Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1428

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2624 t_m AWB - 19_2629
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV, ZVW, artikel 9.6 Wet IB 2001.

Voor de verzorging van haar zoon krijgt belanghebbende een beloning uit diens PGB. Deze beloning behoort tot haar ROW. Kosten van levensonderhoud van de zoon zijn geen kosten die op dat resultaat in mindering komen.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-04-2020
V-N Vandaag 2020/1049
FutD 2020-1288
V-N 2020/24.26.8
NTFR 2020/1284
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 19/2624 t/m BRE 19/2629

uitspraak van 26 maart 2020

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

Belanghebbende is in beroep gekomen tegen de uitspraken van de inspecteur van 26 april 2019 op de bezwaren tegen en de verzoeken om vermindering van de aan haar opgelegde aanslagen:

  • -

    inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2014 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.030 (aanslagnummer [aanslagnummer].H.46.01), alsmede de daarbij bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 5;

  • -

    inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor het jaar 2014 naar een bijdrage inkomen van € 41.917 (aanslagnummer [aanslagnummer].W.46.01.4), alsmede de daarbij bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 10;

  • -

    IB/PVV voor het jaar 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van (na vermindering bij beschikking van 10 mei 2019) € 49.573 (aanslagnummer [aanslagnummer].H.56.01), alsmede de daarbij bij beschikking te vergoeden belastingrente van € 32;

  • -

    Zvw voor het jaar 2015 naar een bijdrage inkomen van € 50.922 (aanslagnummer [aanslagnummer].W.56.01.4);

  • -

    IB/PVV voor het jaar 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.648 (aanslagnummer [aanslagnummer].H.66.01);

  • -

    Zvw voor het jaar 2016 naar een bijdrage inkomen van € 54.648 (aanslagnummer [aanslagnummer].W.66.01.4).

Hierna tezamen ook wel genoemd: de aanslagen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020 te Breda. Beide partijen zijn niet verschenen.

Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 15 januari 2020 aan haar gemachtigde [gemachtigde] op het postadres [Postbus] te [postcode] [plaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 23 januari 2020 op genoemd postadres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

De inspecteur is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 15 januari 2020 aan het postadres Postbus 30206 te 2500 GE Den Haag, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De inspecteur is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 16 januari 2020 op genoemd postadres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft in de jaren 2014 tot en met 2016 zorg verricht voor haar zoon [de zoon] (hierna: de zoon). De zoon is lichamelijk beperkt. De zoon ontvangt een persoonsgebonden budget (hierna: pgb). Het ontvangen pgb van de zoon betreft in 2014 € 57.722, in 2015 € 60.570 en 2016 € 61.902.

2.2.

Belanghebbende heeft als zorgverlener uit het pgb € 41.917 voor 2014, € 50.922 voor 2015 en € 54.648 voor 2016 ontvangen.

2.3.

In de aangiften IB/PVV 2014 tot en met 2016 heeft belanghebbende de inkomsten ontvangen uit het pgb van haar zoon aangegeven als resultaat uit overige werkzaamheden. In de aangiften IB/PVV 2014 tot en met 2016 heeft belanghebbende geen kosten aangegeven.

2.4.

Naar aanleiding van de ingediende aangiften heeft de inspecteur, met dagtekening 22 december 2016 de aanslag IB/PVV 2014 inclusief een beschikking belastingrente alsmede de aanslag Zvw 2014 inclusief een beschikking belastingrente, met dagtekening 31 december 2016 de aanslag IB/PVV 2015 alsmede de aanslag Zvw 2015 en met dagtekening 27 mei 2017 de aanslag IB/PVV 2016 alsmede de aanslag Zvw 2016 opgelegd.

2.5.

In de herziene aangiften IB/PVV 2014 tot en met 2016, alle ingediend op 28 december 2017, heeft belanghebbende kosten in aftrek gebracht voor de jaren 2014 tot en met 2016, respectievelijk € 16.470, € 21.619 en € 24.107. De kosten bestaan uit vliegtickets, kosten voor vakanties, huisvestigingskosten, telefoon en internetkosten, autokosten, belastingen, verzekeringen en levensonderhoud.

2.6.

De inspecteur heeft de herziene aangiften van 28 december 2017 aangemerkt als bezwaren tegen de aanslagen. De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 26 april 2019 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard in verband met termijnoverschrijding (hierna: de uitspraken op bezwaar). Tevens heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende opgevat als een verzoek om ambtshalve herziening in de zin van artikel 9.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Voor het jaar 2015 heeft de inspecteur het verzoek om ambtshalve herziening gedeeltelijk toegewezen en bij beschikking met dagtekening 10 mei 2019 de aanslag verminderd. In dezelfde brieven als die met de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de overige verzoeken om ambtshalve herziening afgewezen (hierna: de herzieningsbeslissingen).

