Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1431

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
AWB- 19_5125
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5125

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

(gemachtigde: mr. R.S. Wijling),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een erfafscheiding en het bouwen van een overkapping.

Bij besluit van 4 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 7 februari 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Zij werden vergezeld door de echtgenote van eiser.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y. Bons en [naam vertegenwoordiger]

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1. Eiser is eigenaar van het perceel [adres] te [plaatsnaam] (perceel). Op het perceel staat een hoekwoning. Aan het perceelsgedeelte dat eiser als achtertuin gebruikt, grenst een strook grond (strook). De strook was eigendom van de gemeente Roosendaal.

2. In 2016 heeft eiser de strook van de gemeente Roosendaal gekocht en toegevoegd aan het perceelsgedeelte dat hij als achtertuin gebruikt. Vervolgens heeft eiser op de strook een object geplaatst. Hij verkeerde in de veronderstelling dat voor het plaatsen daarvan geen vergunning is vereist.

3. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat voor het plaatsen van bouwwerken en gebouwen op het perceel een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is vereist.

4. Per formulier van 1 mei 2018 (aanvraag) heeft eiser, na een aanschrijving daartoe van verweerder, gevraagd om verlening van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een overkapping en een erfafscheiding op de strook. Deze aanvraag is tot stand gekomen na vooroverleg met verweerder. Eiser heeft een aanvraag ingediend die in overeenstemming was met hetgeen verweerder wilde vergunnen met toepassing van artikel 4, onder 1 van bijlage II bij het Besluit Omgevingsrecht (Bor). De aanvraag was niet (geheel) in overeenstemming met hetgeen eiser al gebouwd had.

5. Bij besluit van 5 juni 2018 (primair besluit) heeft verweerder de gevraagde vergunning verleend, overeenkomstig de door eiser aangeleverde gegevens. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.

7. In beroep voert eiser aan dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Eiser vindt ook dat verweerder niet volledig op het bezwaar heeft beslist, omdat geen onderscheid is gemaakt tussen hetgeen op de strook is gerealiseerd en hetgeen is vergund. Verder is eiser van mening dat hij vergunningvrij mocht bouwen op de strook. De bestemming van de strook is weliswaar niet gewijzigd door de aankoop door eiser, maar de strook behoort inmiddels wel tot het “achtererfgebied” zoals bedoeld in het Bor. Eiser stelt dat het feitelijk gebruik van de strook niet in strijd is met de bestemming en dat de uitleg van verweerder van de regelgeving het vergunningvrij bouwen te vergaand beperkt. Ten aanzien van de erfafscheiding voert eiser aan dat verweerder weliswaar heeft vergund conform de aanvraag, maar dat eiser deze aanvraag enkel heeft gedaan omdat verweerder aangaf een andere erfafscheiding niet te willen vergunnen.

Procesbelang

8. Ter zitting is gebleken dat eiser op de strook iets anders heeft gerealiseerd dan de objecten waarvoor bij het primaire besluit een omgevingsvergunning is verleend.

9. De rechtbank is van oordeel dat eiser toch voldoende belang heeft bij de beoordeling van het beroep en de toetsing van het bestreden besluit. Eiser heeft namelijk leges betaald voor de beslissing op de aanvraag, en hij wil het door hem betaalde bedrag terugontvangen. Daar zou hij voor in aanmerking komen als zou blijken dat hij geen omgevingsvergunning nodig had voor het plaatsen van de aangevraagde bouwwerken.

Omvang van het geschil

10. De omvang van dit geschil is beperkt tot de vraag of hetgeen eiser heeft aangevraagd vergunningvrij geplaatst mocht worden. De vraag of hetgeen eiser in werkelijkheid op de strook heeft gerealiseerd of wil realiseren maakt geen onderdeel uit van dit geschil nu de bestuursrechter slechts het bestreden besluit kan toetsen. Daarom zal de rechtbank de gronden gericht tegen het vergunnen van de erfafscheiding onbesproken laten. Verweerder heeft de erfafscheiding vergund die eiser heeft aangevraagd. Dat eiser liever een andere erfafscheiding had willen plaatsen valt buiten de omvang van dit geschil.

