Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1352

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
02/369932 HA RK 20-58
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Middelburg

Procedurenummer: 02/369932 HA RK 20-58

Beslissing van 19 maart 2020 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen verzoeker.

1 Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de zaak met nummer 8323121/20-14. Er is geen proces-verbaal van de zitting van 9 maart 2020 opgemaakt;

  • -

    het wrakingsverzoek van 9 maart 2020, ontvangen op 11 maart 2020;

  • -

    de schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van de rechter, ontvangen op

11 maart 2020;

  • -

    de schriftelijke reactie van verzoeker op het verweerschrift van de rechter, ontvangen op 13 maart 2020;

  • -

    het e-mailbericht van verzoeker van 16 maart 2020 waarin hij de wrakingskamer wraakt.

1.2.

Op 16 maart 2020 heeft verzoeker de wrakingskamer gewraakt en daartoe aangevoerd dat de rechter die hij wraakt lid is van de wrakingspoule. De wrakingskamer passeert dit verzoek omdat de gewraakte rechter immers geen deel uitmaakt van de wrakingskamer die zijn verzoek behandelt en het verzoek derhalve feitelijke grondslag mist.

1.3.

Voordat de wrakingskamer een inhoudelijke beoordeling geeft op het wrakingsverzoek merkt zij op dat zij in deze zaak – noodgedwongen en bij wijze van grote uitzondering – ervoor heeft gekozen het wrakingsverzoek te behandelen zonder mondelinge behandeling, gelet op het spoedeisend belang in de hoofdzaak en gelet op de maatregelen die door de rechtspraak zijn genomen omtrent het coronavirus. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker en de rechter voldoende in de gelegenheid zijn gesteld om hun standpunten naar voren te brengen.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. [voorletter] Kool, hierna te noemen de rechter, belast met de behandeling de zaak met procedurenummer 8323121/20-14, waarbij eiser/verhuurder, [eiser / verhuurder 1] , in kort geding – kort gezegd – ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen heeft gevorderd. Verzoeker is huurder van de woning.

2.2.

De rechter berust niet in het wrakingsverzoek.

3. De gronden van het wrakingsverzoek

3.1.

Nadat op 9 maart 2020 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, is door verzoeker diezelfde dag per brief een verzoek tot wraking van de rechter ingediend. Door verzoeker is aangevoerd dat hij op de zitting geen kans heeft gekregen om mondeling verweer te voeren en daarnaast is zijn schriftelijk verweer niet door de rechter aanvaard. Hierdoor bestaat een schijn van partijdigheid of objectieve gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid door de rechter.

3.2.

Ook na de reactie van de rechter heeft verzoeker volhard in zijn wrakingsverzoek. In zijn aanvullende reactie op 16 maart 2020 heeft verzoeker zijn eerdere gronden herhaald en nader toegelicht. Zo zou de rechter meerdere malen hebben opgemerkt dat de door verzoeker aangedragen punten onbelangrijk zijn.

4 Het standpunt van de rechter

4.1.

De rechter is van oordeel dat geen gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid kan worden afgeleid uit hetgeen door hem op de zitting is gezegd.

Het primaire standpunt van [eiser / verhuurder 1] is dat de huur per eind februari 2020 met wederzijds goedvinden is geëindigd, het subsidiaire standpunt is dat de huur rechtsgeldig is opgezegd tegen eind maart 2020. In antwoord op de vragen van de rechter heeft verzoeker geantwoord dat hij de huur heeft opgezegd per eind februari 2020 omdat hij een andere woning ging huren. Het bericht van de opzegging zit bij de stukken. Hierdoor is duidelijk dat de huur per eind februari 2020 is beëindigd. Verzoeker zou de sleutel van zijn andere woning later krijgen dan gedacht, omdat de woningcorporatie de badkamer zou (laten) opknappen. Dat zou kunnen duren tot 23 maart 2020 maar daarover had hij geen zekerheid.

De rechter licht toe met het oog op het belang van beide partijen dat hij heeft geprobeerd hen ertoe te bewegen een vaststellingsovereenkomst te sluiten die onder meer in zou houden dat verzoeker de woning zou ontruimen per 23 maart 2020. Verzoeker stemde daar niet mee in. Verzoeker heeft op de zitting erkend dat hij met ingang van 1 december 2019 geen huur meer heeft betaald om de waarborgsom te verrekenen. Hij wist niet dat dit niet mocht. De rechter merkt op bovendien kritische vragen gesteld te hebben aan [eiser / verhuurder 1] over de vordering tot betaling van de contractuele rente. Ook is door de rechter onderzocht of de vrouw van verzoeker medehuurder is in de zin van artikel 7:266 van het Burgerlijk Wetboek. Dat bleek niet het geval. De rechter is van mening dat hij voldoende onderzoek heeft gedaan naar het verweer van verzoeker en hij de stelling van verzoeker dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zijn verweer toe te lichten, niet kan volgen.

De rechter licht verder toe dat hij de stukken, een pakket van 1 cm dikte, die verzoeker ter zitting nog wilde indienen, heeft geweigerd, omdat deze stukken niet vooraf zijn ingediend en [eiser / verhuurder 1] deze stukken dus niet heeft kunnen lezen en een reactie daarop heeft kunnen voorbereiden. De rechter heeft dit geprobeerd uit te leggen aan verzoeker.

5 De beoordeling en de gronden daarvoor

5.1.

Op grond van artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke partijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2.

Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3.

Te onderzoeken is vervolgens of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert – objectief – gerechtvaardigd is.

5.4.

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt. Uit de schriftelijke reactie van de rechter volgt dat de rechter zowel aan verzoeker als aan [eiser / verhuurder 1] kritische vragen heeft gesteld en dat de rechter daarbij is ingegaan op hetgeen door verzoeker is aangevoerd. Over de tweede grond van verzoeker, namelijk dat zijn schriftelijk verweer op de zitting niet is aanvaard door de rechter overweegt de wrakingskamer dat in het ‘landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken, kanton’ het volgende is opgenomen:

6.2 Termijn voor indiening

Stukken worden zo spoedig mogelijk ingediend. Stukken die niet dienovereenkomstig zijn ingediend, kunnen door de kantonrechter buiten beschouwing worden gelaten. Stukken die binnen 24 uur (één werkdag) vóór de mondelinge behandeling worden ingediend, worden in beginsel buiten beschouwing gelaten. (Hoge Raad 29 november 2002, LJN AF1210, NJ 2004, 172, HR 17 februari 2006, LJN AU4616, NJ 2006, 156 en HR 3 december 2010, LJN BO0197.”

Gelet hierop kan de wrakingskamer de rechter volgen in zijn beslissing om deze stukken, die verzoeker tijdens de zitting in wilde dienen, te weigeren. Overigens gaat het hier om een procesbeslissing, waartegen zo nodig rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, maar die zich in het algemeen niet leent voor een wrakingsverzoek. Door het weigeren van deze stukken is naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake van partijdigheid van de rechter.

5.5.

Gelet op al het voorgaande is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter ten aanzien van hem vooringenomenheid koestert objectief gerechtvaardigd is.

5.6.

Dit alles leidt ertoe dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

6 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de behandeling van de zaak met zaaknummer 8323121/20-14 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 19 maart 2020 door mrs.Peters, De Jager en

Eijssen, leden van de wrakingskamer, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Rockx, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.