Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1382

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
AWB - 18_2190 en 19_2860
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2020/348 met annotatie van L.J. Boone
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 18/2190 WOB en BRE 19/2860 WOB

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2020 in de zaken tussen

[naam eiser1] , te [plaatsnaam] ,

[naam eiser2] , te [plaatsnaam] ,

[naam eiser3] , te [plaatsnaam] ,

[naam eiser4] , te [plaatsnaam2] ,

samen te noemen: eisers,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

en

in de zaak met zaaknummer BRE 18/2190 WOB

de heffingsambtenaar van de gemeente Veere,

en in de zaak met zaaknummer BRE 19/2860 WOB

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere,

verweerders.

Procesverloop

Eisers hebben in de zaak met zaaknummer BRE 18/2190 WOB beroep ingesteld tegen het besluit van de heffingsambtenaar van 6 april 2018 (bestreden besluit I), waarbij de heffingsambtenaar het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van hun verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) niet in behandeling heeft genomen.

De heffingsambtenaar heeft de rapportages controles toeristenbelasting belastingjaar 2014 en 2015 en de controleverslagen toeristenbelasting betrekking hebbende op het belastingjaar 2014 en 2015 overgelegd en daarbij medegedeeld dat enkel de rechtbank kennis mag nemen van deze stukken. In de beslissing van 6 september 2018 heeft de rechtbank dat verzoek op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegewezen en bepaald dat de beperking van de kennisneming van dit stuk gerechtvaardigd is. Op 21 september 2018 hebben eisers de rechtbank toestemming verleend om uitspraak te doen mede op grondslag van deze stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2019. Gemachtigde van eisers was aanwezig. Namens de heffingsambtenaar waren [vertegenwoordiger] en mr. M. Heijboer aanwezig.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om het beroep mogelijkerwijs tegelijk te kunnen behandelen met een eventueel beroep tegen een door het college nog te nemen besluit op het verzoek van eisers om op grond van de Wob stukken openbaar te maken.

Het college heeft bij besluit van 29 maart 2019 (bestreden besluit II) het verzoek van eisers om openbaarmaking van stukken op grond van de Wob afgewezen.

Met instemming van het college hebben eisers rechtstreeks beroep ingesteld tegen het bestreden besluit II. Dit beroep is bekend onder zaaknummer BRE 19/2860 WOB.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgevonden op 20 november 2019. Gemachtigde van eisers was aanwezig. Namens de heffingsambtenaar was mr. M. Heijboer aanwezig en namens het college mr. J. Hofs.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om gemachtigde van eisers in de gelegenheid te stellen de statuten van de [naam eiser4] te verstrekken en aan te tonen dat eisers hem betalen voor de door hem verleende rechtsbijstand.

Gemachtigde van eisers heeft vervolgens stukken overgelegd en ten aanzien van een aantal van die stukken medegedeeld dat enkel de rechtbank kennis mag nemen van nader omschreven delen van deze stukken. Bij beslissing van 9 december 2019 heeft de rechtbank dat verzoek op grond van artikel 8:29 van de Awb afgewezen, omdat het verzoek geen betrekking heeft op stukken die eisers wettelijk verplicht zijn te verstrekken. De rechtbank heeft de stukken geretourneerd. Gemachtigde van eisers heeft dezelfde stukken vervolgens opnieuw ingebracht, waarbij delen van deze stukken zijn weggelakt.

Omdat gemachtigde van eisers aangaf behoefte te hebben aan een nadere zitting zijn de beroepen tot slot besproken op de zitting van de rechtbank op 10 februari 2020 in Breda. Namens de heffingsambtenaar was mr. M. Heijboer aanwezig en namens het college

mr. H.E. Jansen.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden.

1.1

Bij brief van 5 februari 2018 hebben eisers het college en de heffingsambtenaar met een beroep op de Wob verzocht om alle bij hen aanwezige informatie over de controles bij campinghouders naar bedrijfsmatige verhuur in de jaren 2013 tot en met 2017 aan eisers te verstrekken en aldus openbaar te maken.

