Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1436

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4975
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Participatiewet: onduidelijkheid over eisers woon- en leefsituatie en/of zijn financiële situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4975 PW

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 maart 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 6 maart 2019 (afwijzingsbesluit) heeft het college eisers aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet afgewezen.

In het besluit van 13 augustus 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 12 februari 2020. Hierbij waren aanwezig eiser en zijn gemachtigde en namens het college mr. I. Francke.

Overwegingen

De feiten

1. Eiser ontving sinds oktober 2012 een bijstandsuitkering. Op 9 februari 2017 is een huisbezoek afgelegd op het adres aan de [adres] in [Plaatsnaam2] . Er zijn verhuisdozen van eiser aangetroffen, maar geen persoonlijke spullen. Eisers hond verbleef wel daar, bij [naam persoon] , die op dat adres woonde.

In een besluit van 21 februari 2017 is het recht op uitkering ingetrokken met ingang van 1 februari 2017. Tegen dat besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Eiser heeft op 15 februari 2017 een uitkering op grond van de Participatiewet aangevraagd. Hij heeft verklaard dat hij woont op het adres [adres] in [Plaatsnaam2] , dat [naam persoon] ook op dat adres woont en dat zij zorgt voor de mantelzorg die hij nodig heeft. Hij heeft verklaard kostganger te zijn bij [naam persoon] en hij heeft een ‘Modelovereenkomst kostgangerschap’ overgelegd, die is opgemaakt op 14 februari 2017 en die ingaat op 15 februari 2017. In die overeenkomst zijn de bepalingen met betrekking tot ‘wederzijdse diensten’ doorgehaald. Er dient € 315,- per maand te worden betaald voor huur en medegebruik. Ook heeft eiser een op 14 maart 2017 gedateerde verklaring overgelegd, waarin [naam persoon2] ( [naam persoon2] ) verklaart dat zij aan eiser ongeveer € 3.500,- heeft geleend, en dat zij er op vertrouwt dat eiser dat bedrag terug zal betalen als hij weer een beetje beter is.

In een besluit van 29 maart 2017 is eisers aanvraag buiten behandeling gesteld omdat hij, zonder zich af te melden, niet op een uitnodiging voor een persoonlijk onderhoud is verschenen, en omdat hij ontbrekende stukken niet heeft overgelegd.

Op 4 april 2017 heeft eiser tegenover een sociaal rechercheur verklaard dat hij [naam persoon] helpt met de elektriciteit, dat zij hem helpt met boodschappen doen en dat zij zijn hond uitlaat en verzorgt.

In een uitspraak van 25 mei 2018, met zaaknummer BRE 17/6516 PW, heeft deze rechtbank de intrekking van de uitkering met ingang van 1 februari 2017 vernietigd. Het college is opgedragen een nieuwe beslissing op eisers bezwaar te nemen.

In een uitspraak van eveneens 25 mei 2018, met zaaknummer BRE 17/6570 PW, heeft deze rechtbank de buitenbehandelingstelling van de aanvraag van 15 februari 2017 vernietigd. Het college is opgedragen opnieuw op de aanvraag te beslissen.

In een besluit van 10 juli 2018 heeft het college de aanvraag van 15 februari 2017 afgewezen omdat het college niet de nodige informatie heeft gekregen over eisers woon- en leefsituatie. Dat besluit is in een besluit van 24 oktober 2018 ingetrokken. De behandeling van de aanvraag is voortgezet.

Bij herhaling is aan eiser gevraagd om inlichtingen en bewijsstukken over zijn financiële situatie, waaronder zijn aanspraken op een erfenis van zijn moeder, over bedrijven die in eisers bezit zijn (geweest) en over bankafschriften. Eiser heeft daarover stukken overgelegd en op 14 januari 2019 een verklaring afgelegd. Hij stelt daarin nog aanspraak te maken op uitkering over de periode van 15 februari 2017 tot en met 30 juni 2017.

In het afwijzingsbesluit heeft het college de aanvraag van 15 februari 2017 afgewezen omdat eiser geen duidelijkheid heeft gegeven over zijn woonsituatie en over zijn financiële situatie.

Eisers bezwaar tegen het afwijzingsbesluit is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard, zoals geadviseerd werd door de Commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Terneuzen.

Het geschil

2. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiser recht heeft op een uitkering op grond van de Participatiewet. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door het college gestelde onduidelijkheid over eisers woon- en leefsituatie en/of zijn financiële situatie het mogelijk maakt om het recht op bijstand vast te stellen.

