Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1306

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
02-113762-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Op 10 mei 2019 werd bij toeval op een binnenvaartschip een enorm drugslaboratorium aangetroffen, waar op dat moment het productieproces van chrystal meth in volle gang was. De eigenaar van het schip en drie Mexicanen (de “laboranten”) werden aangehouden. De eigenaar van het schip had zijn schip voor de productie van verdovende middelen aan onbekenden ter beschikking gesteld en wordt daarom veroordeeld tot 32 maanden gevangenisstraf voor de medeplichtigheid aan de productie, medeplichtigheid aan het voorhanden hebben van chrystal meth en het plegen van voorbereidingshandelingen van Opiumwetfeiten. De drie Mexicanen worden veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf voor het medeplegen van diezelfde feiten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-113762/19

vonnis van de meervoudige kamer van 19 maart 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1954 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid-West, De Dordtse Poorten

raadsman mr. Welvaart, advocaat te Maastricht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 en 13 februari 2020 en 19 maart 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Gudde, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

1

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 december 2018 tot en met 10 mei 2019 te Moerdijk, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende methamfetamine en/of methamfetamine-olie, (telkens) (een) middel(en) vermeld op lijst 1 bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, in elk geval (telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende één of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of één of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 december 2018 tot en met 10 mei 2019 te Moerdijk, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk hebben/heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende methamfetamine en/of methamfetamine-olie, (telkens) (een) middel(en) vermeld op lijst 1 bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, in elk geval (telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende één of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

bij/tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 12 december 2018 tot en met 10 mei 2019 te Moerdijk, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) een (deel van een) (motor)schip/boot, te weten de ‘ [naam schip] ’, ter beschikking te stellen;

(art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 48 ahf/ond 1/2 Wetboek van Strafrecht)

2

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 december 2018 tot en met 10 mei 2019 te Moerdijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van methamfetamine en/of methamfetamine-olie, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, (telkens) zijnde methamfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)(telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen voorhanden gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of

ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij

bestemd was/waren tot het plegen van het/die delict(en),

immers, heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (telkens) in de voornoemde periode in voornoemde pleegplaats

- een grote hoeveelheid jerrycans en/of vaten en/of (andere soorten) verpakkingen met daarin grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden gehad, waaronder calcic soda, en/of

- meerdere onderdelen van (een) productieopstelling(en) voorhanden gehad, waaronder een of meerdere: vrieskist(en) en/of koolstoffilter(s) en/of een destillatievat en/of centrifuge(s) en/of een elektrisch fornuis;

(art 10 lid 4 Opiumwet, art 10 lid 5 Opiumwet, art l0a lid 1 ahf/sub 2 alinea Opiumwet, art 47 lid 1 ahf sub 1 Wetboek van Strafrecht)

3

hij op of omstreeks 10 mei 2019 te Moerdijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 70,949 kilogram methamfetamine en/of 147,7 liter methamfetamine(olie), in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)1(en) bevattende methamfetamine, zijnde

methamfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf’sub 1 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of één of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 10 mei 2019 te Moerdijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig hebben/heeft gehad ongeveer 70,949 kilogram methamfetamine en/of 147,7 liter methamfetamine(-olie), in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende methamfetamine, zijnde methamfetamine een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, bij/tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, op of omstreeks 10 mei 2019 te Moerdijk, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) een (deel van een) (motor)schip/boot, te weten de ‘ [naam schip] ’, ter beschikking te stellen;

(art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 48 ahf/ond 1/2 Wetboek van Strafrecht)

3 De voorvragen

3.1

De dagvaarding is geldig.

3.2

De rechtbank is bevoegd.

3.3

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

3.3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens ernstige schendingen van de beginselen van behoorlijke procesorde door met de opsporing belaste ambtenaren. Volgens de verdediging is doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak in ernstige mate te kort gedaan. Ter onderbouwing van het verweer heeft de verdediging aangevoerd dat er sprake is geweest van het doelbewust, in strijd met de waarheid opmaken van processen-verbaal én beïnvloeding van opsporingsambtenaren teneinde (te trachten) verdachte maximaal veroordeeld te krijgen voor het hem ten laste gelegde. Door de verdediging is hierbij gewezen op de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van de opsporingsambtenaren [naam 1] en [naam 2] en de daarbij door verbalisant [naam 2] overhandigde e-mails die aan het betreffende proces-verbaal zijn gehecht.

De verdediging is van mening dat de verbalisanten tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd, dat hun verklaringen zelfs lijnrecht tegenover elkaar staan en dat zij daarnaast ook in strijd met de waarheid hebben geverbaliseerd. Het gaat dan om omstandigheden zoals het roken door verdachte [verdachte] in ruimte 2, het laboratorium; wie er heeft aangeklopt op de deur van ruimte 2, verdachte of de verbalisanten; en of verdachte [verdachte] zelf wel of niet in ruimte 2 is geweest. Voorts heeft de verdediging gewezen op de wijze waarop de aanvullende processen-verbaal tot stand zijn gekomen en de sturende rol daarbij van verbalisant [naam 3] . In dat verband wijst de verdediging op een e-mail van 7 januari 2020 en zoals daaruit blijkt de op die dag en eerder in december 2019 gevoerde telefoongesprekken door [naam 3] met [naam 2] . De verdediging is van mening dat daaruit volgt dat is geprobeerd de rol van verdachte op te plussen en dat daarvoor de getuige [naam 2] werd beïnvloed en gestuurd.

Daarnaast wijst de verdediging op een volgens hen opvallend en onoirbaar feit dat getuigen [naam 1] en [naam 2] nader overleg hebben gehad over het naderende getuigenverhoor bij de rechter-commissaris. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat er de dag van het onderzoek op het schip helemaal geen hennepgeur is waargenomen en dat dat ook niet kon, gelet op de daar aanwezigen chemische stoffen. Dat de hennepgeur kon worden verklaard door de aanwezigheid van methylthioglycolaat betwist de verdediging omdat dat een sterk geurende stof is die ruikt naar rotte eieren.

De verdediging is van mening dat er in deze zaak meerdere normen en voorschriften zijn geschonden en het beschermd belang van die normen is een integere opsporing en vervolging. De rechter mag in het strafproces niet willens en wetens worden misleid teneinde een veroordeling te bewerkstelligen. Deze ernstige schendingen zijn volgens de verdediging onherstelbaar en de opsporingsambtenaren en daarmee het openbaar ministerie hebben een ernstige inbreuk gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte en diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. De enige passende en logische sanctie die daarop dient te volgen is volgens de verdediging om het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren.

Voorts heeft de verdediging bij pleidooi ter onderbouwing van het verweer nog naar voren gebracht dat de medeverdachte [medeverdachte 1] ter zitting als getuige onder ede heeft verklaard dat in het laboratorium wel degelijk is gerookt door hemzelf, medeverdachte [medeverdachte 3] en door verdachte [verdachte] , in het bijzijn van de verbalisanten. Daaruit volgt volgens de verdediging nog maar eens dat de verbalisanten op dit punt glashard liegen.

3.3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat door de verdediging een rookgordijn wordt opgeworpen, maar dat niet aannemelijk wordt gemaakt dat er daadwerkelijk sprake is van schending van normen en/of voorschriften als integere opsporing of integere vervolging. Dat de verbalisanten zouden hebben gelogen over een aantal zaken, waaronder ook over de weedlucht en daarmee over de aanleiding van het onderzoek is volgens de officier van justitie onvoldoende onderbouwd. De weedlucht is verklaarbaar door het later op het schip aangetroffen laboratorium. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar stelling ter terechtzitting een monster van de betreffende chemische stof laten ruiken. Volgens haar was het die lucht die werd waargenomen, daarover bestaat volgens de processen-verbaal geen twijfel, en verspreid die chemische stof een weedachtige lucht.

Het klopt volgens de officier van justitie dat er verschillende processen-verbaal zijn opgemaakt, al dan niet naar aanleiding van verduidelijkingsvragen gesteld door verbalisant [naam 3] . Die vragen zijn kennelijk eerst van tevoren telefonisch besproken met verbalisant [naam 2] en vervolgens per e-mail bevestigd. De officier van justitie is van mening dat dit geen beïnvloeding van getuigen is, maar dat het eerder juist transparant is dat daarvan processen-verbaal van zijn opgemaakt.