1.2

Bij besluit van 1 maart 2018 heeft de heffingsambtenaar aan eisers medegedeeld dat op de gemeentelijke belastingen, waaronder de toeristenbelasting valt, de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) van toepassing is. Het verzoek van eisers dient daarom niet te worden beoordeeld op basis van de Wob, maar op basis van de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Awr. Artikel 67 van de Awr is een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter die prevaleert boven de Wob. De heffingsambtenaar heeft het Wob-verzoek daarom afgewezen. Daarnaast staat artikel 67 van de Awr in de weg aan verstrekking van de door eisers verzochte gegevens. Eisers kunnen tegen het besluit om op grond van artikel 67 van de Awr geen gegevens te verstrekken opkomen door een vordering in te stellen bij de burgerlijke rechter.

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 maart 2018. Zij hebben daarbij aangevoerd dat de heffingsambtenaar ten minste een deel van de door hen gevraagde informatie met inachtneming van de bepalingen van de Wob aan hen had moeten verstrekken.

Bij het bestreden besluit I heeft de heffingsambtenaar eisers medegedeeld dat het bezwaar van eisers niet in behandeling wordt genomen.

1.3

Bij het bestreden besluit II heeft het college het verzoek van eisers om verstrekking van de stukken afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de gevraagde stukken niet in bezit zijn van het college, zodat het college de stukken ook niet openbaar kan maken. Het gaat immers om fiscale stukken waar de heffingsambtenaar mogelijkerwijs de beschikking over heeft, aldus het college.

Gronden

2. Eisers hebben in beroep, samengevat, beaamd dat artikel 67 van de Awr een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter is die prevaleert boven de Wob. Artikel 67 van de Awr ziet op informatie over de persoon of zaken van een ander. Voor zover eisers’ verzoek geen betrekking had op informatie over een persoon of zaken van een ander in de zin van artikel 67 van de Awr, had de heffingsambtenaar het verzoek dienen te beoordelen op grond van de Wob. Als voorbeeld hebben eisers erop gewezen dat zij onder meer hebben verzocht om openbaarmaking van de persoonsgegevens van de personen die de controles hebben ingesteld en uitgevoerd, de data en plaatsen van de controles, maar ook het aantal manuren dat aan de controles is besteed. Eisers achten de stelling van de heffingsambtenaar dat er buiten de door heffingsambtenaar overgelegde rapportages en controleverslagen toeristenbelasting over de jaren 2014 en 2015 geen andere informatie beschikbaar is niet aannemelijk. In het beroep tegen het bestreden besluit II hebben eisers aangevoerd dat niet aannemelijk is dat niets van de door hen gevraagde informatie bij het college voorhanden was.

BRE 18/2190 WOB: bevoegdheid rechtbank ten aanzien van Awr

3. De heffingsambtenaar heeft aan de weigering gegevens te verstrekken de geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de Awr ten grondslag gelegd.

4. Artikel 67, eerste lid, van de Awr bepaalt dat het een ieder verboden is hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990.

5. De rechtbank oordeelt dat tegen deze weigering ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Awr geen beroep open stond bij de bestuursrechter die ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb in het algemeen bevoegd is ter zake van besluiten. De rechtbank verklaart zich in zoverre dan ook onbevoegd kennis te nemen van het door eisers ingestelde beroep. Nu tegen deze weigering gelet op artikel 26, eerste lid, van de Awr evenmin beroep bij de belastingrechter openstaat, stelt de rechtbank met het oog op artikel 8:71 van de Awb vast dat eisers in zoverre uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kunnen instellen.

BRE 18/2190 WOB: ontvankelijkheid bezwaar met betrekking tot Wob

6. Mede gelet op de toelichting ter zitting, begrijpt de rechtbank het besluit van

1 maart 2018 aldus dat de heffingsambtenaar daarin ook een besluit heeft genomen op het Wob-verzoek. Omdat de Awr prevaleert, komt de heffingsambtenaar naar eigen zeggen niet toe aan het verzoek op grond van de Wob. De rechtbank begrijpt dat het Wob-verzoek in zoverre is afgewezen, omdat alle beschikbare informatie volgens de heffingsambtenaar onder de Awr valt.

De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of de weigering in zoverre een besluit is waartegen bezwaar en beroep open stond.

