754-19

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 1

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 11 april 2019 schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van ongeveer 2,5 gram cocaïne en

1 Xtc-pil en baseert zich daarbij onder meer op de bekennende verklaring van verdachte.

De officier van justitie wijst verder op het NFI-rapport, waaruit blijkt dat de inhoud van de 12 gripzakjes positief is getest op cocaïne, en de door de politie uitgevoerde indicatieve test, waaruit blijkt dat de pil indicatief positief is getest op Xtc in samenhang met de bevestiging van verdachte dat het een Xtc-pil betreft.

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 2

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 11 april 2019 schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde witwassen van een geldbedrag van

€ 955,=. Een rechtstreeks verband tussen het geldbedrag en een concreet gronddelict kan niet worden vastgesteld, maar het kan niet anders zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. De officier van justitie stelt daartoe dat in de gegeven omstandigheden een redelijk vermoeden van witwassen is gerechtvaardigd. Het ligt dan op de weg van verdachte om een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over een alternatieve herkomst van het geldbedrag. Verdachte verklaart telkens wisselend over de herkomst van het geldbedrag, maar een aannemelijke verklaring blijft uit.

Inzake parketnummer 02/290566-19

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 december 2018 tot en met 4 december 2019 schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne. De officier van justitie baseert zich daarbij onder meer op het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het getapte telefoonnummer [telefoonnummer 1] van verdachte, het proces-verbaal van het observatieteam van 4 december 2019, de verklaring van [naam 1] (hierna: De [naam 1] ) en de uitgevoerde indicatieve test van de bij hem aangetroffen cocaïne.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Inzake parketnummer 02/285754-19

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 1

De raadsvrouw van verdachte refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 2

De raadsvrouw van verdachte bepleit vrijspraak van het ten laste gelegde witwassen van het geldbedrag van € 955,=. Verdachte betwist dat het geldbedrag uit een misdrijf afkomstig is. Ter zitting verklaarde hij dat een vriend van hem het geld in de auto had laten liggen en dat het een legale herkomst heeft.

Ten aanzien van parketnummer 02/290566-19

De raadsvrouw van verdachte bepleit vrijspraak van de ten laste gelegde handel in cocaïne, zowel in de periode vanaf 1 december 2018 tot en met 4 december 2019 als op 4 december 2018, wegens gebrek aan voldoende bewijs. De raadsvrouw stelt daartoe onder meer dat er op 4 december 2019 weliswaar een overdracht heeft plaatsgevonden, maar dat het [naam 1] is geweest die aan verdachte een zakje met 3-FMC heeft overhandigd, dat niet staat vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijsten. Voorts dient de verklaring van [naam 1] als onbetrouwbaar te worden beschouwd, omdat hij niet consistent heeft verklaard over de periode waarin hij bij verdachte cocaïne heeft gekocht. Daar komt bij dat de ten laste gelegde periode geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Inzake parketnummer 02/285754-19

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 1

Nu verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit 1 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- het proces-verbaal van bevindingen;1

- het proces-verbaal van bevindingen, pillen;2

- het proces-verbaal NFIDENT;3

- het geschrift, te weten het NFI-rapport;4

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 13 maart 2020.5

Hoewel zich in het dossier ten aanzien van de pil geen NFI-rapport bevindt, maar slechts een positieve indicatieve test, dat op zichzelf onvoldoende wettig bewijs vormt omtrent de hoedanigheid van een stof, is de rechtbank van oordeel dat het bewijs, dat het een Xtc-pil betreft, is geleverd op grond van de door de politie uitgevoerde positieve indicatieve test in samenhang met de bevestigende mededeling van verdachte dat het een Xtc-pil betreft. Door de raadsvrouw van verdachte is hierop overigens ook geen verweer gevoerd.