Voorts is de officier van justitie van mening dat van bewust liegen of bewuste verstoring van het proces van waarheidsvinding geen sprake is nu de getuigen [naam 2] en [naam 1] bij de rechter-commissaris anders hebben verklaard dan ze hebben opgeschreven bij aanhouding. Blijkbaar, zo stelt de officier van justitie, hebben de verbalisanten [naam 2] en [naam 1] in februari 2020 uit hun herinnering geput en is die anders dan op 10 mei 2019, in november 2019 en januari 2020.

De officier van justitie is dan ook van mening dat er geen ernstige fouten in het vooronderzoek zijn gemaakt en dat door de verdediging onvoldoende is onderbouwd welke nadelen verdachte zijn toegebracht. De door de verdediging gestelde vragen bij de opgemaakte processen-verbaal zijn volgens de officier van justitie bewijswaarderingsvragen, die niet vallen onder de “Zwolsman-norm” en daarom niet kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

3.3.3

Het oordeel van de rechtbank

De eerste vraag die naar het oordeel van de rechtbank beantwoord moet worden, is of de verbalisanten in strijd met de waarheid hebben verbaliseerd en verklaard.

Daarbij gaat het met name over de punten:

- de aanwezigheid van [verdachte] in ruimte 2 (het lab);

- het roken door [verdachte] in aanwezigheid van verbalisanten;

- door wie is er geklopt op de deur die toegang gaf tot het lab.

De rechtbank betrekt in haar beoordeling van deze vraag de volgende processen-verbaal.

Het proces-verbaal van 10 mei 2019 dat handelt over de verdenking en de wijze waarop toegang werd verkregen tot het lab, opgemaakt door [naam 2] en [naam 1] samen en door hen beiden ondertekend.

Daarin staat over voornoemde drie punten:

 ” ”Wij klopten op die deur” (De rechtbank begrijpt dat verbalisanten daarmee zichzelf bedoelen en dat het de deur betreft die toegang geeft tot het lab);

 ” De verbalisanten treffen 3 mannen aan in ruimte 2 (het lab);

 ” In het proces-verbaal wordt niets gezegd over waar de verdachten hebben plaatsgenomen om te wachten en niets over het al dan niet roken. Ook staat daarin niet vermeld of [verdachte] in ruimte 2 (het lab) is geweest.

Het proces-verbaal van 19 november 2019, opgemaakt en ondertekend door [naam 2] . In dit proces-verbaal staat onder andere over voornoemde punten het volgende

 De verbalisanten zagen in het ruim nog een deur. [verdachte] probeerde de deur te openen door aan de klink te trekken. Dat lukte niet omdat deze op slot was. [verdachte] klopte daarna 2 à 3 keer op de deur van de tweede ruimte. Daarna werd de deur van de tweede ruimte geopend;

 De verbalisanten zagen toen 3 personen;

 Door een van de verdachten werd gevraagd of hij mocht roken. (de rechtbank begrijpt uit de context dat daarmee een van de Mexicanen wordt bedoeld). Dat werd verboden;

 De situatie ter plaatse werd vervolgens bevroren;

 Ze zijn met [verdachte] het ruim ingegaan en daar heeft [verdachte] niet gerookt of een shaggie gedraaid;

 In het proces-verbaal wordt niet vermeld of [verdachte] in ruimte 2 (het lab) is geweest.

Het proces-verbaal van 10 mei 2019 opgemaakt en ondertekend door verbalisant [naam 4] . Hierin wordt aangegeven dat hij in het ruim zag dat er nog een deuropening was naar een tweede ruimte en dat er 4 personen in die ruimte waren, waaronder een Nederlands sprekende oudere man. Hij treft zijn collega’s [naam 1] en [naam 2] aan.

De verhoren bij de rechter-commissaris van de verbalisanten [naam 1] en [naam 2] op 4 februari 2020.

Daarin wordt door hen over deze punten het volgende verklaard:

[naam 1] :

 Hij heeft gevraagd of [verdachte] de deur wilde open maken naar de volgende ruimte. [verdachte] wilde de deur openen en dat lukte niet. [verdachte] klopte toen op de deur, waarna die werd geopend;

 Hij heeft [verdachte] in die ruimte gezet. Hij is daar op een stoel gaan zitten;

 Er is niet gerookt. [verdachte] vroeg of hij mocht roken. Dat mocht niet. Hij heeft geen sigaretten gezien bij [verdachte] ;

 Het was een laboratorium en hij wilde niet dat daar gerookt werd.

[naam 2] :

 Tegen [verdachte] is door hem gezegd de deur open te maken naar de volgende ruimte. [verdachte] heeft toen die deur open gemaakt. [verdachte] klopte eerst op de deur;

 [verdachte] is niet in de tweede ruimte geweest. Hij heeft [verdachte] daar niet gezien;

 Hij zelf is één keer kort weg geweest;

 Hij was aanwezig toen twee collega’s in het ruim kwamen. Hij stond toen in het ruim. Hij heeft drie kwartier in de ruimte gewacht op assistentie. Hij heeft [naam 1] gevraagd om de boel in de gaten te houden;

 Hij heeft [verdachte] en de Mexicanen niet zien roken. De Mexicanen hebben gevraagd of ze dat mochten. Dat mochten ze niet;

 Hij kan zich niet herinneren dat door [verdachte] aan [naam 1] is gevraagd of er gerookt mocht worden.

De rechtbank stelt voorop dat processen-verbaal een zakelijke weergave zijn. En dat daarom niet altijd alle details daarin staan vermeld. Ook de rechtbank ziet dat over de vraag wie er heeft geklopt, de verbalisanten wisselend verklaren. Ten aanzien van het punt of [verdachte] in ruimte 2 heeft plaatsgenomen verklaren de verbalisanten niet eenduidig. Dat maakt echter nog niet dat sprake is van het bewust valselijk opstellen van processen-verbaal. Van enig opzet is de rechtbank niet gebleken. Het niet overeenstemmen op dat punt kan gelegen zijn in het feit dat [naam 2] niet constant zicht heeft gehad op wat er in ruimte 2 gebeurde toen hij stond te wachten op collega’s en [naam 1] had gevraagd de boel in de gaten te houden. Als verbalisanten daadwerkelijk valse processen-verbaal hadden willen opmaken over bepaalde details, dan zouden de verbalisanten naar het oordeel van de rechtbank wel gelijkluidend en ten nadele van [verdachte] hebben verklaard, hetgeen niet het geval is.

Over het roken zijn de verbalisanten steeds eenduidig: er is niet gerookt.

Dat een van de medeverdachten ter zitting als getuige onder ede heeft gezegd dat er wel is gerookt, hetgeen de verklaring van [verdachte] zou ondersteunen, overtuigt de rechtbank geenszins van het betoog van de verdediging. De verklaringen van de verbalisanten, die door de verdediging in volle omvang getoetst zijn kunnen worden, wegen naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan wat door [verdachte] en een van de medeverdachten is verklaard, welke verklaringen noch voor de rechtbank noch voor de officier van justitie op eventuele afstemming en daarmee op hun waarheidsgehalte kunnen worden getoetst.

De tweede vraag die beantwoord dient te worden is of sprake is geweest van (ongeoorloofde) beïnvloeding van getuigen.

De rechtbank heeft ook geconstateerd dat niet alle details vanaf het begin in de processen-verbaal zijn opgenomen. In het dossier is te zien dat tactisch coördinator van het onderzoek verbalisant [naam 3] degene is die nadere informatie heeft opgevraagd naar aanleiding van handelingen die in eerste instantie niet waren opgenomen en wellicht toen niet zo belangrijk leken. Het vragen van nadere toelichting betrof niet alleen de zaken die de verdediging thans aan de orde stelt. Dit blijkt uit de mails maar bijvoorbeeld ook uit het proces-verbaal van [naam 3] van 13 mei 2019 waarin hij nadere informatie vraagt omtrent de tijdspanne tussen aanhouding en voorgeleiding. Naar aanleiding van onduidelijkheden in het dossier of alternatieve scenario’s, bijvoorbeeld ten aanzien van de wijze waarop de peuk in het lab terecht is gekomen, worden door hem nadere vragen aan [naam 2] en [naam 1] gesteld en worden aanvullende processen-verbaal opgesteld. Dat de e-mails waarin dat ter sprake komt, niet door de officier van justitie aan het dossier zijn toegevoegd is niet ongebruikelijk. Dit betreffen namelijk interne stukken die normaal gesproken niet in een dossier worden gevoegd. Dat deze e-mails nu aan het proces-verbaal bij de rechter-commissaris zijn gehecht, komt omdat de verbalisant de e-mails zelf noemde en ze daarna op verzoek van de rechter-commissaris aan het proces-verbaal zijn gehecht. [naam 2] zegt bij de rechter-commissaris dat de reden van een tweede aanvullend proces-verbaal ook was, dat er nog wat zaken onduidelijk waren en om de puntjes op de “i” te zetten.