De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan dient te onderzoeken of een bijzondere regeling, zoals de Awr, alle gevraagde informatie bestrijkt. Wanneer dat niet het geval is, moet het bestuursorgaan het gedeelte van het verzoek dat betrekking heeft op informatie, die niet onder de bijzondere regeling valt, met toepassing van de Wob afdoen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1625). De reactie van het bestuursorgaan daarop vormt een besluit waartegen bezwaar en beroep open staat.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt niet alle informatie waarvan eisers openbaarmaking hebben verzocht bestreken door de Awr. Steun daarvoor vindt de rechtbank in het feit dat de documenten die de heffingsambtenaar met een verzoek tot beperkte kennisneming aan de rechtbank heeft verstrekt passages bevatten die niet worden bestreken door de Awr. Niet alle in de door de heffingsambtenaar met een beroep op artikel 8:29 overgelegde stukken vervatte informatie, die onder de reikwijdte van het openbaarmakingsverzoek valt, is te brengen onder “hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld”. De afwijzing van het verzoek door de heffingsambtenaar is in zoverre dan ook een besluit waartegen bezwaar en beroep open stond. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eisers bij het bestreden besluit I in zoverre dan ook ten onrechte niet in behandeling genomen (de rechtbank begrijpt: niet-ontvankelijk verklaard).

7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit I zal worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit I in stand te laten en geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal de heffingsambtenaar opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De rechtbank overweegt daarbij dat het aan de heffingsambtenaar is om (verder) te onderzoeken welke informatie die onder het verzoek valt, wel en niet valt onder “hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld” en daarom niet openbaar gemaakt wordt en welke informatie niet onder het bereik van artikel 67 van de Awr valt en daarover aan de hand van de Wob een inhoudelijk besluit te nemen op het verzoek om verstrekking daarvan.

BRE 19/2860 WOB

8. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wob wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder document verstaan een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

9. Het college heeft aan de weigering stukken te verstrekken ten grondslag gelegd dat de gevraagde stukken niet in bezit zijn van het college, zodat het college de stukken ook niet openbaar kan maken. Het gaat immers om fiscale stukken, waar de heffingsambtenaar de beschikking over heeft, aldus het college.

Eisers hebben aangevoerd dat het onaannemelijk is dat niets van de door hen gevraagde informatie bij het college voorhanden was.

10. De rechtbank stelt voorop dat het begrip “berusten” feitelijk moet worden uitgelegd. Als het betreffende document zich fysiek onder een bestuursorgaan bevindt, valt het – behoudens het bestaan van bijzondere openbaarmakingsregelingen – onder het bereik van de Wob (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT9283).

Nu uit de aan het bestreden besluit II ten grondslag liggende motivering niet blijkt of het college feitelijk heeft onderzocht of en zo ja welke met het Wob-verzoek verband houdende stukken onder hem berusten, is de motivering naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende draagkrachtig.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit II zal worden vernietigd.

Ter zitting is namens het college naar voren gebracht dat onderzocht is welke stukken het college had. Het college heeft geconcludeerd dat het gelet op het verzoek uitsluitend stukken betreft die onder de heffingsambtenaar berusten. De functie van heffingsambtenaar is van de gemeente Veere is thans belegd bij een medewerker van een medewerker van belastingsamenwerking tussen een aantal Zeeuwse gemeenten. De belastingsamenwerking is gevestigd in Middelburg en bevindt zich feitelijk op een andere locatie dan de gemeentelijke organisatie.

De omstandigheid dat de documenten mogelijkerwijs onder de heffingsambtenaar berusten, ontslaat het college niet van de verplichting tot het doen van onderzoek. Wanneer een document zich bij meerdere bestuursorganen bevindt, kan het document als regel bij beide bestuursorganen worden opgevraagd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU8863). Nu ook uit de toelichting ter zitting niet blijkt op welke wijze het college heeft onderzocht of en zo ja welke met het Wob-verzoek verband houdende stukken onder hem berusten, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit II in stand te laten. De ter zitting gegeven toelichting dat de gemeente geen enkel schriftelijk stuk bezit over de controles over de toeristenbelasting; zelfs niet over de jaren dat de functie heffingsambtenaar nog niet was ondergebracht in het samenwerkingsverband, komt de rechtbank niet meteen aannemelijk voor.

