Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1389

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
AWB - 19_4453
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4453 WOB

uitspraak van 23 maart 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 juli 2019 (bestreden besluit) waarin verweerder zijn bezwaar niet ontvankelijk heeft verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 2 maart 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H.T.M. van Straaten.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 6 november 2018 heeft eiser een verzoek om informatie, als bedoeld in artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob-verzoek), ingediend bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).


Eiser heeft bij brief van 21 december 2018 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn Wob-verzoek.

Bij besluit van 30 januari 2019 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek gedeeltelijk afgewezen.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft de rechtbank bij uitspraak van 6 mei 2019 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het beroep met inachtneming van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verwezen naar verweerder ter behandeling als bezwaar.

Bij brief van 14 mei 2019 heeft verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift (waarmee de rechtbank doelt op het beroepschrift dat ter behandeling als bezwaar is doorgezonden) bevestigd. In diezelfde brief heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat dit bezwaarschrift geen gronden bevat die zien op de inhoud van het besluit van 30 januari 2019. Verweerder heeft eiser in de gelegenheid gesteld om die gronden binnen vier weken na dagtekening van de brief toe te zenden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift volgens verweerder geen gronden van bezwaar bevat.

Bij brief van 30 augustus 2019 heeft eiser daar beroep tegen ingesteld.

2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het bezwaarschrift wel bezwaargronden bevat. Op 21 februari 2019 heeft eiser een aanvullend beroepschrift toegezonden aan de rechtbank. In dat aanvullend beroepschrift stelt eiser te hebben verwezen naar de in een verzoek om voorlopige voorziening opgenomen gronden en heeft eiser die gronden kort samengevat. De rechtbank heeft het aanvullend beroepschrift, inclusief die gronden, eveneens ter behandeling als bezwaar doorgezonden naar verweerder.

3. In artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb staat dat het bezwaarschrift wordt ondertekend en ten minste de gronden van het bezwaar bevat. Artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het aanvullend beroepschrift van eiser van 21 februari 2019 bij uitspraak van 6 mei 2019 verwezen naar verweerder ter behandeling als bezwaarschrift tegen het besluit van 30 januari 2019. De rechtbank is van oordeel dat in de brief van 21 februari 2019 wel degelijk bezwaargronden zijn opgenomen tegen het besluit van 30 januari 2019. Daar staat immers: “De gronden van beroep staan vermeld in het verzoek voorlopige voorziening dat vandaag eveneens bij uw rechtbank wordt ingediend. Ter voorkoming van herhaling en ter beperking van het gebruik van papier wil ik integraal naar de aldaar benoemde gronden verwijzen. Die gronden houden in dat niet de juiste Wob-afweging heeft plaatsgevonden, met als gevolg dat aan het belang van een wetsovertredend bedrijf om alles geheim te willen houden door de NVWA een zwaardere weging wordt gegeven dan aan de aan de orde zijnde maatschappelijke belangen (w.o. milieu- en klimaatbelangen, gelijk speelveld, controle/naleving democratische rechtsorde). Dit terwijl alle denkbare stukken van andere bedrijven wel ter inzage zijn gegeven. En dit terwijl uit de jurisprudentie blijkt dat het juist tot de taak tot bestuursrechtelijke handhaving behoort om dwangsombesluiten, boetebesluiten, bezwaarschriften enz. te publiceren”. Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser in bezwaar in ieder geval als grond heeft aangevoerd dat een onjuiste belangenafweging ten grondslag ligt aan het besluit van 30 januari 2019. Dat eiser voor een nadere uitwerking van de gronden verwijst naar een verzoek om voorlopige voorziening doet daar niets aan af. In de eerste plaats overweegt de rechtbank dat niet gebleken is dat een dergelijke verwijzing niet zou zijn toegestaan. Als het voor verweerder onduidelijk was welke overige bezwaargronden eiser door middel van die verwijzing heeft bedoeld aan te voeren, had het op de weg van verweerder gelegen om eiser te vragen daar duidelijkheid over te verschaffen. De verwijzing door verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2013:1789), maakt dit niet anders. Uit die uitspraak kan immers alleen worden afgeleid (zie r.o. 2) dat in (hoger) beroep voor de beroepsgronden niet louter mag worden verwezen naar eerder ingediende zienswijzen, bezwaren of beroepsgronden, zonder dat is aangeduid waarom de reactie van het bestuursorgaan op de zienswijze of het bezwaar onderscheidenlijk de reactie van de rechtbank of voorzieningenrechter op de beroepsgronden onjuist is. In de onderhavige zaak was er nog geen oordeel van verweerder op de bezwaargronden, zodat de vergelijking met deze uitspraak hier niet opgaat.

5. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard.

6. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 1024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,-).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten griffier, op 23 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.