Daar komt bij dat uit de e-mails blijkt, dat er voorafgaand aan de mails eerst telefonisch contact is geweest, alvorens [naam 3] zijn e-mail stuurt. In dat telefoongesprek was de informatie die de verbalisant nog kon geven al besproken en het lijkt erop dat de e-mail slechts een bevestiging daarvan is met een nadere duiding welke details ook daadwerkelijk op papier moesten komen in de vorm van een aanvullend proces-verbaal. Dat in de voorafgaande gesprekken sprake is geweest van aansturing en/of beïnvloeding door [naam 3] over wat er in het proces-verbaal moest worden verklaard is gesteld noch gebleken.

Van de zijde van de verdediging is nog aangevoerd dat in de e-mails wordt gesproken over opplussen en dat er dus doelbewust bepaalde details in het dossier moesten worden gevoegd. De rechtbank verwerpt ook dit punt nu dit inherent is aan de taak van de politie, namelijk opsporing en het onderzoeken van alternatieve scenario’s. Bovendien is een dergelijk handelen alleen verwijtbaar als het gaat om het opplussen met onjuist informatie, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank, zoals hiervoor al overwogen, niet het geval is.

De rechtbank hecht er in dat kader nog aan de volgorde van de gebeurtenissen weer te geven:

 12 12 november 2019 wordt door de voorzitter ter zitting gevraagd waar de peuk is aangetroffen, waarna de officier van justitie aangeeft daarachter aan te hebben gebeld;

 12 De e-mails van 14 en 18 november 2019 van [naam 3] , waarin met name informatie wordt gevraagd over het openen van de deur en de indeling van het schip;

 12 19 november 2019 het hiervoor genoemde aanvullend proces-verbaal van [naam 2] ;

 12 29 november 2019 een aanvullend proces-verbaal van verbalisant [naam 5] over het aantreffen van de peuk, het merk, en het uitdrukken, opgemaakt op verzoek van verbalisant [naam 6] ;

 12 4 december 2019 het verhoor van [verdachte] over de peuk;

 12 18 december 2019 opgave horen verbalisanten;

 12 De e-mail van 7 januari 2019 van [naam 3] waarin wordt aangegeven dat de peuk onderwerp van inzet is en waarin wordt gevraagd nader informatie te geven over waar [verdachte] verbleef;

 12 Het aanvullend proces-verbaal van [naam 2] van 7 januari 2020 waarin door [naam 2] wordt verklaard dat [verdachte] niet in ruimte 2 is geweest.

Uit vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank geen vooropgezet plan worden afgeleid om koste wat kost [verdachte] op zodanige wijze te linken aan de peuk dat daaruit eenduidig naar voren zou komen dat hij eerder dan op 10 mei 2019 in ruimte 2 was geweest. De noodzaak daartoe ontgaat de rechtbank ook. Het aantreffen van die peuk zegt hoogstens wat over de wetenschap van [verdachte] over de aanwezigheid van een drugslab in welke vorm dan ook, maar de verdenking daarover was door de eigen verklaring van [verdachte] op de zitting van 22 augustus 2019 al versterkt toen hij aangaf te weten dat men iets met XTC deed. Hij verklaarde:

“U vraagt mij wat ze hebben gezegd dat ze kwamen doen. Ze hebben toen gezegd dat ze iets met pillen gingen maken. Ik heb gevraagd wat voor pillen. Dat zou dan XTC moeten zijn. U vraagt mij of ik toen niet heb gezegd dat ik dat niet wilde in mijn boot. In eerste instantie wel, maar later heb ik het toegelaten.”

De rechtbank gaat er, gezien voorgaande van uit dat geen sprake is geweest van invulling, sturing of beïnvloeding van de zijde van [naam 3] .

Gelet op voorgaande behoeft het standpunt van het al dan niet ruiken van een wietlucht of het al dan niet kennen van [verdachte] geen bespreking meer in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van de officier van justitie. De rechtbank hecht er echter aan dat de stof die de officier van justitie ter zitting heeft laten ruiken, op afstand bij sommigen deed denken aan de geur van hennep. In ieder geval heeft de rechtbank dit ter zitting zelf waargenomen.

Het verweer van de raadslieden wordt dan ook gepasseerd. De officier van justitie is ontvankelijk.

De rechtbank ziet, gelet op voorgaande en hetgeen door de verdediging aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag is gelegd, voorts geen aanleiding de zaak aan te houden voor nader onderzoek in dit kader.

3.4

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat op een schip genaamd ‘ [naam schip] ’ op 10 mei 2019 een drugslaboratorium werd aangetroffen en dat in dat laboratorium DNA-matches werden gevonden op volgelaatsmasker, latex handschoenen en een spaflesje van de drie op die datum op het schip aanwezige Mexicaanse verdachten. Voorts werden op de plaats delict verschillende telefoons aangetroffen. Bij verdachte [verdachte] werd een BQ encrypted telefoon aangetroffen. Op verscheidene telefoons van de Mexicaanse verdachten zijn foto’s en films te zien gerelateerd aan het productieproces op de boot en op de telefoon van verdachte [verdachte] werd een gesprek gevonden waaruit blijkt dat zowel hijzelf als zijn zoon wetenschap hadden dat er Mexicanen op de boot waren. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de foto’s die in het dossier zitten, kan worden opgemaakt dat het laboratorium inclusief het afzuigsysteem en de geplaatste wanden groot en zichtbaar moeten zijn geweest.

Gelet op de grootte van het laboratorium en de hoeveelheid roerende goederen, is de officier van justitie van mening dat dit laboratorium niet in één dag of één week kan zijn geplaatst. Ook kan het volgens de officier van justitie niet anders dan dat een groot gedeelte van de goederen met hijskranen op de boot is geplaatst en dat het aan boord brengen van de container en de wanden vanuit het woongedeelte van het schip, voor verdachte zichtbaar moet zijn geweest. Op de telefoon in gebruik bij verdachte [medeverdachte 1] staan foto’s vanaf 22 december 2018 van de [naam schip] en het drugslaboratorium. Daarnaast heeft de havenmeester verklaard dat het schip op 22 november 2018 in de haven van Moerdijk is aangekomen en dat de container rond sinterklaas 2018 in het schip is geplaatst. Voorts is de officier van justitie van mening dat de geur die vrijkomt bij het productieproces voor verdachte waarneembaar moet zijn geweest. Ook heeft de officier van justitie voor het bewijs mee laten wegen dat verdachte heeft verklaard dat de [naam schip] na 22 november 2018 niet meer de haven uit is geweest. Voorts heeft verdachte verklaard dat de mannen die aan boord waren Spaans spraken en dat hij had begrepen dat er op zijn schip pillen gemaakt zouden worden. Hij ging om de paar dagen naar de voorkant van het schip om de generator op olie te checken. Op vragen over het plaatsen van een container in zijn schip heeft verdachte volgens de officier van justitie verklaard dat die in december geplaatst is en dat hij dacht dat daar onderdelen in zouden zitten voor die mensen. Dit suggereert in de visie van de officier van justitie dat de Mexicanen dus toch al eerder op het schip verbleven én dat verdachte daar wetenschap van had. Ook zou verdachte hebben verklaard dat er iemand anders achter het drugslab gezeten moet hebben maar geeft hij geen antwoorden op de vraag wie dat dan geweest zouden zijn. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij dacht dat er (legaal) medicijnen zouden worden gemaakt en dat hij niet meer terug kon toen onbekenden uit Amsterdam hem benaderden, is naar de mening van de officier van justitie volstrekt ongeloofwaardig en niet verifieerbaar. Ook dat hij niet gezien zou hebben dat er definitieve veranderingen aan zijn schip zouden zijn aangebracht, acht zij volstrekt ongeloofwaardig.

Voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat wordt bewezen dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte was gericht op de behulpzaamheid zelf (het ter beschikking stellen van zijn schip) en dat zijn voorwaardelijk opzet gericht was op het gepleegde misdrijf (de productie van synthetische drugs).

Met betrekking tot de rol die verdachte zou hebben gespeeld, heeft de officier van justitie vastgesteld dat verdachte zijn schip ter beschikking heeft gesteld en als zodanig een onmisbare schakel was voor het kunnen vestigen van het laboratorium. Ook is zij van mening dat [verdachte] op enig moment heeft geweten dat wat er in zijn schip gebeurde het daglicht niet kon verdragen. Verdachte heeft daarbij volgens de officier van justitie minstens een faciliterende rol gespeeld. Uit de ongeloofwaardige verklaringen van verdachte over de aanwezigheid van de Mexicanen op zijn schip alsook de apps met zijn zoon over die Mexicanen, blijkt naar de overtuiging van de officier van justitie zijn wetenschap van de Mexicanen op zijn schip en ook de wetenschap van de aanwezigheid van het drugslab. Daaruit concludeert de officier van justitie dat verdachte zijn schip ter beschikking heeft gesteld voor het methamfetamine lab in de hele ten laste gelegde periode. Immers door zijn handelwijze heeft verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat op zijn schip synthetische drugs werden geproduceerd, zodat de voor medeplichtigheid aan die productie vereiste opzet in voorwaardelijke zin aanwezig is geweest. De officier vraagt de rechtbank verdachte [verdachte] vrij te spreken van het primair ten laste gelegde medeplegen en feit 1 subsidiair wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

Wat betreft de voorbereidingshandelingen heeft de officier van justitie nog aangevoerd dat de medeplichtigheidshandelingen op grond van artikel 10a Opiumwet kunnen worden gekwalificeerd als het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen. Dit is een op zichzelf staand strafbaar feit waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt door zijn boot ter beschikking te stellen en niet in te grijpen, terwijl hij willens en wetens de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid van een drugslab heeft aanvaard. Hij heeft daarmee zelfstandig uitvoeringshandelingen verricht die strafbaar zijn gesteld in artikel 10a van de Opiumwet.

De officier van justitie stelt zich voorts nog op het standpunt dat op grond van hetgeen zij naar voren heeft gebracht ook volgt dat verdachte medeplichtig is aan het aanwezig hebben van 70,949 kg methamfetamine en 147,7 liter methamfetamine-olie op 10 mei 2019. Zij vraagt verdachte vrij te spreken van het medeplegen als onder 3 primair ten laste is gelegd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat zij de rechtbank steeds heeft voorgehouden dat verdachte hooguit als medeplichtige kan worden beschouwd, aangezien hij slechts zijn binnenvaartschip ter beschikking heeft gesteld aan anderen, zodat die anderen in zijn schip synthetische drugs konden produceren. In dat verband wijst de verdediging op het feit dat verdachte niet gezien is sjouwend met goederen of grondstoffen ten behoeve van (de opbouw van) het lab. Volgens de verdediging is er verder geen enkele aanwijzing dat verdachte iets van doen heeft gehad met de zeecontainer die aan boord is aangetroffen. Verder zijn er geen aanwijzingen dat verdachte ook maar iets met het productieproces van Chrystal Meth te maken heeft gehad. Niet met betrekking tot de grondstoffen en precursors, niet met betrekking tot de opbouw en niet met betrekking tot het produceren. Volgens de verdediging is er ook geen bewijs dat verdachte voor 10 mei 2019 in het laboratorium is geweest.

De verdediging heeft daarom verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder 1 en 3 telkens primair tenlastegelegde medeplegen. De bijdrage van verdachte, zo is door de verdediging aangevoerd, is geenszins te zien als een bijdrage van voldoende gewicht, omdat verdachte slechts een gedeelte van het ruim van zijn schip heeft verhuurd aan derden. Zelf is verdachte nooit in de productieruimte geweest en hij wist niet eens wat er werd geproduceerd. Verder is verdachte bij geen enkele (voorbereidings-)handeling betrokken geweest. Hij was niet betrokken bij de opbouw van het laboratorium en ook heeft hij geen grondstoffen of andere benodigdheden voor de productie gekocht of aan boord gebracht. Ook was er geen taakverdeling tussen verdachte en de Mexicanen. De verdediging stelt op grond daarvan dat er geen sprake was van een gezamenlijke uitvoering, maar van een gedraging van verdachte die met medeplichtigheid in verband kan worden gebracht. Wat de medeplichtigheid aan de onder feiten 1 en 3 subsidiair tenlastegelegde feiten betreft heeft de verdediging zich dan ook gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde heeft de verdediging nog aangevoerd dat de tenlastegelegde hoeveelheden niet allemaal bewezen kunnen worden verklaard, aangezien niet alles is getest door het NFI en dat het dan maar de vraag is of het gaat om de eindproducten methamfetamine(olie) of om resten waarin methamfetamine-sporen zijn aangetroffen. De verdediging heeft daarom verzocht om verdachte vrij te spreken van dat deel dat niet getest is en waarover daarom onduidelijkheid bestaat.

Betreffende het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot medeplegen van voorbereidingshandelingen te komen. Ter onderbouwing heeft de verdediging naar voren gebracht dat verdachte niets wist van de in de tenlastelegging opgesomde goederen en grondstoffen. Verdachte heeft die goederen nooit gezien omdat hij nooit in het laboratorium is geweest.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Het onderzoek in het binnenvaartschip [naam schip]

Op 10 mei 2019 leggen verbalisanten [naam 2] en [naam 1] hun patrouilleboot aan in de Haven van Moerdijk in de buurt van de [naam schip] en zij ruiken dan een weedlucht. Dit is voor hen aanleiding om naar de [naam schip] toe te varen. Op het schip was een man aanwezig die aangaf dat hij de schipper en tevens mede-eigenaar was. De schipper bleek later verdachte [verdachte] te zijn. Op grond van de Opiumwet werd aan verdachte [verdachte] gevraagd om de laadruimte open te maken en verdachte heeft aan dit verzoek gevolg gegeven. Bij het onderzoek in de laadruimte troffen de verbalisanten een afzuiginstallatie aan. Daarnaast werd in het laadruim een zeecontainer aangetroffen en een over de breedte van het laadruim opgetrokken scheidingswand met daarin een deur. Achter die deur werd een werk- c.q. opslagruimte aangetroffen en daarachter opnieuw een scheidingswand met een afgesloten deur. Op het moment dat de verbalisanten achter die deur stemmen horen, heeft verdachte gezegd dat men daar bezig was met reparaties aan de motor1. Omdat de deur op slot was en die deur van de zijde waar de verbalisanten met verdachte stonden niet kon worden geopend, is op die deur geklopt waarna aan de andere zijde van die deur een schuif werd geopend. In die tweede ruimte werd een drugslaboratorium aangetroffen en drie mannen die op dat moment bezig waren met het overhevelen van een vloeistof. Alle drie deze personen hadden een mondkapje op en één of meerdere van deze personen had een soort lepel in de hand. Hierop werden naast verdachte [verdachte] , ook de verdachten [medeverdachte 2] (hierna telkens: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 1] (hierna telkens: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 3] (hierna telkens: [medeverdachte 3] ) aangehouden2.

De ontmanteling van het drugslaboratorium

Door de dienst LFO werd na het aantreffen van het drugslaboratorium in de laadruimte van de [naam schip] een uitgebreid onderzoek ingesteld teneinde tot de ontmanteling van het drugslaboratorium te komen. Bij dat onderzoek werden voorzieningen aangetroffen voor langdurige, professionele en grootschalige productie, bewerking en/of verwerking van methamfetamine3. Ook werd een groot en professioneel luchtafzuigsysteem aangetroffen.

In de voorste werkruimte stonden twee vrieskisten, werktafels en een goot aantal goederen waaronder centrifuges, koelemmers, kunststofbakken, balans, metalen pannen, speciekuipen, zeven, jerrycans met chemicaliën en/of (half)product, witte diepvriesbakjes en dergelijke. In de zeecontainer stonden een zeer groot aantal jerrycans, vaten, koolstoffilters, emmers met een etiket MSN (=methylsulfon), twee zakken wijnsteenzuur en een zak caustic soda.