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 2

Op 11 april 2019 houdt de politie in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 verdachte als bestuurder van een Chevrolet met het kenteken [kenteken] staande, omdat hij als bestuurder geen autogordel draagt. Het valt de politie op dat verdachte aan de voorzijde van zijn broek ter hoogte van zijn kruis een opvallende afwijkende verdikking heeft. Omdat de politie uit haar systeem afleidt dat verdachte eerder in verband is gebracht met dealactiviteiten vordert de politie de uitlevering van de drug die mogelijk in zijn broek zitten. Aanvankelijk ontkent verdachte dat hij iets in zijn broek heeft, maar uiteindelijk haalt hij een etui met daarin gripzakjes met wit poeder uit zijn broek, een Nokia-telefoon en een pak geld, bestaande uit meerdere coupures van € 5,=, € 10,=, € 20,= en € 50,= met een totaalbedrag van € 955,=.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat in deze zaak weliswaar aanwijzingen zijn voor drugshandel, maar dat het onderzoek geen direct bewijs heeft opgeleverd op grond waarvan een rechtstreeks verband valt te legen tussen het geldbedrag en een concreet gronddelict.

Nu aan verdachte witwassen van dat geldbedrag is ten laste gelegd dient de rechtbank te beoordelen of er op grond van de feiten en omstandigheden in het dossier sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen op grond waarvan van verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft over het geld die niet zo onwaarschijnlijk is dat zij zonder meer terzijde kan worden geschoven.

Door het bewaren van een pak bankbiljetten samen met gripzakjes wit poeder en een telefoon in zijn broek wekte verdachte de indruk van handel in verdovende middelen. Mede gelet op het feit dat het om een gering geldbedrag gaat dat niet bestaat uit ongebruikelijke coupures, acht de rechtbank deze omstandigheden, hoewel verdacht, niet zodanig dat daaruit reeds een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen ontleend kan worden op grond waarvan een verifieerbare en niet op voorhand volstrekt ongeloofwaardige verklaring van verdachte verlangd kan worden. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde witwassen van het geldbedrag.

Ten aanzien van parketnummer 02/290566-19

Het strafrechtelijk onderzoek is opgestart nadat de volgende meldingen zijn ontvangen:

- op 16 oktober 2019 bij het meldpunt van de politie: “in Waalwijk en omgeving wordt onder andere cocaïne gedeald door [verdachte] en [naam 2] . [verdachte] maakt gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en rijdt in een Chevrolet Matiz. [naam 2] maakt gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] en rijdt in een VW Golf 7.”;

- in de maand oktober 2019 bij het Team Criminele Inlichtingen (TCI): “ [verdachte] handelt in verdovende middelen waaronder cocaïne en Xtc-pillen.”.

Ten behoeve van het onderzoek zijn bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet.

Onderzoek wijst uit dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in gebruik is bij verdachte.6 Op 14 november 2019 is een bevel tot opneming van (tele)communicatie afgegeven voor een periode van vier weken vanaf 15 november 2019 tot en met 12 december 2019.7 Ook is op 14 november 2019 een bevel tot observatie van verdachte afgegeven voor een periode van 3 weken vanaf 14 november 2019 tot en met 31 december 2019.8

Op 15 november 2019 om 12:19:31 uur komt er een gesprek over de tap met het telefoon- nummer [telefoonnummer 3] , dat staat geregistreerd op naam van [naam 1] . [naam 1] belt naar verdachte en vraagt waar verdachte zit, waarop verdachte zegt dat hij zit bij [naam 3] (fon), die bakkerij daar. [naam 1] zegt dat dat goed is, waarop verdachte zegt dat hij hem even moet bellen als hij er is.9 Om 12:25:18 uur zegt [naam 1] dat hij er is en verdachte zegt dat hij eraan komt. [naam 1] vraagt of hij bij de bakkerij moet stoppen, waarop verdachte zegt dat hij daar op de hoek bij de parkeerplaats moet stoppen.10

Op 20 november 2019 om 20:23:43 uur komt er wederom een gesprek over de tap, waarbij verdachte belt naar [naam 1] en zegt dat hij over 30 seconden in zijn auto zit, waarop [naam 1] aangeeft dat hij naar de [winkel] moet om handschoenen te halen. Ze spreken dan met elkaar af bij de [winkel] . [naam 1] zegt, achter de [winkel 2] , waarop verdachte zegt, achter de [winkel 3] en dat hij er over 5 minuten is.11

