Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1341

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1665
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:4122, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag IB/PVV. Artikel 16 AWR, nieuw feit.

Informatie die volgt uit het onderzoek naar de aangifte en aanslag IB/PVV 2016 vormen een nieuw feit. Dat de aanleiding van het onderzoek is gelegen in het bezwaar dat is gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2015, leidt er niet toe dat er geen sprake is van een nieuw feit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 02-04-2020
V-N Vandaag 2020/847
FutD 2020-1105
NTFR 2020/1604 met annotatie van mr. R.W.J. Kerckhoffs
V-N 2020/27.35.39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 19/1665

uitspraak van 20 maart 2020

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 25 februari 2019 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2016 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.136, alsmede de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 73 (aanslagnummer [aanslagnummer].H.67.01).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2020 te Eindhoven. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur [naam 1] en [naam 2].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende exploiteert samen met zijn echtgenote een fiscaal adviesbureau in de vorm van een V.O.F. onder de naam [bedrijf].

2.2.

Belanghebbende is vanwege gezondheidsproblemen niet in staat om zijn aangiften IB/PVV zelf digitaal in te dienen. Daarom heeft hij voor de jaren 2015 en 2016 zijn aangifte IB/PVV eerst zelf op papier ingevuld waarna zijn zoon de gegevens heeft overgenomen in de digitale aangifte. De aangiften IB/PVV voor 2015 en 2016 zijn vervolgens digitaal ingediend.

2.3.

Belanghebbende ontvangt zowel in 2015 als in 2016 een Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen uitkering (hierna: WAZ-uitkering) van het UWV. In de ingediende aangiften IB/PVV voor 2015 en 2016 heeft belanghebbende de WAZ-uitkering aangegeven als loon uit tegenwoordige arbeid. In de digitale aangiften voor 2015 en 2016 is ter zake van de WAZ-uitkering naast de bedragen aan uitkering en loonheffing enkel vermeld: voor 2015 “UWV” en voor 2016 “UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN”. De uitkering is daardoor ook meegenomen in de berekening van de arbeidskorting en werkbonus.

2.4.

Met dagtekening 15 december 2017 is de definitieve aanslag IB/PVV 2016 opgelegd conform de door belanghebbende ingediende aangifte.

2.5.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2015. Naar aanleiding daarvan is belanghebbende om nadere informatie verzocht. In antwoord daarop heeft hij bij brief van 20 februari 2018 onder andere de door hem op papier ingevulde aangifte IB/PVV voor 2015 overgelegd. De inspecteur heeft geconstateerd dat de door belanghebbende ingevulde aangifte op papier afwijkt van de digitaal ingediende aangifte. In de papieren aangifte is de WAZ-uitkering aangegeven als loon uit vroegere arbeid, in tegenstelling tot de digitale aangifte waar de WAZ-uitkering als loon uit tegenwoordige arbeid is aangegeven.

2.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de WAZ-uitkering loon uit vroegere arbeid is. Naar aanleiding van de door belanghebbende op 20 februari 2018 overgelegde informatie (zie 2.5) heeft de inspecteur nader onderzoek gedaan naar de aanslag IB/PVV 2016 en geconstateerd dat ook voor dat jaar de WAZ-uitkering ten onrechte is aangegeven als loon uit tegenwoordige arbeid.

2.7.

Met dagtekening 1 mei 2018 is aan belanghebbende de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 opgelegd. De inspecteur heeft de WAZ-uitkering gecorrigeerd naar loon uit vroegere arbeid. Hierdoor heeft belanghebbende deels geen recht meer op arbeidskorting en een werkbonus.

2.8.

Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Dit geschil spitst zich toe op beantwoording van de vraag of er sprake is van een nieuw feit dan wel een kenbare fout waardoor navordering gerechtvaardigd is.

2.9.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat er niet kon worden nagevorderd omdat er geen sprake is van een nieuw feit in de zin van artikel 16 van de AWR. Volgens hem levert een fout die is geconstateerd in een aanslagregeling van een ander jaar (2015) geen nieuw feit op dat navordering kan rechtvaardigen in het onderhavige jaar (2016).

2.10.

De inspecteur stelt primair dat er sprake is van een nieuw feit waardoor navordering mogelijk is op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR. Subsidiair stelt de inspecteur dat er sprake is van een kenbare fout als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR.

2.11.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een navorderingsaanslag opleggen als enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast voor de feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een nieuw feit dan wel kwade trouw, rust op de inspecteur.

2.12.

Bij het vaststellen van de aanslag mag de inspecteur in beginsel uitgaan van de juistheid van de gegevens die belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is de inspecteur in beginsel niet gehouden. Dit is anders wanneer de inspecteur, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen (vgl. HR 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3080). Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

2.13.

De rechtbank overweegt dat de inspecteur in het onderhavige geval mocht uitgaan van de juistheid van de aangifte. De inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat de aangifte op zichzelf geen reden gaf tot enige twijfel. De aangifte maakte een verzorgde indruk en de uitkering van het UWV had ook inkomen uit tegenwoordige arbeid kunnen zijn omdat er niet in de aangifte vermeld is om wat voor uitkering het gaat.

2.14.

Naar aanleiding van de door belanghebbende overgelegde papieren aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 heeft de inspecteur aanleiding gezien ook de aangifte en aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 opnieuw te bekijken. Aangezien eerst op dat moment (20 februari 2018 of enig moment daarna) duidelijk werd dat in het jaar 2016 ten onrechte de WAZ-uitkering als inkomen uit tegenwoordige arbeid is aangegeven, beschikt de inspecteur over een nieuw feit in de zin van artikel 16 van de AWR. Deze informatie was bij de inspecteur niet eerder bekend en had hem ook redelijkerwijs niet bekend hoeven zijn. Dat de aanleiding van het onderzoek naar de aanslag IB/PVV 2016 is gelegen in het bezwaar dat is gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2015, leidt er niet toe dat er geen sprake is van een nieuw feit. De navorderingsaanslag is terecht aan belanghebbende opgelegd.

2.15.

Nu het primaire standpunt van de inspecteur wordt gevolgd, behoeft het subsidiaire standpunt van de inspecteur geen behandeling meer.

2.16.

Belanghebbende heeft tegen de beschikking inzake de belastingrente geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Nu niet in geschil is dat de belastingrente volgens de wettelijke regels is berekend is die belastingrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening gebracht.

2.17.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier, op 20 maart 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting maar wordt deze uitspraak gepubliceerd op rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.