Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1437

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
AWB- 19_2644
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/2644 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. R.L.G. Odekerken,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 30 augustus 2018 (primaire besluit) heeft het UWV aan eiseres meegedeeld dat zij het loon van haar (ex)werkneemster, [naam werkneemster] (de werkneemster), moet doorbetalen tot 28 oktober 2019, omdat zij niet heeft voldaan aan de re-integratie-verplichtingen.

In het besluit van 29 april 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

De werkneemster heeft aan eiseres geen toestemming verleend om kennis te nemen van stukken die medische gegevens bevatten. Bij beslissingen van 23 oktober en 6 november 2019 heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat eiseres van die stukken geen kennis mag nemen en dat kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is. De rechtbank heeft mr. R.L.G. Odekerken bijzondere toestemming verleend om van de medische stukken kennis te nemen.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 19 februari 2020. Hierbij waren gemachtigde van eiseres, [naam hoofd P&O] (hoofd P&O) en mr. M.C. Puister namens het UWV aanwezig. [naam hoofd P&O] is, in verband met de bespreking van medische gegevens van de werkneemster, slechts tijdens een deel van de zitting aanwezig geweest.

Overwegingen

De rechtbank stelt vast dat de werkneemster geen toestemming heeft gegeven om medische gegevens aan eiseres te verstrekken. Dit betekent dat in deze uitspraak geen melding zal worden gemaakt van specifieke op de werkneemster betrekking hebbende medische gegevens.

1. Feiten en omstandigheden

De werkneemster is werkzaam geweest als storemanager voor eiseres. Voor dat werk is zij op 2 maart 2016 uitgevallen. Over de periode 13 mei tot en met 5 september 2016 heeft de werkneemster een zwangerschaps- en bevallingsuitkering ontvangen. Bij besluit van 9 september 2016 is aan de werkneemster met ingang van 6 september 2016 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

Op 31 mei 2018 heeft de werkneemster een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Met het primaire besluit heeft het UWV de periode van verplichte loondoorbetaling door eiseres tijdens ziekte van de werkneemster verlengd tot 28 oktober 2019, omdat eiseres de re-integratieverplichtingen niet is nagekomen (loonsanctie).

2. Bestreden besluit

Met het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Het UWV heeft zich daarbij gebaseerd op de conclusies van een verzekeringsarts, een verzekeringsarts b&b, een arbeidsdeskundige en een arbeidsdeskundige b&b.

Verzekeringsartsen

De verzekeringsartsen hebben gerapporteerd dat de werkneemster wel beperkingen heeft, maar dat er geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, zoals gedefinieerd in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Zo is er geen sprake van bedlegerigheid, ADL-afhankelijkheid, opname of een volledig onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op grond van een ernstige psychische stoornis. De verzekeringsartsen erkennen dat er geen overleg met de bedrijfsarts heeft plaatsgevonden, omdat deze niet te bereiken was. Maar het overleg was ook niet noodzakelijk, omdat de bedrijfsarts genoeg medische informatie had opgestuurd om een oordeel over de belastbaarheid van de werkneemster te kunnen vormen. De verzekeringsartsen concluderen dat de bedrijfsarts de functionele mogelijkheden van de werkneemster niet adequaat heeft ingeschat, omdat zij ten onrechte is uitgegaan van geen benutbare mogelijkheden, en ten onrechte een re-integratie blokkerend advies heeft afgegeven.

In beroep heeft de verzekeringsarts b&b gerapporteerd dat ten tijde van het onderzoek door de primaire verzekeringsarts er geen sprake was van geen benutbare mogelijkheden. Dit blijkt uit het door de verzekeringsarts beschreven dagelijks functioneren en ook uit het rapport van HSK waarvoor werkneemster in april 2018 werd gezien. Nu er geen aanwijzingen zijn voor wezenlijke veranderingen in de medische situatie in 2018 vanaf het moment dat de bedrijfsarts op 29 januari 2018 een expertise heeft aangevraagd, acht de verzekeringsarts b&b voldoende aannemelijk dat er vanaf 29 januari 2018 geen situatie was van geen benutbare mogelijkheden. In de medische stukken van de bedrijfsarts zijn over die datum geen onderzoeksbevindingen of andere gegevens terug te vinden die wijzen op zo’n situatie. Dat in het deskundigenoordeel is aangegeven dat terecht door de bedrijfsarts is gesteld dat er sprake was van marginale mogelijkheden, is volgens de verzekeringsarts b&b niet hetzelfde als een evidente situatie van geen benutbare mogelijkheden. Ook toen was er geen sprake van geen benutbare mogelijkheden. Er was namelijk geen sprake van een volledig onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op grond van een ernstige psychische stoornis, maar alleen van forse beperkingen. Het deskundigenoordeel maakt de inschatting dat er sprake is van belastbaarheid vanaf 29 januari 2018 volgens de verzekeringsarts b&b niet onjuist.