Op 20 november 2019 omstreeks 20:30 uur neemt het observatieteam waar dat subject 1, zijnde verdachte, als bijrijder instapt in een bruine Opel Corsa. Ook neemt het observatieteam waar dat subject 1 uit de Opel stapt en weer instapt als bestuurder in voertuig 1, zijnde de Chevrolet Kalos met kenteken [kenteken] . Omstreeks 20:35 uur parkeert voertuig 1 nabij de [winkel] en stapt subject 1 als bijrijder in een Peugeot Partner met kenteken [kenteken 2] , waarin een NN als bestuurder zit. Het observatieteam neemt waar dat de NN bestuurder en subject 1 naar beneden kijken en dat de NN bestuurder iets voor zijn neus houdt en eraan snuift. Subject 1 stapt weer uit het voertuig en rijdt weg in voertuig 1.12

Op 22 november 2019 om 15:35:28 uur komt er een gesprek over de tap, waarbij [naam 1] belt naar verdachte. [naam 1] vraagt of verdachte dadelijk even tijd heeft, waarop verdachte zegt dat hij over een kwartiertje, twintig minuten tijd heeft en vraagt of [naam 1] dan naar de [sportschool] komt. [naam 1] vraagt of verdachte niet naar [winkel 4] kan komen, naar die parkeerplaats. Verdachte geeft aan dat dat goed is, maar dan wel over 20 minuten. [naam 1] zegt dan dat hij dan wel naar de [sportschool] komt.13 Om 15:51:16 uur vraagt [naam 1] of hij er al is, waarop verdachte zegt dat hij er over een minuut is. [naam 1] vraagt dan of hij aan de achterkant van de [sportschool] moet zijn, waarop verdachte zegt dat dat klopt.14

Op 3 december 2019 om 13:57:04 uur komt er een gesprek over de tap, waarbij [naam 1] weer belt naar verdachte en vraagt of hij al boodschappen heeft gedaan, waarop verdachte zegt dat hij dat nog niet heeft gedaan. [naam 1] zegt dat dat jammer is, waarop verdachte zegt dat hij strakjes pas heeft, maar dat die vriend van hem nog wel wat heeft in Waalwijk.15

Op 4 december 2019 om 16:02:45 uur komt er een gesprek over de tap, waarbij verdachte belt naar [naam 1] en vraagt waar ze het beste kunnen afspreken. Hierop vraagt [naam 1] of bij de moskee goed is, waarop verdachte zegt dat dat goed is.16

Op 4 december 2019 omstreeks 16:06 uur neemt het observatieteam waar dat voertuig 4, te weten de Peugeot Partner met kenteken [kenteken 3] , in Waalwijk geparkeerd staat ter hoogte van de [adres 1] . Omstreeks 16:11 uur neemt het observatieteam verder waar dat de bestuurder van voertuig 1, zijnde verdachte in de Chevrolet Kalos met kenteken [kenteken] , via het geopende raam een handreiking doet en iets overgeeft aan de bestuurder van voertuig 4. Beide voertuigen rijden daarna weg. Omstreeks 16:19 uur neemt het observatieteam waar dat voertuig 4 wordt geparkeerd ter hoogte van de dierenkliniek. De bestuurder van voertuig 4 wordt aangehouden en verbalisanten treffen bij hem in de rechter achterzak van zijn spijkerbroek een gripzakje met wit poeder aan.17

Het onder [naam 1] op 4 december 2019 aangetroffen gripzakje met wit poeder is in beslag genomen en de inhoud daarvan bestaat uit 0,43 gram crème poeder. Uit het materiaal is een monster genomen en het monster geeft een positieve indicatieve reactie op cocaïne.18

[naam 1] wordt op 4 december 2019 verhoord. [naam 1] verklaart dat het telefoonnummer [telefoonnummer 3] van hem is en dat hij met [verdachte] had afgesproken bij de moskee, omdat hij van hem cocaïne wilde kopen. [naam 1] verklaart dat hij bij [verdachte] een halve gram cocaïne heeft gekocht voor € 20,= en dat hij dat ongeveer drie keer in de week doet. [naam 1] heeft een tijdje geleden ook al een verklaring afgelegd bij de politie in verband met het aankopen van drugs bij deze [verdachte] en toen heeft hij een foto gezien van [verdachte] . Dat was dezelfde jongen als waar hij nu van heeft gekocht. [naam 1] koopt alleen cocaïne bij hem.