2.7.

Volgend op de brieven van de inspecteur van 26 april 2019 is belanghebbende tijdig in beroep gekomen bij de rechtbank. Omdat de brieven van 26 april 2019 zowel de uitspraken op bezwaar als de herzieningsbeslissingen bevatten, heeft de rechtbank partijen verzocht aan te geven waartegen de beroepen zich richten. Uit de met belanghebbende en de inspecteur gevoerde correspondentie volgt dat tegen alle genomen besluiten beroep wordt ingesteld, waarbij zij instemmen met het overslaan van de bezwaarfase van de herzieningsbeslissingen (artikel 7:1a van de Awb). De rechtbank zal dus zowel de uitspraken op bezwaar als de herzieningsbeslissingen beoordelen.

De beroepen tegen de uitspraken op bezwaar

2.8.

Ten aanzien van de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar is in geschil of de bezwaren tegen de aanslagen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De termijn om een bezwaarschrift in te dienen bedraagt zes weken. De bezwaren van belanghebbende zijn ruimschoots buiten die termijnen ingekomen bij de inspecteur. Voor de overschrijding van deze termijnen heeft belanghebbende geen gegronde redenen aangevoerd die kunnen leiden tot het achterwege blijven van niet-ontvankelijkverklaringen. De beroepen tegen de uitspraken op bezwaar zijn dan ook ongegrond.

De beroepen tegen de herzieningsbeslissingen

2.9.

Met betrekking tot de herzieningsbeslissingen is in geschil of de aanslagen naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Dit geschil spitst zich toe op de vraag of de door belanghebbende gedane uitgaven aftrekbaar zijn als kosten op het resultaat uit overige werkzaamheden.

2.10.

In artikel 3.94 van de Wet IB 2001 is bepaald:

“Resultaat uit een werkzaamheid (resultaat) is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden behaald met een werkzaamheid.”

In artikel 3.95, eerste lid, van de Wet IB 2001 is het volgende bepaald, voor zover van belang:

“Bij de bepaling van het resultaat zijn de artikelen 3.10, 3.13 tot en met 3.21, 3.25 tot en met 3.30a, 3.55 tot en met 3.58, 3.59, eerste en tweede lid, en 3.60 tot en met 3.62 van overeenkomstige toepassing, alsof de werkzaamheid een onderneming vormt. (…)”

2.11.

Ingevolge artikel 3.95, eerste lid, van de Wet IB 2001 is een groot aantal wettelijke bepalingen betreffende de bepaling van de winst uit onderneming van overeenkomstige toepassing bij de bepaling van het resultaat van een werkzaamheid. Dit brengt onder meer mee dat de kosten die verband houden met de werkzaamheid, met inachtneming van wettelijke kostenaftrekbeperkingen, op het resultaat in mindering komen. Het is aan belanghebbende om de hoogte en de aard van de door haar in aftrek gebrachte kosten aannemelijk te maken. Het vorenstaande brengt mee dat alleen kosten die in een voldoende zakelijk verband staan tot die opbrengsten voor aftrek in aanmerking komen.

2.12.

Het gaat bij de aftrekbaarheid om kosten die verband houden met de door belanghebbende verrichte werkzaamheden als resultaatgenieter. Dit betreft de werkzaamheden die belanghebbende heeft verricht als zorgverlener van haar zoon. Uitgaven die hier geen verband mee houden zijn niet als zakelijk aan te merken en komen niet voor aftrek in aanmerking. Alleen uitgaven die door belanghebbende specifiek in het kader van de door haar jegens haar zoon verrichte arbeid zijn gedaan kunnen als zijnde kosten op het resultaat uit overige werkzaamheden in aftrek worden gebracht. Op belanghebbende rust de bewijslast in dezen. De rechtbank is van oordeel dat de door belanghebbende opgevoerde kosten geen verband houden met de werkzaamheden die zij verricht als zorgverlener. Het pgb is niet toegekend voor de door belanghebbende genoemde uitgaven voor materiële zaken van de zoon zoals vliegtickets, vakanties, huisvestiging, belastingen, telefoon en internet, verzekeringen, auto en levensonderhoud. Het betreffen dus geen kosten in verband met de werkzaamheden van belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de door haar gestelde kosten op het resultaat uit overige werkzaamheden in aftrek kunnen worden gebracht.

Conclusie

2.13.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard.

2.14.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Dockx, griffier, op 26 maart 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting, maar wordt deze uitspraak gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen

Was getekend mr. J. van de Merwe

mr. E.A.D. Dockx mr. J. van de Merwe

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.