Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1434

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 775
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag gemeenteambtenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/775 AW

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 maart 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. T.J.W.M. Stals,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen, verweerder,

gemachtigde: mr. J.J. Blanken.

Procesverloop

In het besluit van 4 juli 2018 (ontslagbesluit) heeft het college eiser disciplinair ontslag verleend.

In het besluit van 10 januari 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 12 februari 2020. Hierbij waren aanwezig eiser en zijn gemachtigde, en namens het college diens gemachtigde, [gemachtigde vwr1] en [gemachtigdevwr2] .

Overwegingen

De feiten

1. Eiser is vanaf 1 april 2002 in dienst van de gemeente Vlissingen werkzaam geweest in de functie van Groenvoorziener.

Vanaf in ieder geval 17 januari 2017 zijn gesprekken met eiser gevoerd naar aanleiding van klachten over zijn gedrag. Er is een coachingtraject gevolgd, en er heeft mediation plaatsgevonden. Naar aanleiding van een melding over mogelijk plichtsverzuim door eiser is in maart 2018 op verzoek van het college een onderzoek ingesteld door mr. T. Koomen, advocaat bij Capra advocaten (onderzoeker). Eiser is voor de duur van het onderzoek geschorst en hem is de toegang tot de werkplek ontzegd.

De onderzoeker heeft gespreksverslagen geraadpleegd, gesprekken gevoerd met eiser en met dertien medewerkers die veel met eiser samenwerken of samenwerkten, en hij heeft kennis genomen van een geluidsopname. Van het onderzoek is op 9 mei 2018 een rapport uitgebracht.

De onderzoeker heeft geconcludeerd dat bijna alle medewerkers verklaren dat zij op enig moment enigerlei vorm van bedreiging en/of intimidatie door eiser hebben ervaren. Hetzelfde geldt voor schelden en/of grof taalgebruik door eiser evenals het ‘ontvlammen in woede’. Verklaringen over eisers gedrag zijn niet alleen afkomstig van directe collega’s, maar ook van [functie10] en een [functie4] .

Eiser heeft ontkend dat van die gedragingen sprake is geweest. Wel erkent hij dat zich in de loop der tijd aanvaringen hebben voorgedaan, maar dat is volgens hem niet uniek binnen de organisatie omdat zich ook incidenten tussen andere collega’s zouden hebben voorgedaan.

Op basis van de interviews en stukken acht de onderzoeker het aannemelijk dat zich — in ieder geval — de navolgende gedragingen van en/of incidenten met betrekking tot eiser hebben voorgedaan:

1. het (op intimiderende wijze) ‘over mensen heen hangen’;

2. het (meerdere malen) uitschelden van collega’s in het bijzijn van anderen;

3. het (meerdere malen) (op buitenproportionele wijze) ‘ontvlammen in woede’ richting collega’s;

4. het uitschelden van de leidinggevende in het bijzijn en/of op gehoorafstand van collega’s;

5. het beledigen van de heer [naam persoon1] met opmerkingen als “je stinkt” en ‘je zal nooit een vrouw vinden”;

6. het op 6 maart 2018 verbaal uitdagen van de heer [naam persoon2] (onder meer “Mannetje, zo twee koppen kleiner, houd je bek joh, randlul”);

7. het op 6 maart 2018 verbaal bedreigen van de [naam persoon2] (onder meer “Ik leg je zo dubbel”);

8. leugenachtige verklaringen op schrift stellen over het (verloop van het) incident op 6 maart 2018;

9. leugenachtige verklaringen afleggen tegenover onderzoeker over alle voorgaande punten;

10. het kleineren van collega’s en het leugenachtig daarover verklaren;

11. een (of meerdere) ongepaste opmerking(en) richting de heer [naam persoon3] over de vrouw van de heer [naam persoon3] ;

12. een (of meerdere) opmerking(en) richting de heer [naam persoon4] die hij als bedreigend heeft ervaren (over ‘weten waar hij woont’); en

13. het (opzettelijk) op de grond gooien van de tas van de heer [naam persoon5] en vervolgens in woede uitbarsten.

Voor de onderzoeker is onbegrijpelijk dat eiser zonder verdere gevolgen zijn [functie10] heeft kunnen uitschelden, kleineren, bedreigen en/of intimideren. Het kleineren en uitschelden van de [functie10] en ook nog eens in het bijzijn en/of op gehoorafstand van medewerkers is volgens de onderzoeker gezagsondermijnend en raakt de integriteit.

Eiser lijkt zich, volgens de onderzoeker, van geen kwaad bewust, maar zegt wel te ervaren dat hij ‘buiten de groep valt’. Hij heeft de indruk dat hij wordt weggepest.