Daarnaast verklaart [naam 1] dat hij cocaïne gebruikt voor de afleiding en omdat het een beetje verdoofd. Als hij het inneemt voelt hij vrij snel het effect. Zijn hartslag gaat omhoog en hij wordt iets rustiger. Hij is tevreden over het effect dat de cocaïne op hem heeft en het werkt volgens hem, anders zou hij niet steeds opnieuw bij verdachte kopen.19

Op grond van voormelde bewijsmiddelen staat voor de rechtbank vast dat er op 4 december 2019 een overdracht van cocaïne heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [naam 1] , nadat verdachte en [naam 1] kort daarvoor in een kort telefoongesprek de ontmoetingsplaats voor de overdacht hadden besproken. Het observatieteam heeft waargenomen dat verdachte via het geopende raam van het voertuig waarin hij zat, een handreiking deed naar [naam 1] die ook in een voertuig zat, waarbij verdachte iets aan hem overgaf. Dat er toen een overdracht heeft plaatsgevonden, waarbij [naam 1] slechts aan verdachte de legale stof 3-FMC heeft gegeven, zoals door verdachte wordt beweerd, wordt daarom als ongeloofwaardig terzijde geschoven.

Dat er op 4 december 2019 een overdracht heeft plaatsgevonden, waarbij [naam 1] cocaïne heeft gekocht van verdachte, vindt steun in de verklaring van [naam 1] en het bij [naam 1] aangetroffen gripzakje met cocaïne. [naam 1] heeft immers verklaard dat hij de cocaïne van verdachte heeft gekocht. Dat het ook daadwerkelijk cocaïne betreft leidt de rechtbank af uit de positieve uitslag van de uitgevoerde indicatieve test in combinatie met de verklaring van [naam 1] . Een positieve indicatieve test vormt op zichzelf onvoldoende wettig bewijs over de hoedanigheid van een stof, maar in combinatie met de verklaring van [naam 1] over het effect op hem van de cocaïne die hij bij verdachte koopt, acht de rechtbank het bewijs, dat het daadwerkelijk om cocaïne gaat, voldoende geleverd. Overigens heeft de raadsvrouw van verdachte op dit onderdeel ook geen verweer gevoerd.

Voorts leidt de rechtbank uit de verklaring van [naam 1] af dat hij in ieder geval ook al vóór 4 december 2019 cocaïne heeft afgenomen bij verdachte. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die verklaring. Te meer, omdat zijn verklaring op dat onderdeel ook steun vindt in de tapgesprekken. Op grond van de tapgesprekken staat voor de rechtbank immers vast dat verdachte en [naam 1] in de periode vanaf 15 november 2019 tot en met 4 december 2019 met enige regelmaat contact hebben gehad. Weliswaar is er geen direct bewijs van een overdracht in de periode, maar net als in het tapgesprek van 4 december 2019, dat kort voor de overdacht plaatsvond, werd in die eerdere tapgesprekken ook kort besproken waar verdachte en [naam 1] elkaar kort zouden ontmoeten. Naar het oordeel van de rechtbank past dit gedrag, in samenhang bezien met het tapgesprek en de observatie van 4 december 2019, bij de korte ontmoetingen die gewoonlijk gepaard gaan met de verkoop van drugs aan gebruikers.

Dat verdachte al vanaf 1 december 2018 in cocaïne zou hebben gedeald, acht de rechtbank niet bewezen, nu dit slechts is gebaseerd op de verklaring van [naam 1] en zijn verklaring voor die langere periode onvoldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

Wel acht de rechtbank op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode vanaf 15 november 2019 tot en met 4 december 2019 in cocaïne heeft gedeald.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van parketnummer 02/285754-19

1.
op 11 april 2019 te Waalwijk opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer
- 2,5 gram cocaïne,
- 1 (zogenoemde XTC-)pil, zijnde cocaïne en zogenoemde XTC-pil een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Ten aanzien van parketnummer 02/290566-19

op meerdere tijdstippen in de periode van 15 november 2019 tot en met 04 december 2019 te Waalwijk opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat aan verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden van een reclasseringstoezicht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten en heeft geen strafmaatverweer gevoerd indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt, anders dan de enkele stelling, dat verdachte na de detentie wenst te gaan werken en in de bouw terecht kan bij drie bedrijven, zodat hij de door de gemeente aan hem opgelegde dwangsom kan voldoen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van 2,5 gram cocaïne en een Xtc-pil. Daarnaast heeft hij gedurende 2,5 week in cocaïne gedeald.