Wettelijk kader

11. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan [bestemmingsplan] (bestemmingsplan). Het bestemmingsplan heeft aan de strook de bestemming ‘Groen’ gegeven. Voorschriften voor het gebruik en de bebouwing van gronden met die bestemming zijn neergelegd in artikel 7 van de regels die tot het bestemmingsplan behoren (planregels). Het plaatsen van de overkapping komt in strijd met artikel 7 van de planregels.

12. Dit betekent dat het plaatsen van de overkapping slechts vergunningvrij is, indien deze voldoet aan alle eisen die zijn gesteld in artikel 2 van bijlage II bij het Bor, bezien in samenhang met artikel 2.1, eerste en derde lid, van de Wabo.

13. Ter zitting is gebleken dat de overkapping zoals deze is aangevraagd:

a. meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw – dit is: de woning van eiser – is verwijderd;

b. is voorzien van een plat dak;

c. een hoogte van 3 meter heeft; en

d. precies op 1 meter van openbaar toegankelijk gebied is gesitueerd.

Daarom is de overkapping – gelet op het bepaalde in artikel 2, derde lid, aanhef en onder b en c, van Bijlage II – vergunningvrij, als de strook kan worden aangemerkt als achtererfgebied.

14. Artikel 1, eerste lid, van het Bor omschrijft het begrip ‘achtererfgebied’ als: “erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.”

15. Artikel 1, eerste lid, van het Bor omschrijft het begrip ‘erf’ als: “al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.”

Vergunningvrij bouwen

16. De strook is direct gelegen bij de woning van eiser en feitelijk ingericht als tuin bij deze woning. Volgens het bestemmingsplan heeft de strook echter (nog steeds) de bestemming “Groen” en in artikel 7 van de planregels worden strenge regels gesteld aan wat op de strook mag worden gebouwd. Daarmee heeft de raad van de gemeente Roosendaal – die het bestemmingsplan heeft vastgesteld – uitdrukkelijk en welbewust gekozen voor een beperking van de mogelijkheid van vergunningvrij bouwen ter plaatse. En daarmee voldoet de strook niet aan de definitie van “erf” in het Bor zoals hiervoor geciteerd. De inrichting van de strook als tuin met daarop bouwwerken is immers verboden in het bestemmingsplan.

17. Eiser heeft met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:571) aangevoerd dat de uitleg die verweerder heeft gegeven aan de begrippen “erf” en “achtererfgebied”, in samenhang met het bestemmingsplan, tot een te vergaande beperking zou leiden van het vergunningvrij bouwen zoals het Bor dat regelt. De rechtbank is van oordeel dat de verwijzing naar deze uitspraak eiser niet kan baten. In de betreffende uitspraak was sprake van een bestemmingplan waarin een generieke regeling was opgenomen, waarin was bepaald dat het bebouwen van gronden met een tuinbestemming aldus werd beperkt, dat deze gronden niet als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II bij het Bor beschouwd mochten worden. Een dergelijke regeling achtte de AbRS niet aanvaardbaar. Van een dergelijke regeling is hier geen sprake. De definitie van “erf” in het Bor gaat juist uit van de mogelijkheid dat de planwetgever bepaald gebruik van gronden kan verbieden, en dus ook het vergunningvrij bouwen op die specifieke gronden kan uitsluiten. Verweerder heeft terecht verwezen naar de uitspraken van de AbRS van 23 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:

2019:3569) en 17 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:340).

18.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de strook niet kan worden gekwalificeerd als erf in de zin van artikel 1 van Bijlage II van het Bor, en dus evenmin als achtererfgebied in de zin van die bepaling. De rechtbank komt tot de conclusie dat de overkapping niet valt onder de reikwijdte van artikel 2, derde lid (aanhef en onder b en c) van het Bor, en dat voor het plaatsen van de overkapping dus wel een omgevingsvergunning is vereist.

Overige gronden

19. In hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel. Dat eiser liever in gesprek was gegaan met verweerder over hetgeen hij daadwerkelijk heeft gerealiseerd op de strook neemt niet weg dat verweerder gehouden was een beslissing op bezwaar te nemen uitgaande van het primaire besluit en van hetgeen eiser had aangevraagd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het primaire besluit terecht in stand heeft gelaten.

Conclusie

20. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Zij ziet geen reden om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die eiser heeft gemaakt.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Koenraad, griffier, op 20 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.