Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1450

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6044
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6044 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 7 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag van eiseres voor een scholingsbudget in het kader van de Werkloosheidswet (WW) afgewezen.

In het besluit van 13 november 2019 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van de rechtbank van 12 maart 2020. Hierbij was eiseres aanwezig. Namens het UWV is er, met bericht van verhindering, niemand verschenen.

Overwegingen

1 Feiten

Eiseres ontvangt vanaf 29 augustus 2019 een WW-uitkering. In het kader van re-integratie heeft eiseres verzocht om de opleiding tot rijinstructrice te mogen volgen, zonder verlies van haar WW-uitkering. Ten behoeve van het volgen van deze opleiding, heeft eiseres bij het UWV een verzoek gedaan voor een scholingsbudget.

In het primaire besluit heeft het UWV de aanvraag van eiseres voor een scholingsbudget afgewezen, omdat de noodzaak tot het volgen van een opleiding om werk te vinden ontbreekt, de kosten voor deze opleiding meer dan € 2.500,- bedragen en cofinanciering niet mogelijk is.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Het UWV heeft in het bestreden besluit de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor een scholingsbudget voor de door haar gewenste opleiding tot rijinstructrice, omdat deze opleiding meer kost dan € 2.500,-. Het is niet mogelijk om een opleiding te volgen die dit bedrag overschrijdt, omdat het UWV anders een (gedeelde) financiële verplichting met eiseres zou aangaan die kan leiden tot ongewenste situaties.

2 Wettelijk kader

Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

3 Omvang geschil

Tussen partijen is in geschil of het UWV op goede gronden heeft bepaald dat eiseres met haar verzoek voor een scholingsbudget in het kader van de WW niet voldoet aan de voorwaarden.

4 Beoordeling

4.1.

Eiseres betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Volgens haar zijn er 23 andere personen die in het kader van de WW dezelfde opleiding wel volledig vergoed hebben gekregen via een scholingsbudget. Het gaat volgens eiseres in die gevallen ook om een totaalbedrag van € 4.985,- voor de opleiding categorie B bij [naam autorijschool] ( [naam autorijschool] ). Nadat het UWV een verweerschrift had ingediend, heeft eiseres een factuur overgelegd van het UWV aan [naam autorijschool] van 5 juni 2019. Op die factuur staat een totaalbedrag van € 4.985,- en de volgende omschrijving: ‘Scholingsbudget WW, opleiding categorie B’ (de factuur). Ter zitting heeft eiseres nog toegelicht dat zij meerdere oplossingen heeft voorgesteld aan het UWV, waaronder de mogelijkheid dat zij voorafgaand aan de start van de opleiding zelf het bedrag van € 2.485,- zou betalen. Volgens eiseres heeft het UWV alle aangeboden oplossingen afgewezen zonder nadere motivering.

4.2.

Het UWV stelt zich op het standpunt dat het maximale bedrag voor een scholingstraject € 2.500,- per werkzoekende is. Deze regeling wordt uitgevoerd vanaf 1 juli 2018. Bij deze regeling is er geen sprake van een uitkering of subsidie aan de werkzoekende en/of uitkeringsgerechtigde. Het UWV koopt de scholing in en betaalt rechtstreeks aan de opleider of de werkgever. Cofinanciering past niet binnen de strekking van de budgetregeling, aldus het UWV. Het UWV zou dan indirect bepalen dat de klant een deel van de kosten aan de opleider verschuldigd is, wat zou kunnen leiden tot juridisch gecompliceerde en onwenselijke situaties. Dit omdat er tussen het UWV en de klant, met betrekking tot de verleende subsidie, geen bestuursrechtelijke betrekking bestaat.

Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel, stelt het UWV zich op het standpunt niet bekend te zijn met gevallen waarin op grond van hetzelfde feitencomplex een ander en gunstiger standpunt is ingenomen.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat het UWV in het bestreden besluit de afwijzingsgrond dat er voor eiseres geen noodzaak zou zijn om een opleiding te volgen, heeft losgelaten. De gehandhaafde afwijzingsgrond - de overschrijding van het maximumbedrag van € 2.500,- - is zeer summier gemotiveerd.

De rechtbank overweegt dat het standpunt van het UWV dat een scholingsbudget voor een werkzoekende maximaal € 2.500,- mag bedragen, niet blijkt uit of wordt genoemd in de gedingstukken, maar kennelijk is gebaseerd op de toelichting bij Kamerstuk 34775-XV, nr. 15 van 19 december 2017 (Kamerstuk). Dit Kamerstuk betreft de vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het jaar 2018. Uit de toelichting blijkt dat de kosten voor een scholingstraject in de WW maximaal € 2.500,- per traject bedragen, maar dat door het UWV van dit maximum kan worden afgeweken als de ondersteuning van de scholing wordt geboden in het kader van een arrangement met een werkgever. In het Kamerstuk en in de toelichting wordt niet toegelicht wat een arrangement met een werkgever inhoudt. Ook in de WW, de Scholingsregeling WW, de Beleidsregels Scholing 2016 en de Regeling tijdelijk scholingsbudget UWV 2019 is hierover niets opgenomen.