11. De rechtbank zal het college opdragen een nieuw besluit te nemen op het verzoek met inachtneming van deze uitspraak.

BRE 18/2190 WOB en BRE 19/2860 WOB: griffierecht en proceskosten

12. Nu de beroepen gegrond worden verklaard, dient het griffierecht in ieder van de zaken aan eisers te worden vergoed.

13. De heffingsambtenaar en het college hebben zich op het standpunt gesteld dat gemachtigde geen aanspraak kan maken op een proceskostenvergoeding. Gemachtigde heeft weliswaar een machtiging overgelegd van [naam eiser4] , maar deze machtiging is ten onrechte alleen ondertekend door de voorzitter van de stichting. Omdat de machtiging gebrekkig is, moet het ervoor worden gehouden dat gemachtigde uitsluitend optreedt voor [naam eiser1] , [naam eiser2] en [naam eiser3] In die verhouding kan gemachtigde niet worden aangemerkt als een derde die beroepsmatig bijstand verleent. De belangen van gemachtigde en [naam eiser1] , [naam eiser2] en [naam eiser3] zijn daarvoor te zeer verweven. Dit blijkt volgens de heffingsambtenaar en het college onder meer uit de omstandigheid dat niet gebleken is dat [naam eiser1] , [naam eiser2] en [naam eiser3] gemachtigde betalen voor zijn dienstverlening.

Naar aanleiding van deze stelling heeft gemachtigde onder meer de statuten van [naam eiser4] . Daaruit (artikel 7) volgt dat de stichting in en buiten rechte uitsluitend wordt vertegenwoordigd door de voorzitter en de secretaris of de voorzitter en de penningmeester. Daarnaast heeft gemachtigde een begeleidende brief van [naam eiser4] overgelegd, waarin [naam eiser4] de aan gemachtigde verleende machtiging bekrachtigt. De brief is ondertekend door de voorzitter en de secretaris van [naam eiser4] .

Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende gebleken dat [naam eiser4] gemachtigde heeft gemachtigd namens de stichting op te treden. Dat, zoals de heffingsambtenaar en het college hebben gesteld, niet gebleken is van een opdracht van de stichting aan gemachtigde, maakt het voorgaande niet anders.

Niet in geschil is dat de door gemachtigde aan de stichting verleende rechtsbijstand moet worden aangemerkt als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dat betekent dat de rechtbank de heffingsambtenaar en het college zal veroordelen in de proceskosten. Omdat gemachtigde voor eisers samen één beroepszaak aanhangig heeft gemaakt, en de proceskosten voor alle eisers samen wordt toegekend, komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de stelling dat de belangen van gemachtigde zodanig zijn verweven met de belangen van [naam eiser1] , [naam eiser2] en [naam eiser3] dat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De rechtbank constateert dat de beroepen vanaf de behandeling ter zitting op 20 november 2019 gelijktijdig zijn behandeld, waarbij rechtsbijstand steeds is verleend door dezelfde gemachtigde. Zijn werkzaamheden waren in beide zaken vanaf dat moment steeds nagenoeg identiek. De rechtbank merkt de zaken vanaf de behandeling ter zitting op 20 november 2019 daarom aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Dat betekent dat de forfaitaire vergoeding vanaf de zitting van 20 november 2019 gelijkelijk wordt verdeeld over de twee zaken.

Met inachtneming van het voorgaande stelt de rechtbank in de zaak met zaaknummer BRE 18/2190 WOB de proceskosten op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.443,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 8 maart 2019, 0,5 punt (1 punt / 2 zaken) voor het verschijnen ter zitting van 20 november 2019 en 0,25 punt (0,5 punt / 2 zaken) voor het verschijnen ter nadere zitting van 10 februari 2020, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1).

In de zaak met zaaknummer BRE 19/2860 WOB stelt de rechtbank de proceskosten op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 918,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt (1 punt / 2 zaken) voor het verschijnen ter zitting van 20 november 2019 en 0,25 punt (0,5 punt / 2 zaken) voor het verschijnen ter nadere zitting van 10 februari 2020, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

in het beroep met zaaknummer BRE 18/2190 WOB

- verklaart zich onbevoegd om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen, voor zover dat beroep is gericht tegen het deel van het bestreden besluit I waarbij het verzoek om informatie is afgewezen krachtens artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit I voor zover het bezwaar van eisers tegen de weigering om op grond van de Wob documenten openbaar te maken daarin niet-ontvankelijk is verklaard;

  • -

    draagt de heffingsambtenaar op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.443,75.

in het beroep met zaaknummer BRE 19/2860 WOB

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit II;

  • -

    draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het verzoek met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 345,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 918,75.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

23 maart 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.