In de tweede ruimte waren op diverse plaatsen zwarte flexibele luchtslangen

zichtbaar welke door de aangebrachte isolatiewanden heen staken. Er was op die manier een afzuigsysteem aangebracht, dat was aangesloten op twee grote zelfgebouwde afzuigkappen. Onder een van deze afzuigkappen stond een werktafel waarop twee elektrische inductiekookplaten stonden. Op deze werktafel stonden ook twee metalen pannen, een weegschaal en diverse gebruiksgoederen. Daarnaast stonden in de werkruimte een aantal blauwe en bruine klem- en schroefdekselvaten en tussen deze vaten stond een RVS destillatieketel, voorzien van een koel-destillatiebuis en aan de onderzijde een gasbrander. Op een verhoging stonden vier centrifuges en onder iedere centrifuge stond een pan of klemdekselvat, alle voor de helft gevuld met circa 30 liter bruine olieachtige vloeistof. Een monster uit een van deze klemdekselvaten werd indicatief geïdentificeerd als methamfetamine.

Onder een afzuigkap stonden drie grote metalen pannen en een blauw klemdekselvat. In twee van deze pannen zat een restant bruine olie. De derde pan was voor meer dan de helft gevuld met een licht bruine olie. Tussen de twee afzuigkappen stonden twee blauwe klemdekselvaten, twee jerrycans, een maatbeker en een grote witte emmer. Een van deze twee klemdekselvaten, de emmer en één van de jerrycans bevatten een olieachtige vloeistof wat indicatief werd geïdentificeerd als methamfetamine.

In de twee werkruimtes is een groot aantal goederen aangetroffen welke zijn en/of kunnen worden gebruikt voor de productie, bewerking en/of verwerking van synthetische drugs in casu methamfetamine. Er is een aanzienlijke hoeveelheid lege verpakkingen en vloeibare afvalstoffen aangetroffen welke het gevolg zijn van mogelijk eerdere productie. Voorts werden onder andere aluminium folie, kwik(II)chlonde, tolueen, dimethylsulfon, benzylmethylketon en methamfetamine aangetroffen. Deze stoffen wijzen op het produceren, bewerken en/of verwerken van methamfetamine4.

De aangetroffen verdovende middelen

In het binnenvaartschip werden stoffen in kristal- of poedervorm en vloeibare substanties aangetroffen5 die door het onderzoeksteam werden bemonsterd en later werden onderzocht door het NFI6. In het proces-verbaal van verbalisant [naam 7] van 6 februari 20207 zijn de resultaten van dit onderzoek nog een keer schematisch weergegeven en daaruit en uit de daaraan ten grondslag liggende onderzoeksrapporten en processen-verbaal, is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de volgende verdovende middelen in de [naam schip] werden aangetroffen:

V7 592 gram kristallen, het NFI heeft vastgestelde dat het gaat om methamfetamine (pagina 272 van het eind-proces-verbaal)

V28 228 gram pasta, het NFI heeft vastgestelde dat het gaat om methamfetamine (pagina 273 van het eind-proces-verbaal)
V35 239 gram bruine substantie. Niet onderzocht door NFI. Slechts indicatief getest en zal daarom niet bij het totaal worden meegerekend

C2 5340 gram poeder, het NFI heeft vastgestelde dat het gaat om methamfetamine (pagina 274 van het eind-proces-verbaal)
K1 6000 gram kristallen, het NFI heeft vastgestelde dat het gaat om methamfetamine (pagina 275 van het eind-proces-verbaal)
Totaal 12.160 gram methamfetamine


L10: Betreft de twee vuilniszakken, inhoudende 31,6 en 26,95 kilogram. Het NFI heeft vastgestelde dat het gaat om methamfetaminetartraat (pagina 274 van het eind- proces-verbaal).

Totaal: 58,55 kilogram methamfetaminetartraat

In het proces-verbaal van verbalisant [naam 7] van 6 februari 2020 is met betrekking tot methamfetaminetartraat opgemerkt dat methamfetaminetartraat een zout is van methamfetamine en dat het daardoor, volgens artikel I, onder 2 van de Opiumwet, wordt gelijkgesteld aan methamfetamine.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande dan ook van oordeel dat wettig en overtuigen bewezen kan worden dat op 10 mei 2019 in de [naam schip] in totaal 12,16 kilogram en 58,55 kilogram = 70,71 kilogram methamfetamine in poeder- of in kristalvorm aanwezig was.

V33 7,0 liter geelachtige vloeistof en kleurloze kristallen op de bodem. Het NFI heeft vastgesteld dat deze vloeistof methamfetamine en een waterige vloeistof bevat (pagina 273 van het eind-proces-verbaal)

L3 29,7 liter geelachtige vloeistof. Het NFI heeft vastgesteld dat deze vloeistof methamfetamine bevat en de grondstof BMK (pagina 273 van het eind-proces- verbaal)

L7 60,0 liter geelachtige vloeistof, 18,01 liter gelige vloeistof en 28,01 gelige vloeistof. Het NFI heeft vastgesteld dat deze vloeistof methamfetamine bevat en de grondstof BMK (pagina 273 van het eind-proces-verbaal)
L9 5,0 liter. Bruine vloeistof met kristal-laag. Uit het dossier blijkt niet dat deze vloeistof getest is.

Op grond van het vorenstaande, te weten de vaststelling dat methamfetamine-olie vermengd was met een waterige vloeistof en de grondstof BMK én niet bekend is geworden of de 5 liter bruine vloeistof methamfetamine is of bevat, is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden het voorhanden hebben van de tenlastegelegde 147,7 liter methamfetamine-olie. Wel kan naar het oordeel van de rechtbank bewezen worden dat een hoeveelheid methamfetamine-olie op het schip [naam schip] aanwezig was.

De aangetroffen DNA-sporen

In de laadruimte van het schip [naam schip] en meer in het bijzonder in de werkruimtes en het laboratorium heeft naast het onderzoek naar verdovende middelen ook een forensisch onderzoek plaatsgevonden8. Bij dat forensisch onderzoek zijn bemonsteringen uitgevoerd en sporendragers veiliggesteld. Onder meer de volgende sporendragers zijn aangeboden bij het TMFI voor vervolgonderzoek9, te weten:

 bemonstering binnenzijde rechter volgelaatsmasker, voorkamer SIN AAMH5638NL

 bemonstering binnenzijde linker volgelaatsmasker, voorkamer SIN AAMH5640NL

 bemonstering binnenzijde volgelaatsmasker op tafel rechterwand, lab SIN AAMH5644NL

 bemonstering linker spa flesje achter aansteker op tafel rechterwand SIN AMH5648NL

 latex handschoenen, direct na binnenkomst rechts op grond SIN AAMH5642NL

 latex handschoenen (bij elkaar) op de vloer ter hoogte van blauw vat tegen de rechter tafel aan de linkerwand SIN AAMH5651NL

 latex handschoen op rechter tafel tegen linker wand SIN AAMH5653NL

Deze sporendragers zijn vergeleken met referentiemateriaal van de verdachten en uit de uitgevoerde analyse is het volgende vast komen te staan:

  • -

    aan de binnenzijde van de rechter volgelaatsmasker (SIN AAMH5638NL) is een DNA profiel van een man aangetroffen. Het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] en het is zeer waarschijnlijk dat [medeverdachte 1] de aangetroffen rechter volgelaatsmasker in de voorkamer gedragen heeft;

  • -

    aan de binnenzijde van de linker volgelaatsmasker (SIN AAMH5640NL) is een DNA profiel van een man aangetroffen. Het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 3] . Het is zeer waarschijnlijk dat [medeverdachte 3] de aangetroffen linker volgelaatsmasker in de voorkamer gedragen heeft;

  • -

    aan de binnenzijde van de volgelaatsmasker aangetroffen in het lab (SIN AAMH5644NL) is een DNA-profiel van een man aangetroffen. Het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 2] . Het is zeer waarschijnlijk dat [medeverdachte 2] het aangetroffen volgelaatmasker in het lab gedragen heeft;

  • -

    in de bemonstering van het linker spa flesje in het lab (SIN AAMH5648NL) is een DNA-mengprofiel aangetroffen van celmateriaal van minimaal twee donoren van wie zeker één man. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] kunnen donor zijn. Het is zeer waarschijnlijk dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] uit het flesje welke is aangetroffen in het lab, hebben gedronken.