De onderzoeker meent dat de organisatie de ontstane situatie gedeeltelijk aan zichzelf te wijten heeft door niet eerder in te grijpen.

Naar aanleiding van het onderzoeksrapport heeft het college het voornemen opgevat eiser strafontslag te verlenen. Daarbij is betrokken dat eiser geen zelfreflectie heeft getoond en niet bereid is gebleken om naar waarheid verklaringen af te leggen of excuses aan te bieden. In een brief van 1 juni 2018 is dat voornemen aan eiser meegedeeld. Het eiser verweten ernstig plichtsverzuim bestaat uit de dertien in het rapport van 9 mei 2018 beschreven elementen.

Eiser heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid zich te verantwoorden.

In het ontslagbesluit is, overeenkomstig het voornemen, met onmiddellijke ingang strafontslag verleend. Subsidiair is ontslag verleend ‘op andere gronden’, zoals bedoeld in artikel 8:8, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/Uitvoeringsovereenkomst (CAR/UWO). Daaraan is ten grondslag gelegd dat het in eiser gestelde vertrouwen ernstig is geschaad en dat de onderlinge verhoudingen met diverse collega’s ernstig en onherstelbaar zijn verstoord geraakt.

Eisers bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard, zoals geadviseerd werd door de Commissie bezwaarschriften Vlissingen.

De beroepsgronden

2. Eiser voert aan dat sprake is van een collectief streven om hem in diskrediet te brengen. Hij betwist dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan gedrag dat een disciplinair ontslag zou kunnen rechtvaardigen. Door verstoring van de verhoudingen met collega’s en de gemeente is een terugkeer naar de oude werkplek niet mogelijk, maar dat is hoofdzakelijk aan het college te wijten.

Eiser vindt het onzorgvuldig dat het college geen gesprekken tussen hem en klagende collega’s heeft geïnitieerd toen deze nog zouden hebben kunnen leiden tot een aanvaardbaar resultaat, en dat in de plaats daarvan een coachingtraject in gang is gezet dat slechts tot doel had om van eiser bekentenissen te verkrijgen over het verweten verwerpelijke handelen waarvan zijn collega’s en het college hem beschuldigen. Er is niet voorzien in een overplaatsing van eiser of van collega’s.

Een minder zware en minder diffamerende maatregel lag in de rede. Eiser vraagt de rechtbank het bestreden besluit te vernietigen en onder handhaving van de subsidiaire ontslaggrond er in te voorzien dat aan hem een vergoeding wordt toegekend, rekening houdend met de overwegende toerekenbaarheid aan het college van het ontstaan van de verstoring van de samenwerkingsrelatie en het onoverbrugbare verschil in inzicht tussen partijen.

Eiser heeft commentaar gegeven op verschillende aspecten van het bestreden besluit en op de dertien elementen van het verweten plichtsverzuim.

Het toetsingskader

3. In artikel 16:1:1, eerste lid, van de CAR/UWO is bepaald dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt deswege disciplinair kan worden gestraft. In het tweede lid is bepaald dat plichtsverzuim zowel omvat het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Op grond van artikel 8:13 van de CAR/UWO kan aan de ambtenaar als disciplinaire straf ongevraagd ontslag worden verleend.

4. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zoals de uitspraken van 24 februari 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BP5986) en van 26 november 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK6578), moet de bestuursrechter die in ambtenarenzaken moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, vaststellen of de betrokken ambtenaar zich heeft schuldig gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten kunnen ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit. In het ambtenarentuchtrecht gelden niet de in het strafrecht van toepassing zijnde zeer strikte bewijsregels. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt.

Voorts dient het plichtsverzuim aan de ambtenaar te zijn toe te rekenen en dient de genomen maatregel in verhouding te staan tot het plichtsverzuim.

De zorgvuldigheid van het onderzoek

5. Voordat de rechtbank beoordeelt of het college terecht heeft aangenomen dat de eiser verweten gedragingen hebben plaatsgevonden staat zij stil bij de vraag of het onderzoek, waarin die gedragingen zijn vastgesteld, op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit eisers stelling dat sprake is van een collectief streven om hem in diskrediet te brengen leidt de rechtbank af dat het volgens eiser aan die zorgvuldigheid heeft ontbroken.

De door het college ingeschakelde onderzoeker heeft gebruik gemaakt van verklaringen van collega’s, en volgens vaste rechtspraak van de CRvB, zoals de uitspraken van 19 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2093) en van 6 oktober 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3723), moet met dergelijke verklaringen voorzichtig worden omgegaan. Dergelijke verklaringen kunnen slechts goed op waarde worden geschat tegen de achtergrond van de bestaande verhoudingen in de desbetreffende groep medewerkers. In beginsel zal het daarom nodig zijn de inhoud van zulke verklaringen te verifiëren en na te gaan of op grond van meer objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat de betrokken ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan wat hem wordt verweten.

