Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1435

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4976
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4976 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 1 juli 2019 (primaire besluit) heeft het UWV eiseres laten weten dat aan haar geen WW-uitkering zal worden uitbetaald, omdat zij verwijtbaar werkloos is geworden. In het besluit staat vermeld dat indien eiseres het niet eens met de beslissing, zij vóór 13 augustus 2019 bezwaar kan maken.

Eiseres heeft op 28 augustus 2019 bezwaar gemaakt.

In het besluit van 26 september 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres te laat en niet verschoonbaar bezwaar heeft gemaakt.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 13 maart 2020.

Hierbij waren aanwezig eiseres, en [naam vertegenwoordiger] namens het UWV.

Overwegingen

1. Eiseres is werkzaam geweest bij Taxibedrijf [naam taxibedrijf] .

Op 26 juni 2019 heeft zij bij het UWV een WW-uitkering aangevraagd.

Bij het primaire besluit heeft het UWV geweigerd om aan haar een WW-uitkering uit te betalen, omdat eiseres zelf ontslag heeft genomen en zij daarmee ‘verwijtbaar werkloos’ is geworden.

Eiseres heeft op 28 augustus 2019 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Daarbij heeft zij uitgelegd dat haar advocaat bezwaar voor haar zou maken, maar dat hij te traag was en niets heeft ingediend en dat zij het daarom nu zelf doet.

Bij brief van diezelfde dag (28 augustus 2019) is eiseres geïnformeerd dat haar bezwaar te laat is gemaakt en dat het UWV zal gaan beoordelen of daaraan een geldige reden ten grondslag ligt. Eiseres is erop gewezen dat indien er geen geldige reden voor het te laat maken van het bezwaar is, haar bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard en niet in behandeling zal worden genomen.

Op 24 september 2019 heeft het UWV telefonisch contact met eiseres opgenomen om te vragen waarom zij haar bezwaar te laat heeft ingediend.

Bij het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres te laat en niet verschoonbaar bezwaar heeft gemaakt. Dat een medewerker van het UWV in een telefonisch contact van 15 augustus 2019 heeft gezegd dat eiseres een bezwaarschrift kan indienen, is geen toezegging dat het bezwaarschrift inhoudelijk in behandeling genomen zal worden. Dat eiseres een advocaat zou hebben ingeschakeld die vervolgens geen actie zou hebben ondernomen, is niet onderbouwd. Eiseres heeft ook niet kunnen aangeven om welk advocatenkantoor het gaat.

2. In geschil is of het UWV het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Meer specifiek in geschil is of eiseres een verschoonbare reden heeft voor het te laat indienen van haar bezwaar.

De bezwaartermijn

2.1

Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken.

Een bezwaarschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn door het UWV is ontvangen. Als het bezwaarschrift per post wordt verstuurd, is het ook tijdig ingediend wanneer het voor afloop van de termijn op de post is gedaan en door het UWV is ontvangen binnen een week na afloop van de termijn. Dit volgt uit artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het primaire besluit dateert van 1 juli 2019. Dit betekent dat de bezwaartermijn liep tot en met 12 augustus 2019. Dit staat ook vermeld in dit besluit.

Het digitaal ingediende bezwaarschrift is door het UWV ontvangen op 28 augustus 2019. Het bezwaarschrift is dus niet binnen de bezwaartermijn van zes weken ingediend en daarmee te laat ingediend.

Eiseres heeft op zitting gezegd dat zij al eerder, op 15 augustus 2019, digitaal bezwaar heeft gemaakt. Ook indien het UWV dit bezwaarschrift ontvangen heeft (het UWV betwist dat) kan dit eiseres niet helpen. Ook dit bezwaarschrift zou dan namelijk te laat zijn ingediend.

Is de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar?

2.2

Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift betrokkene niet is toe te rekenen. Dan wordt op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring als gevolg van die te late indiening achterwege gelaten.

De rechtbank is met het UWV van oordeel dat eiseres haar stelling dat zij een advocaat zou hebben ingeschakeld, maar dat die geen actie heeft ondernomen, niet heeft onderbouwd. Ook op de zitting kon eiseres niet aangeven welke advocaat van welk advocatenkantoor zij wanneer zou hebben ingeschakeld.

Eiseres stelt verder dat haar door een medewerker van het UWV in een telefonisch contact op 15 augustus 2019 is verteld dat zij bezwaar kon maken en dat zij daaruit op mocht maken dat haar bezwaar inhoudelijk zou worden behandeld. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. De enkele mededeling dat alsnog een bezwaarschrift kon worden ingediend, houdt geen toezegging in dat het UWV over de niet tijdige indiening daarvan zou heenstappen. Pas na de indiening van het bezwaarschrift en na de beoordeling van de verschoonbaarheid van de niet tijdige indiening van dat bezwaarschrift, kan het UWV toekomen aan een inhoudelijke beoordeling.

Dit betekent dat van een situatie waarin het niet aan eiseres toe te rekenen is dat er te laat een bezwaarschrift is ingediend, geen sprake is.

3. Het UWV heeft dus terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Sambeek, griffier, op 24 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.