  • -

    aan de binnenzijde van de blauwe handschoenen, direct na binnenkomst rechts op de grond (SIN AAMH5642NL) is een DNA-profiel van een man aangetroffen. Het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 2] . Het is zeer waarschijnlijk dat de aangetroffen handschoen in het lab door [medeverdachte 2] gedragen is.

  • -

    aan de binnenzijde van de witte latex handschoenen aangetroffen op de vloer ter hoogte van blauw vat tegen rechter tafel aan de linkerwand is in één handschoen (SIN AMH5651NL#01) een DNA-mengprofiel aangetroffen afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren van wie zeker één man. [medeverdachte 3] kan donor zijn.

  • -

    aan de binnenzijde van de andere handschoen (SIN AAMH5651NL#02) is een DNA-profiel aangetroffen van een man. Het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 3] . Het is zeer waarschijnlijk dat [medeverdachte 3] drager is van een van de twee handschoenen aangetroffen in het lab.

  • -

    aan de binnenzijde van de latex handschoen op rechter tafel tegen linker wand (SIN AAMH5653NL) is een DNA-profiel van een man aangetroffen. Het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 2] . Het is zeer waarschijnlijk dat de aangetroffen handschoen in het lab gedragen is door [medeverdachte 2]10;

Het onderzoek aan de inbeslaggenomen telefoons

Tijdens de doorzoeking van het laboratorium en de woongedeeltes op de [naam schip] zijn meerdere mobiele telefoon in beslag genomen en de inhoud van deze mobiele telefoons is bekeken en onderzocht11. Uit dit onderzoek is van de hieronder genoemde telefoons het volgende vast komen te staan.

 Mobiele telefoon Iphone 612

Dit toestel werd aangetroffen in een tasje met daarbij het paspoort van [medeverdachte 2] . In het toestel zat een SIM-kaart met telefoonnummer + [telefoonnummer] . Dit nummer kwam ook voor in de contactenlijst van de telefoon die zeer vermoedelijk in gebruik was bij [medeverdachte 1] . Net als op de telefoon van [medeverdachte 1] , werden op de iPhone van [medeverdachte 2] drugsgerelateerde foto’s aangetroffen. Het drugslaboratorium/de binnenkant van motorschip ‘ [naam schip] was te zien en ook de herkenbare oranje zeecontainer, de rode vloer, het groene plastic, de zelfgemaakte zeef in blauw afdruiprek, de blauwe vaten en de witte isolatiewanden zoals die in de [naam schip] werden aangetroffen. Ook waren foto’s van zeer vermoedelijk grondstoffen/substanties voor de productie van crystal meth te zien en waren vermoedelijke eindproducten crystal meth te zien op foto’s uitgespreid over de werktafels, liggend op een hand/arm van een persoon en verdeeld in de aangetroffen witte diepvriesbakken met blauwe deksels.
Enkele foto’s van deze diepvriesbakjes gevuld met crystal meth waren ook gemaakt in het voorste woongedeelte van het schip. Het voorste deel werd herkend aan het kenmerkende tafelzeil dat op tafel lag. Op de iPhone stonden tevens foto’s van geschreven aantekeningen. Eén foto betrof een opengeslagen notitieboek, wederom op hetzelfde kenmerkende tafelzeil, met daarin Spaanstalige aantekeningen. Vertaald vanuit het Spaans stond er:
“Tweede werk met D.” “11 van het bedrijf
15 april, 17 april, [...]
Honderdtien dozen in totaal + 80 gram”
Verder stonden er verschillende aantallen opgeschreven met daarachter ‘100%’. De aantallen bij elkaar opgeteld maken een totaal van 110, wat overeenkomt met de Spaanse tekst over 110 dozen. Bij de laatste vier aantallen stonden er data achter geschreven: 15, 17, 19 en 22 april.

 Samsung Galaxy J613

Vermoedelijke gebruiker is [medeverdachte 1] (op basis van google-account ' [medeverdachte 1] ', een op de telefoon aangetroffen selfie en een aangetroffen email betreffende een boeking van een hotel met als naam van de boeker [medeverdachte 1] ).
De telefoon werd aangetroffen in het drugslaboratorium op een vrieskist.
Op de telefoon werden onder meer foto’s van een schip en zeer veel drugsgerelateerde foto’s en filmpjes aangetroffen. Tussen de foto’s werden veel overeenkomsten gevonden, zoals het schip in de haven van Moerdijk, de oranje zeecontainer, de witte isolatiewanden, de rode vloer en verschillende apparatuur/benodigdheden (ventilator, destilleerketel, afzuiging).
De overige drugsgerelateerde foto’s betroffen vermoedelijk foto’s van grondstoffen ten behoeve van de productie van crystal meth, jerrycans gevuld met vloeistoffen, bruine mengsels/substanties, delen van het productieproces en foto’s van het eindproduct crystal meth. Daarnaast stonden er op de telefoon foto’s van verschillende lijstjes: lijstjes met producten, kilogrammen, liters, procenten en andere aantallen. Op een groot deel van de foto’s waren wederom de rode vloer, de witte isolatiewanden en het groene plastic te zien.
Aan de foto’s en filmpjes zijn bepaalde gegevens gekoppeld. Zo kan uit het 'pad/path' afgeleid worden met welke applicatie de foto's/filmpjes gemaakt of verzonden zijn en of het bijvoorbeeld een screenshot is. Verder worden de dag, datum en het tijdstip waarop ze gemaakt of verstuurd zijn door de telefoon geregistreerd.

Op basis van de data die aan de foto’s hangen, komt de volgende tijdlijn naar voren:

  • -

    12 december 2018 Foto ‘boodschappenlijst’ met daarop onder andere 30kg aluminium, thermometers, dozen latex handschoenen, lepels;

  • -

    12 december 2018 Filmpje van roeren in geelbruine vloeistof/substantie in plastic bak;

  • -

    13 december 2018 Verschillende substanties/poeders en twee kristallen in aluminiumfolie;

  • -

    14 december 2018 Brok kristal in zeef;

  • -

    17 december 2018 Foto’s verpakkingen 5 kg 'tartaric acid', ofwel wijnsteenzuur;

  • -

    17 t/m 21 december 2018 Foto’s van poeders, bruine pasta, gele substanties;

  • -

    22 december 2018 Kristallen in zeef;

  • -

    22 december 2018 Foto’s in en op het schip ‘ [naam schip] , waaronder de laadruimte met oranje zeecontainer, de werkruimte en de ruimte met gaswassers/koolstoffilters;

  • -

    5 t/m 7 januari 2019 Kristal in maatbeker, brok helder kristal op zeef en eindproduct crystal meth;

  • -

    3 maart 2019 Geelkleurige en heldere kristallen in zeef en eindproduct crystal meth;

  • -

    19 t/m 24 maart 2019 Gelige substanties in maatbeker, poeder, kristallen in zeef en eindproduct crystal meth;

  • -

    29 en 30 maart 2019 Poeder met lepel in plastic bakken, geel-/bruinkleurige vloeistof in maatbeker;

  • -

    31 maart 2019 Brok kristal in afdruiprek met zeef;

  • -

    6 april 2019 Foto destillatieketel;

  • -

    9 april 2019 Poeders in plastic bakken;

  • -

    13 en 14 april 2019 Grote brok kristal in afdruiprek met zeef. Grote hoeveelheden

  • -

    eindproduct crystal meth op werktafels en vervolgens in bakjes met het opschrift 100%;

  • -

    15 april 2019 Jerrycans met bruinkleurige vloeistof;

  • -

    21 april 2019 Foto van weegschaal op werktafel, met op het display een gewicht van 91,75kg;

  • -

    24 april 2019 Filmpjes van grote hoeveelheden crystal meth, uitgespreid over groen plastic.

 Samsung Galaxy A514

De telefoon lag op het bureau in het leefgedeelte van de kapitein op het schip [naam schip] , tussen de laptop en de BQ Aquaris telefoon. Uit de onderzochte gegevens bleek dat [verdachte] de gebruiker was van de telefoon en veelvuldig met die telefoon contacten had met zijn zoon. Een relevante passage uit die contacten is:
2 mei 2019
[naam 8] : “Om 7 uur komen hier spullen kom je helpen"
[naam 9] : “Nee mijn eten is bijna klaar”
[naam 8] : "Das fijn moet ik het alleen doen"
[naam 9] “Nee er zijn 3 Mexicaanse”
“Maar is al goed kom eraan”

Tussenconclusie

Op grond van het vorenstaande in onderling verband en samenhang is de rechtbank van oordeel dat op het binnenvaartschip van verdachte genaamd de [naam schip] in ieder geval vanaf 12 december 2018 tot 10 mei 2019 een amfetamine laboratorium is opgebouwd en in bedrijf was en dat er ook op grote schaal methamfetamine en methamfetamine-olie werd vervaardigd.