Door de handel in hard- en softdrugs wordt de handel in en gebruik van verdovende middelen in stand gehouden en kunnen de dealers dan wel uitvoerders van die verdovende middelen mede verantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Daarbij is ook van belang dat drugs verslavend kunnen werken, schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en het gebruik daarvan vanwege randverschijnselen schade voor de samenleving in Nederland en in het buitenland oplevert.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij al eerder met politie en justitie in aanraking is geweest wegens druggerelateerde feiten.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het feit dat verdachte zeer recent, te weten op 11 februari 2020, is veroordeeld voor een overtreding van de Opiumwet, zodat de rechtbank zal meewegen dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Nu de rechtbank minder feiten bewezen verklaart dan volgens de officier van justitie bewezen kunnen worden en ten aanzien van – kort gezegd – het ‘dealen’ in cocaïne een kortere periode bewezen verklaart, komt de rechtbank tot een lagere strafoplegging dan geëist. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het LOVS die een gevangenisstraf van 3 maanden voorschijven wanneer er gedurende minder dan een maand met enige regelmaat in harddrugs is gedeald.

Alles tegen elkaar afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft door- gebracht. De rechtbank ziet geen redengevende omstandigheden om tot een andere of lagere strafoplegging te komen. Evenmin ziet de rechtbank een meerwaarde in het opleggen van een deels voorwaardelijk straf met de bijzondere voorwaarde van een reclasseringstoezicht, zoals door de officier van justitie gevorderd.

7 Het beslag

7.1

De verbeurdverklaring

Inzake parketnummer 02/285754-19

De in beslag genomen zwarte GSM van het merk Nokia onder goednummer G2022105 is vatbaar voor verbeurdverklaring.

7.2

De teruggave

Inzake parketnummer 02/285754-19

Nu geen persoon redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt zal de rechtbank van het in beslag genomen geldbedrag van € 955,= onder goednummer G2022099 de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten ingevolge artikel 353 lid 2 onder c van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

7.3

De teruggave aan verdachte

Inzake parketnummer 02/290566-19

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de volgende in beslag genomen goederen aan verdachte, aangezien deze goederen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen:

- 92,4 gram medicijn, crème, onder goednummer G2128989;

- geldbedrag van 125,= onder goednummer G2128988.

8 De wettelijke voorschriften

Deze beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Inzake parketnummer 02/285754-19

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit 2;

Bewezenverklaring

Inzake parketnummers 02/285754-19 en 02/290566-19

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Inzake parketnummer 02/285754-19

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet

gegeven verbod;

Inzake parketnummer 02/290566-19

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet

gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

Inzake parketnummer 02/285754-19

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen geldbedrag van € 955,= onder goednummer G2022099;

- verklaart verbeurd de in beslag genomen zwarte GSM van het merk Nokia onder goednummer G2022105;

Inzake parketnummer 02/290566-19

- gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen 92,4 gram medicijn, crème, onder goednummer G2128989 en het geldbedrag van 125,= onder goednummer G2128988.

Dit vonnis is gewezen door mr. Burgers, voorzitter, mr. Van Kralingen en mr. Van der Burgh, rechters, in tegenwoordigheid van Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 maart 2020.

Mr. Burgers en mr. Van den Burgh zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2019083779 van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, doorgenummerd van 1 tot en met 138. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 37.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 42.

3 Het proces-verbaal NFIDENT, pagina 47.

4 Het geschrift, te weten het NFI-rapport, pagina 49.

5 De verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 13 maart 2020.

6 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2019248160 van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, doorgenummerd van 1 tot en met 260. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 109.

7 Het geschrift, te weten een bevel tot opnemen van (tele)communicatie, pagina 100.

8 Het geschrift, te weten het bevel tot observatie, pagina 147.

9 Het geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek, pagina 200.

10 Het geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek, pagina 201.

11 Het geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek, pagina 204.

12 Het proces-verbaal van observatie, pagina 150.

13 Het geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek, pagina 206.

14 Het geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek, pagina 207.

15 Het geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek, pagina 212.

16 Het geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek, pagina 77.

17 Het proces-verbaal van observatie, pagina’s 158 en 160.

18 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 189.

19 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 191 en 192.