Arbeidsdeskundigen

De arbeidsdeskundigen concluderen dat het re-integratieresultaat en de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn, omdat de werkneemster niet werkt, terwijl zij sinds 29 januari 2018 wel arbeidsmogelijkheden heeft, en er geen re-integratie-activiteiten zijn verricht. Volgens de arbeidsdeskundigen heeft eiseres daarvoor geen deugdelijke grond.

3. Standpunt van eiseres

Eiseres heeft samengevat aangevoerd dat het UWV ten onrechte en niet onderbouwd stelt dat de werkneemster met ingang van 29 januari 2018 benutbare mogelijkheden heeft. Dat standpunt valt bovendien niet te rijmen met de conclusies van de arbeidsdeskundige van 23 november 2017 in het kader van het deskundigenoordeel, dat er op dat moment geen re-integratiemogelijkheden waren en dat de re-integratieactiviteiten van eiseres tot dusver voldoende waren. Volgens eiseres is het zeer onwaarschijnlijk dat die er op 29 januari 2018 ineens wel zouden zijn. Die stelling is niet gebaseerd op enig onderzoek in die periode, maar slechts op een aanname. Er heeft ook geen overleg plaatsgevonden tussen de verzekeringsarts en bedrijfsarts. Het is aan het UWV om aan te tonen dat zich in de medische situatie van de werkneemster sinds het deskundigenoordeel veranderingen hebben voorgedaan. Daarin is het UWV volgens eiseres niet geslaagd. Het UWV is er daarom ook niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de werkneemster met ingang van 29 januari 2018 benutbare mogelijkheden had. Volgens eiseres heeft het UWV aan haar ten onrechte een loonsanctie opgelegd. Eiseres verzoekt het UWV te veroordelen tot een schadevergoeding, bestaande uit het salaris dat zij op grond van de loonsanctie heeft moeten doorbetalen.

4. Wettelijk kader

Op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA verlengt het UWV, indien bij de behandeling van de aanvraag en de beoordeling van de WIA-uitkering blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn re-integratie-verplichtingen niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde re-integratie-verplichtingen en -inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.

Op grond van artikel 43 van de WIA geldt de uitsluitingsgrond: het nog niet geëindigd zijn van het tijdvak waarin recht bestaat op loon op grond van artikel 7:629, elfde lid, van het BW.

Op grond van artikel 65, derde volzin, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het UWV of de werkgever in redelijkheid heeft kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

5. Toetsingskader

In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Beleidsregels) is bepaald dat het UWV bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen als bedoeld in artikel 65 van de WIA, het beoordelingskader hanteert zoals vastgelegd in de bijlage bij dit besluit.

Volgens de Beleidsregels dient eerst te worden beoordeeld of het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het resultaat van de re-integratie-inspanningen niet bevredigend is in de zin van de Beleidsregels. Van een bevredigend resultaat in de zin van de Beleidsregels is sprake wanneer is gekomen tot een (gedeeltelijke) werkhervatting die min of meer aansluit bij de functionele mogelijkheden van de werknemer. De hervatting moet een structureel karakter hebben. Ook is sprake van een bevredigend resultaat wanneer de werknemer is ingeschakeld in arbeid met een loonwaarde van ten minste 65% van het loon vóór de ziekte, als die hervatting een structureel karakter heeft. In de Beleidsregels is voorts bepaald dat ondanks het uitblijven van een bevredigend re-integratieresultaat geen loonsanctie wordt opgelegd wanneer het UWV de inspanningen van de werkgever wel voldoende acht. Evenmin wordt een loonsanctie opgelegd wanneer de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende zijn, maar de werkgever naar het oordeel van het UWV daarvoor een deugdelijke grond heeft.

In de Beleidsregels is voorts vastgelegd dat van werkgever en werknemer geen re-integratie-inspanningen meer worden verlangd wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever. Wel beoordeelt het UWV in die situatie of in redelijkheid tot dit oordeel over het ontbreken van arbeids-mogelijkheden kon worden gekomen. Kon de werkgever niet in redelijkheid tot dit oordeel komen en zijn daardoor re-integratiekansen gemist, dan zal de behandeling van de WIA-aanvraag worden opgeschort. In dat geval loopt de loondoorbetalingsplicht van de werkgever door, totdat alsnog de benodigde re-integratieactiviteiten hebben plaatsgevonden.

6. Oordeel van de rechtbank

6.1

Ter beoordeling ligt aan de rechtbank voor of het UWV op goede gronden aan eiseres een loonsanctie heeft opgelegd.

6.2

Het UWV heeft aan eiseres een loonsanctie opgelegd, omdat het re-integratieresultaat niet bevredigend is, de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn en zij daarvoor geen deugdelijk grond heeft. Het UWV stelt dat de werkneemster met ingang van 29 januari 2018 benutbare mogelijkheden heeft, maar er ten onrechte vanaf die datum geen re-integratieactiviteiten zijn ontplooid.