De te beoordelen periode begint op de datum van de aanvraag, 15 februari 2017. In beginsel eindigt die periode op de datum van het afwijzingsbesluit, 6 maart 2019, maar nu eiser verklaard heeft dat hij met ingang van 1 juli 2017 op zijn boot in [plaatsnaam3] verblijft en op andere wijze in zijn inkomen is gaan voorzien staat vast dat hij met ingang van die datum geen recht meer heeft op bijstand. Daarom eindigt op die datum de te beoordelen periode.

De beroepsgronden

3. Eiser voert aan dat hij een overeenkomst heeft overgelegd die is op te vatten als een huurovereenkomst. Hij is het niet eens met de redenering dat geen sprake is van een commerciële relatie omdat hij geen huur heeft betaald. Hij betaalde geen huur omdat hij geen bijstand ontving en geen ander inkomen had. Het feit dat 4,5 maanden geen huur is betaald is onvoldoende reden om te concluderen dat er geen huurovereenkomst was.

Eiser huurde een zelfstandige woning, die hij heeft opgeknapt. Dat heeft de verhuurder voordeel opgeleverd. Dat is één van de redenen waarom hij niet meteen op straat is gezet. Het was een soort compensatie voor het niet kunnen betalen van de huur.

Er is sprake van twee losstaande woningen, waar eiser er één van huurt. Ten onrechte gaat het college ervan uit dat, nu het een aanvraag betreft, de bewijslast van het recht op bijstand op eiser rust. Het is aan het optreden van het college te wijten dat eiser 2,5 jaar na de aanvraag moeilijk kan bewijzen dat hij daadwerkelijk woonde waar hij zegt gewoond te hebben. Daarom dient het bewijsrisico voor rekening van het college te komen.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat hij in de loop van de jaren in totaal € 10.000,- van zijn ex-partner [naam persoon2] heeft geleend. Dat heeft hij steeds terugbetaald. Op 15 februari 2017 moest hij nog ongeveer € 3.500,- terugbetalen. Eisers vader is oud en zal eiser te zijner tijd een redelijk erfdeel nalaten. Onder die omstandigheden is niet onaannemelijk dat [naam persoon2] eiser op haar boot laat wonen zonder dat huur wordt betaald, en dat zij hem gelden voorschiet.

Volgens eiser heeft hij voldoende inzicht verschaft in zijn woonsituatie en in zijn financiële situatie. Hij vraagt de rechtbank het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat hij recht op bijstand had van 15 februari 2017 tot en met 30 juni 2017.

Het toetsingskader

4. In artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te raken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

In artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

De bewijslast

5. Volgens vaste rechtspraak, zoals de uitspraak van de CRvB van 24 oktober 2017 (ECLI:NL:CRVB: 2017:3656), rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager. Hij dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie. Indien de aanvrager niet aan deze inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de aanvrager recht op bijstand heeft.

6. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij door de handelwijze van het college in bewijsnood is geraakt. Als niet eerst de aanvraag buiten behandeling was gesteld en vervolgens een verkeerde beslissing op de aanvraag was genomen, en als meteen na de aanvraag van 15 februari 2020 een huisbezoek was afgelegd, dan was eiser niet in de situatie geraakt dat hij, tweeënhalf jaar na de aanvraag, nog maar moeilijk kan bewijzen waar hij daadwerkelijk woonde.

7. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Zoals de rechtbank op 24 mei 2018 al overwoog heeft eiser erkend dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Had hij dat niet gedaan en had hij van begin af aan openheid van zaken gegeven over zijn verblijfssituatie, dan was hij niet in bewijsnood geraakt.

Het oordeel van de rechtbank over eisers financiële situatie

8. Gebleken is van diverse bijschrijvingen op eisers bankrekening door [naam persoon2] , die volgens hem als leningen zijn op te vatten. Hij heeft daar geen bewijsstukken van overgelegd. De door [naam persoon2] afgelegde verklaring is achteraf opgemaakt, niet concreet genoeg en biedt daarmee onvoldoende duidelijkheid.

De rechtbank volgt dan ook het standpunt van het college dat eiser onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële situatie om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.

Slotoverwegingen

9. Reeds gelet hierop concludeert de rechtbank dat het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat eiser over de in geding zijnde periode onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële situatie en dat daardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. De gestelde onduidelijkheid over eisers woonsituatie behoeft daarom geen bespreking meer. Het bestreden besluit dient dan ook in rechte stand te houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

10. Er is geen reden om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, voorzitter, en mr. P.H.J.G. Römers en mr. drs. E.J. Govaers, leden, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, op 25 maart 2020, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.