De rol van verdachte

Met betrekking tot de omstandigheden waaronder het drugslaboratorium in het schip van verdachte terecht is gekomen heeft verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting het volgende verklaard. Voordat hij in Moerdijk had aangelegd met zijn binnenvaartschip [naam schip] , heeft hij twee dagen in Amsterdam gelegen en tijdens zijn verblijf aldaar is hij door twee mensen benaderd om een deel van het ruim van zijn schip te verhuren. Wie die mensen zijn heeft verdachte niet willen zeggen. Wel heeft hij verklaard dat die mensen iets met pillen wilden doen en dat hij bang was en is van die mensen. Ook heeft verdachte verklaard dat hij het op dat moment eigenlijk niet wilde, maar dat hij al snel het gevoel had dat hij niet meer terug kon. Dat het zou gaan om de productie van legale pillen c.q. geneesmiddelen, zoals verdachte voor het eerst tijdens de inhoudelijk behandeling heeft verklaard, acht de rechtbank op grond van het vorenstaande niet geloofwaardig. . Na twee dagen in Amsterdam te hebben gelegen, is verdachte met zijn schip naar Moerdijk gevaren en daar heeft hij aangelegd15. Volgens de Havenmeester [naam 10] lag het schip van verdachte sinds 22 november 2018 in de haven van Moerdijk en is rond Sinterklaas (5 december 2018) een zeecontainer in het ruim van het schip getakeld16.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het binnenvaartschip [naam schip] zijn eigendom is en dat hij ook op het schip woont17. Verdachte is naar het oordeel van de rechtbank in beginsel dan ook verantwoordelijk voor wat er op zijn schip gebeurt.

Het voorschip is volgens verdachte bestemd voor de bemanning en in dit geval werd het voorschip bewoond door de Mexicanen. Verdachte kwam ook regelmatig op het voorschip en hij heeft die drie Mexicanen de laatste veertien dagen voor de ontdekking van het drugslaboratorium ook gezien. Wat betreft de zeecontainer heeft verdachte verklaard dat hij die wel heeft gezien, maar dat hij er niet bij is geweest toen die zeecontainer in het ruim van zijn schip werd getakeld. Eind december 2018 heeft verdachte vernomen, zo heeft hij verklaard, dat er mensen op zijn schip aanwezig zouden zijn voor het opbouwen van het laboratorium voor de productie van pillen18.Op grond van de bevindingen bij het ontmantelen van het laboratorium op het schip kan naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat sinds eind november/begin december 2018 een enorme hoeveelheid bouwmaterialen, grondstoffen en laboratoriumbenodigdheden in het laadruim van het schip van verdachte zijn gebracht, waarbij de omvang van een aantal goederen zo groot was dat het niet anders kan dan dat die goederen vanaf de wal in het schip zijn getakeld19. Voorts is bij de ontmanteling van het drugslaboratorium vast komen te staan dat aan het schip zelf in het oog springende constructieve wijzigingen zijn aangebracht die ook voor verdachte niet onopgemerkt kunnen zijn gebleven. De rechtbank heeft het dan over het creëren van een doorgang in een stalen wand om in het ruim te komen20, de aanleg van water en elektra vanuit het achterschip naar het ruim21, het installeren van een omvangrijke afzuig- en filterinstallatie, waarbij ook gaten in stalen wanden van het schip moesten worden gemaakt22. Het kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet zo zijn dat verdachte, woonachtig op het achterschip, van al deze werkzaamheden en (blijvende) wijzigingen niets zou hebben meegekregen, ook al verbleef verdachte zoals hij zelf aangeeft in de periode december / januari mogelijk veelal in Duitsland. Op grond van het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte een deel van zijn schip aan anderen ter beschikking heeft gesteld voor de productie van synthetische drugs en dat hij dan ook heel goed wist dat wat er op zijn schip gebeurde uiterst dubieus en illegaal was en te maken had met de productie van harddrugs.

Medeplegen of medeplichtigheid?

Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De rechtbank stelt vast dat verdachte vanaf begin december 2018 een gedeelte van het ruim van zijn binnenvaartschip [naam schip] heeft verhuurd aan twee niet nader door hem genoemde personen. Zoals hiervoor reeds overwogen wist verdachte dat ze iets in zijn schip zouden gaan doen met pillen en heeft hij de voorbereidingen die werden getroffen voor de vervaardiging van synthetische drugs kunnen zien. Verdachte heeft daarbij ook de drie Mexicanen, die deze werkzaamheden zouden uitvoeren, gefaciliteerd door hen in het voorschip van de [naam schip] onderdak te verschaffen.

De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen van verdachte noodzakelijk waren voor de voltooiing van de strafbare feiten. Immers indien verdachte een deel van het ruim van zijn schip niet ter beschikking had gesteld, hadden deze strafbare feiten niet kunnen plaatsvinden.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank echter van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten bij de bereiding van de methamfetamine en methamfetamine-olie en het voorhanden hebben hiervan niet is komen vast te staan. Buiten de hierboven beschreven handeling van verdachte is namelijk niet gebleken van enige directe betrokkenheid van verdachte bij de opbouw van het laboratorium en het bereiden en voorhanden hebben van die synthetisch drugs. Niet is gebleken van een gezamenlijke uitvoering tussen verdachte en de twee onbekend gebleven personen en de drie Mexicaanse medeverdachten. De bijdrage van verdachte aan het onder 1 primair en onder 3 primair ten laste gelegde is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde medeplegen van het vervaardigen en verwerken van methamfetamine en methamfetamine-olie en het onder 3 primair ten laste gelegde voorhanden hebben van methamfetamine en methamfetamine-olie.

Voor het onder 2 ten laste gelegde, het medeplegen van de voorbereidingshandelingen, geldt dat voor een bewezenverklaring ook vastgesteld moet kunnen worden dat de in ruimte 1 aangetroffen goederen en middelen, te weten jerrycans, vaten, chemicaliën en grondstoffen, waaronder calcic soda, en de in ruimte 2 aangetroffen onderdelen van een productieopstelling, waaronder vrieskisten, koolstoffilters, een destillatievat, centrifuges en een elektrisch fornuis, in de machtssfeer van verdachte zijn geweest en dat hij wetenschap moet hebben gehad van de aanwezigheid daarvan althans van de aanmerkelijke kans daarop.

Uit hetgeen de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen met betrekking tot het medeplegen is vast komen te staan dat verdachte een deel van het ruim van zijn schip [naam schip] ter beschikking heeft gesteld aan 2 onbekend gebleven personen en aan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en dat verdachte ook wist dat in zijn schip synthetisch drugs zouden worden bereid. Door een deel van het ruim toch te verhuren met die wetenschap en andere personen daar te laten werken heeft verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat in zijn schip synthetisch drugs zouden worden vervaardigd en de stoffen en goederen die daartoe dienden, zich in het ruim van zijn schip bevonden.

Uit het dossier is de rechtbank echter niet gebleken van een zodanige machtsrelatie tussen enerzijds [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en de twee onbekende personen en anderzijds verdachte, dat kan worden gesteld dat de in ruimte 2 aangetroffen onderdelen van een productieopstelling voor het bereiden van methamfetamine, zich ook in de machtssfeer van verdachte bevonden. Uit hetgeen verbalisanten hieromtrent hebben geverbaliseerd is namelijk gebleken dat verdachte niet de vrije toegang had tot ruimte 2. De rechtbank is dan ook van oordeel dat met betrekking tot de goederen aangetroffen in ruimte 2, te weten vrieskisten, koolstoffilters, een destillatievat, centrifuges en een elektrisch fornuis, uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat ook sprake was van het opzettelijk aanwezig hebben van die goederen alsmede van een gezamenlijke machtsuitoefening daarover. De rechtbank acht het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot deze goederen niet wettig en overtuigend bewezen.