Ter zitting is namens het UWV toegelicht dat is uitgegaan van de datum 29 januari 2018, omdat de bedrijfsarts op dat moment aan eiseres heeft geadviseerd om een psychiatrische expertise over de werkneemster te laten verrichten. Volgens het UWV kan daaruit worden afgeleid dat de bedrijfsarts toen heeft geconcludeerd dat de behandeling van de werkneemster niet aansloeg en dat daarom een expertise nodig was.

6.3

De rechtbank leidt uit de informatie van de bedrijfsarts af dat zij (in ieder geval) vanaf september 2017 steeds hetzelfde heeft gerapporteerd: dat de belastbaarheid van de werkneemster marginaal was en dat haar herstel stagneerde ondanks behandeling.

Dat de werkneemster slechts marginaal belastbaar was, is bevestigd in het deskundigenoordeel van 27 november 2017. Arbeidsdeskundige Fontein heeft in zijn rapportage van 23 november 2017 naar aanleiding van het verzoek van eiseres om een deskundigenoordeel vermeld:

Visie van de bedrijfsarts:

Er zijn door de aanwezige forse psychische beperkingen nog geen structurele mogelijkheden voor werkhervatting. Er is slechts sprake van marginale mogelijkheden, betrokkene heeft nog ernstige beperkingen in haar persoonlijke en sociale functioneren. Betrokkene is op dit moment nog volledig arbeidsongeschikt.

Visie van de verzekeringsarts:

Verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] heeft op 23-11-17, na kennisgenomen te hebben van de medische info, vastgesteld dat de visie van de bedrijfsarts tot dusver plausibel is en dat er inderdaad sprake is van marginale arbeid.

Fontein heeft verder gerapporteerd:

Uit de aangeleverde stukken blijkt dat cliënt marginaal belastbaar is. Als gevolg daarvan zijn er natuurlijk geen re-integratiemogelijkheden op dit moment en kan er van de werkgever op dit vlak dan ook niets verwacht worden. Dat geldt uiteraard ook voor eventueel spoor 2 traject. Dat vastgesteld hebbende zijn de re-integratieactiviteiten van de werkgever tot dusver voldoende. Dat laat onverlet dat zodra er wel mogelijkheden zijn, het re-integratietraject weer zal moeten worden opgepakt. Dat zal tzt beoordeeld worden.’

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het UWV ten tijde van het deskundigenoordeel op 27 november 2017, ervan uitging dat de werkneemster slechts marginaal belastbaar was en dat er (daarom) geen re-integratiemogelijkheden waren. Het UWV verwijst in het bericht van 27 november 2017 ook naar bovengenoemde conclusie.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van het UWV om aannemelijk te maken dat in die situatie op 29 januari 2018 (wezenlijke) verandering is gekomen en eiseres daarnaar had moeten handelen. Naar haar oordeel is het UWV daarin niet geslaagd. In ieder geval had eiseres op 29 januari 2018 niet kunnen weten dat zij – anders dan op basis van het deskundigenoordeel – niet meer uit kon gaan van marginale belastbaarheid van de werkneemster en het ontbreken van re-integratie-mogelijkheden. De door het UWV op zitting toegelichte reden waarom ervan uit moet worden gegaan dat eiseres op 29 januari 2018 benutbare mogelijkheden had en eiseres dat kon weten – namelijk omdat de bedrijfsarts adviseerde tot een psychiatrische expertise – acht de rechtbank niet steekhoudend. Uit het verslag van de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts volgt dat zij een dergelijke expertise adviseerde enkel omdat de behandeling niet aansloeg, hetgeen zij overigens reeds sinds september 2017 rapporteerde. Dat de behandeling niet aansloeg impliceert niet dat de werkneemster benutbare mogelijkheden had, noch dat eiseres had moeten weten dat er op dat moment benutbare mogelijkheden waren.

6.4

Naar het oordeel van de rechtbank houdt de loonsanctie, op de grond dat de werkneemster met ingang van 29 januari 2018 benutbare mogelijkheden heeft en er daarom ten onrechte met ingang van die datum geen re-integratie-inspanningen zijn ontplooid, dan ook geen stand.

Overigens heeft het UWV ter zitting aangegeven dat de loonsanctie over een te lange periode is opgelegd. Ook om die reden kan de loonsanctie dus niet in stand blijven.

7. Conclusie

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank zal niet zelf in de zaak te voorzien, omdat er nog een andere uitkomst mogelijk is. Het is immers aan het UWV om te beoordelen of de loonsanctie op andere gronden en/of over een andere periode in stand kan blijven. Het UWV zal daarom een nieuw besluit moeten nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Daarin zal het UWV tevens een beslissing dienen te nemen op het verzoek tot schadevergoeding van eiseres.

8. Proceskosten en griffierecht

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

De rechtbank veroordeelt het UWV in de door eiseres gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het UWV wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.050,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 525,00 en een wegingsfactor 1). De door eiseres genoemde reiskosten van haar gemachtigde hoeft het UWV niet te vergoeden, omdat deze kosten geacht worden te zijn begrepen in voormelde (forfaitaire) vergoeding voor rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het UWV op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 345,00 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 1.050,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.D. Sebel, griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.