Ondanks dat het UWV een behoorlijke beoordelingsruimte heeft bij de uitvoering van de regeling waarop eiseres een beroep doet, oordeelt de rechtbank dat het doel van deze regeling zich niet verdraagt met de zeer formalistische opstelling die het UWV tegenover eiseres inneemt. Het doel van de regeling is werkzoekenden uit de WW en aan het werk krijgen. Eiseres wil graag uit de WW en aan het werk. Daarnaast heeft zij een baangarantie van [naam autorijschool] gekregen en heeft zij diverse financieringsmogelijkheden voorgesteld. Het UWV heeft deze mogelijkheden niet onderzocht.

Ter staving van de stelling van eiseres dat er 23 personen zijn die het door haar verzochte scholingsbudget wel hebben gekregen, heeft zij de factuur overgelegd. Dit begin van bewijs is door het UWV niet weersproken. Ook heeft het UWV niet gemotiveerd waarom alle voorgestelde oplossingen door eiseres niet mogelijk zouden zijn en waarom er in het geval van eiseres een ongewenste rechtsbetrekking zou ontstaan. Temeer nu in ieder geval één werkzoekende in juni 2019 een scholingsbudget vanuit de WW heeft gekregen voor exact dezelfde opleiding en dus ook met een overschrijding van € 2.485,- van het maximumbedrag van € 2.500,-.

Nu het bestreden besluit zonder onderzoek uitsluitend is gestoeld op het in het Kamerstuk genoemde bedrag, is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. De motivering van het bestreden besluit is summier en doet onvoldoende recht aan de feitelijke omstandigheden van het geval. De rechtbank ziet geen reden waarom eiseres niet zou voldoen aan de voorwaarden van het door haar aangevraagde scholingsbudget in het kader van de WW. Nu er naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte meer bestaat om anders te beslissen, zal de aanvraag van eiseres moeten worden toegewezen.

5 Conclusie

Dit betekent dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens een motiveringsgebrek. In het kader van de definitieve geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat de aanvraag van eiseres om een scholingsbudget moet worden toegewezen.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat het UWV de aanvraag van eiseres om een scholingsbudget tot het bedrag van € 2.500,00 moet toewijzen;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 47,00 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 25 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier* rechter

* De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage: wettelijk kader

Werkloosheidswet (WW)

Artikel 73 van de WW bepaalt dat de werknemer die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet recht heeft op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.

Artikel 76, eerste lid, van de WW bepaalt dat indien de werknemer die recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk II, deelneemt of gaat deelnemen aan een voor hem, naar het oordeel van het UWV, noodzakelijke opleiding of scholing, volgens Onze Minister te stellen regels het recht op uitkering op grond van dat hoofdstuk blijft bestaan.

Artikel 76, tweede lid, van de WW bepaalt dat in de door Onze Minister te stellen regels, die voor verschillende groepen werknemers verschillend kunnen luiden, in ieder geval de voorschriften en beperkingen worden gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de opleiding of scholing.

Scholingsregeling WW

Artikel 1, eerste lid, van de Scholingsregeling WW bepaalt dat het recht op uitkering tijdens noodzakelijke opleiding of scholing als bedoeld in artikel 76 van de WW blijft bestaan indien de opleiding of scholing bestaat uit het systematisch verwerven van kennis dan wel vaardigheden volgens een vooraf vastgesteld programma, waarbij de verworven kennis en vaardigheden worden getoetst.

Artikel 1, tweede lid, van de Scholingsregeling WW bepaalt dat de opleiding of scholing noodzakelijk is indien aannemelijk is:

  1. dat de werknemer niet zonder opleiding of scholing een voor hem passend beroep of functie kan uitoefenen op de arbeidsmarkt en dat de voorgestelde opleiding of scholing daartoe een adequaat middel is; en

  2. dat de opleiding of scholing relevant is voor de arbeidsmarkt.

Beleidsregels Scholing 2016 (Beleidsregels)

Artikel 2 van de Beleidsregels bepaalt dat uitkeringsgerechtigden uitsluitend met instemming van UWV een scholing kunnen volgen als er een noodzaak tot het volgen van de scholing bestaat. De noodzaak tot het volgen van een scholing wordt beoordeeld aan de hand van deze Beleidsregels. Er is sprake van noodzaak tot het volgen van scholing als aan alle navolgende vereisten is voldaan:

  1. de scholing is arbeidsmarktrelevant én

  2. de duur van de scholing overschrijdt niet het daarvoor in artikel 4 gestelde maximum én

  3. de uitkeringsgerechtigde is schoolbaar.