De rechtbank stelt vast dat de onderzoeker een groot aantal personen die werkzaam waren in de omgeving van eiser heeft bevraagd. Zij hebben verschillende functies: groenvoorzieners , [functie2] , [functie3] , [functie4] , [functie5] , [functie6] , [functie7] , [functie8] en een [functie9] . De periodes waarin zij in eisers omgeving hebben gewerkt, lopen uiteen. Eiser is zelf uitvoerig gehoord, en hem is de mogelijkheid geboden om namen van personen aan te dragen die volgens hem ook gehoord moeten worden. Hij heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Aan eiser is de mogelijkheid geboden te reageren op de verslagen van de overige gesprekken. Ook van die mogelijkheid heeft hij geen gebruik gemaakt. Wel heeft eiser uitgebreid gereageerd op de verslaglegging van zijn gehoor. Al met al voldoet het verrichte onderzoek, in het licht van de weergegeven rechtspraak van de CRvB, aan de daaraan te stellen eisen.

Staan de gedragingen vast?

6. Nu de verklaringen van de medewerkers in eisers omgeving onafhankelijk van elkaar zijn afgelegd en samen een eenduidig beeld laten zien ontleent de rechtbank daaraan de overtuiging dat eiser zich heeft gedragen zoals grotendeels in die verklaringen is beschreven. In ieder geval is sprake geweest van intimiderend en bedreigend gedrag op 6 april 2018 tegenover [naam persoon2] , maar ook op andere data jegens andere medewerkers. Naar het oordeel van de rechtbank is (daarnaast) voldoende komen vast te staan dat eiser een of meer collega’s heeft gekleineerd, beledigd en uitgescholden en dat eiser op buitenproportionele wijze is ontvlamd in woede.

Eiser heeft die gedragingen ontkend, althans gerelativeerd en anders geduid, maar met het oog op de veelheid en concreetheid van de tegenover de onderzoeker afgelegde verklaringen slaagt die weerlegging niet.

Ernstig plichtsverzuim?

7. De in overweging 6 genoemde gedragingen, die (mede) aan het strafontslag ten grondslag zijn gelegd, zijn door het college terecht als ernstig plichtsverzuim gekwalificeerd.

De verwijtbaarheid

8. Eiser heeft niet aangevoerd dat de gedragingen hem niet kunnen worden toegerekend, en niet is gebleken dat eiser ten tijde van de gedragingen niet in staat was de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag in te zien of niet in staat was om overeenkomstig dat inzicht te handelen en dat gedrag achterwege te laten.

9. Nu sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim was het college bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.

De evenredigheid

10. De rechtbank staat ten slotte stil bij de vraag of onvoorwaardelijk strafontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het vastgestelde plichtsverzuim. Volgens eisers gemachtigde dient met een berisping te worden volstaan.

De rechtbank acht van belang dat eiser al vanaf januari 2017 naar aanleiding van klachten is aangesproken op zijn gedrag. Uit verslagen van gesprekken die in die periode met hem werden gevoerd blijkt dat het eiser ontbrak aan inzicht waarom hij als intimiderend wordt ervaren en dat hij toen heeft ingestemd met een coachingstraject. In het gesprek op 27 maart 2017 is eiser te verstaan gegeven dat zijn gedrag niet meer wordt getolereerd en dat het coachingstraject zijn laatste kans was. Die waarschuwing is hem in een gesprek op 11 juli 2017 in herinnering gebracht, en toen is eiser opnieuw voorgehouden dat bedreigend gedrag niet geaccepteerd wordt.

Eiser heeft het standpunt ingenomen dat in oktober 2017 sprake was van een ‘nullijn’ en dat het verleden was afgesloten. Tegen de achtergrond van de gespreksverslagen uit 2017, waarin wordt gesproken over ‘een laatste kans’ en dat eiser ‘goed op zijn gedrag moet letten’ is dat standpunt van eiser niet te begrijpen. Voor het college was de maat vol in maart 2017, en eiser was een gewaarschuwd man.

Strafontslag is dan ook niet onevenredig aan de aard en de ernst van het vastgestelde plichtsverzuim.

Slotoverwegingen

11. Het bestreden besluit houdt stand op de primaire grondslag van strafontslag. De subsidiaire grondslag behoeft daarom geen bespreking.

12. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

13. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, voorzitter, en mr. P.H.J.G. Römers en mr. drs. E.J. Govaers, leden, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, op 25 maart 2020, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.