Anders is dat met betrekking tot de in ruimte 1 aangetroffen goederen, te weten jerrycans, vaten, chemicaliën en grondstoffen, waaronder calcic soda. Uit de bewijsmiddelen is namelijk gebleken dat verdachte wetenschap had van hetgeen op zijn schip gaande was, de vrije toegang had tot die ruimte en dat verdachte die goederen daarmee ook opzettelijk aanwezig heeft gehad en dat er sprake was van een gezamenlijke machtsuitoefening daarover. Met betrekking tot deze goederen acht de rechtbank dan ook het aan verdachte onder 2 tenlastegelegde, het medeplegen van voorbereidingshandelingen, wettig en overtuigend bewezen.

Medeplichtigheid

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verdachte verweten kan worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid bij het voorhanden hebben en het bereiden van synthetisch drugs.

De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in artikel 48, aanhef en onder 1° of 2º van het Wetboek van Strafrecht, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan.

Op grond van hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte het opzet heeft gehad op het exploiteren van een productieplaats voor de bereiding van synthetische drugs. Verdachte heeft daartoe opzettelijk gelegenheid verschaft. Immers uit voornoemde feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte wetenschap had van het feit dat de personen die het door verdachte verhuurde ruim van zijn schip [naam schip] gebruikten, zich bezig zouden gaan houden met het bereiden van synthetische drugs, namelijk XTC-pillen. Van aanwijzingen voor het tegendeel is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Door een deel van het ruim van zijn schip ter beschikking te stellen voor de voorgenoemde illegale activiteiten heeft verdachte aldus aan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en onbekend gebleven personen de gelegenheid verschaft methamfetamine te produceren en ook gelegenheid verschaft om die methamfetamine en methamfetamine-olie voorhanden te hebben. De rechtbank acht het onder 1 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. subsidiair:

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en tot op heden onbekend gebleven personen in de periode van 12 december 2018 tot en met 10 mei 2019 te Moerdijk,

opzettelijk hebben bereid en bewerkt en verwerkt hoeveelheden van een materiaal bevattende methamfetamine en methamfetamine-olie, middelen vermeld op lijst 1 bij de Opiumwet,

tot het plegen van welke misdrijven hij, verdachte, in de periode van 12 december 2018 tot en met 10 mei 2019 te Moerdijk, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, door aan die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en tot op heden onbekend gebleven personen een deel van een motorschip, te weten de ‘ [naam schip] ’, ter beschikking te stellen;

2

hij in de periode van 12 december 2018 tot en met 10 mei 2019 te Moerdijk, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van methamfetamine en methamfetamine-olie, zijnde methamfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden en te bevorderen, zich en anderen gelegenheid tot het plegen van die feiten heeft verschaft, hebbende verdachte voorwerpen en een vervoermiddel en stoffen voorhanden gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat zij

bestemd waren tot het plegen van die delicten,

immers, hebben hij, verdachte en zijn mededaders (telkens) in de voornoemde periode in voornoemde pleegplaats

- een grote hoeveelheid jerrycans en vaten en andere soorten verpakkingen met daarin grote hoeveelheden chemicaliën en grondstoffen voorhanden gehad, waaronder calcic soda;

3 subsidiair:

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 10 mei 2019 te Moerdijk, opzettelijk aanwezig hebben gehad ongeveer 70,71 kilogram methamfetamine en een hoeveelheid methamfetamine-olie, zijnde methamfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, tot het plegen van welke misdrijven hij, verdachte, op 10 mei 2019 te Moerdijk, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk middelen heeft verschaft, door aan die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een deel van een motorschip/boot, te weten de ‘ [naam schip] ’, ter beschikking te stellen;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft met betrekking tot de door haar gevorderde straf mee laten wegen de ernst van de feiten, waaronder de omvang en de duur van de productie, de professionaliteit van het drugslaboratorium en de rol die verdachte daarbij heeft gespeeld.

De officier van justitie heeft op grond daarvan gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij een aan verdachte op te leggen straf rekening te houden met de omstandigheid dat de bewezenverklaarde feiten in zodanig verband staan dat zij moeten worden beschouwd als voortgezette handeling.

Voorts is door de verdediging aangevoerd dat de eerdere veroordeling van verdachte voor overtreding van de Opiumwet van 10 jaar geleden is.

Ten aanzien van een aan verdachte op te leggen straf heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de leeftijd, gezondheid van verdachte en met de omstandigheden die voorts blijken uit het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft vanaf december 2018 een deel van het ruim van zijn binnenvaartschip [naam schip] aan twee onbekende personen verhuurd. Verdachte had daar geen goed gevoel bij, maar heeft er desondanks toch voor gekozen om een deel van het ruim van zijn schip ter beschikking te stellen en daarvoor de huur op te strijken. In het ruim van de [naam schip] zijn vanaf begin december 2018 grote hoeveelheden goederen, chemicaliën en een zeecontainer geplaats en is door onbekend gebleven personen een omvangrijk en professioneel drugslaboratorium opgebouwd met daarbij een ingenieus afzuigsysteem. Daartoe werden zelfs een deur en gaten uit metalen wanden van het schip gebrand met een snijbrander. Verdachte moet dit naar het oordeel van de rechtbank hebben kunnen waarnemen. Hij heeft er kennelijk voor gekozen om dit alles toe te laten en dit heeft er in geresulteerd dat in het ruim van het schip van verdachte op grote schaal methamfetamine kon worden geproduceerd en ook aanwezig was.

Voor wat betreft de stof methamfetamine of chrystalmeth zoals het ook wel wordt genoemd, kan worden gesteld dat dit wellicht de meest gevaarlijke drug is die momenteel op de markt wordt gebracht. Een kleine zoektocht op het internet is voldoende om het gevaar voor de volksgezondheid van die drug in beeld te brengen. Chrystalmeth werkt bijzonder verslavend en deze drug heeft op de mens een bijna verwoestende uitwerking.

Door het ter beschikking stellen van zijn schip is verdachte als medeplichtige mede verantwoordelijk voor de schade die door deze synthetische drug wordt veroorzaakt en de gevaren die de productie van deze synthetische drugs met zich meebrengt. Dat die gevaren aanwezig zijn moge blijken uit de ongelukken die de laatste jaren in illegale laboratoria hebben plaatsgevonden en waarbij ook “laboranten” om het leven zijn gekomen. Verdachte heeft dit alles op de koop toe genomen en heeft gedacht op een voor hem eenvoudige manier wat geld bij te kunnen verdienen door zijn schip voor dit productieproces beschikbaar te stellen. De rechtbank is op grond van dit alles van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten en gelet ook op de straffen die in soortgelijke gevallen doorgaans worden opgelegd, een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is.

Rekening houdend daarnaast ook met de leeftijd van verdachte en met zijn persoonlijke omstandigheden zoals die blijken uit het reclasseringsrapport van 16 juli 2019, zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 32 maanden.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij de [naam 11] vordert een schadevergoeding van € 33.653,56. Ter onderbouwing van die vordering is aangevoerd dat ter voorkoming van milieuschade (afwenden zinken van het schip) de [naam 11] het met drugsafval vervuilde bilgewater uit het ruim van het vrachtschip [naam schip] heeft moeten leegpompen en voorts dat dit vervuilde water moest worden afgevoerd door een gespecialiseerde aannemer en dat de vervuilde kade moest worden gereinigd.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de verdachten in deze zaak op 10 mei 2019 om 13.25 uur door de politie zijn aangehouden en dat het schip [naam schip] tijdens de ontmanteling van het drugslaboratorium plotseling water ging maken, waardoor het nodig was om in te grijpen. Aanvankelijk bestond het vermoeden dat door verdachten in het schip een boobytrap was aangebracht en dat het vollopen/zinken van het schip veroorzaakt werd door die boobytrap. Uit onderzoek door de politie is echter vast komen te staan dat er van een boobytrap geen sprake was en dat aan boord van het schip een pomp was aangezet. Voorts is niet gebleken dat het mogelijk was om die pomp op afstand te activeren. De rechtbank concludeert uit het vorenstaande dat het laten onderlopen van het schip [naam schip] heeft plaatsgevonden op het moment dat op het schip beslag was gelegd door justitie en onderhavige verdachten al in verzekering waren gesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de door de [naam 11] gevorderde schade veroorzaakt is door het handelen van deze verdachte en daarmee ook niet een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

8 Het beslag

De teruggave aan verdachte

In het dossier bevindt zich een lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven goederen, waaruit blijkt dat er ook een strafrechtelijke beslagtitel ligt op het schip, genaamd [naam schip] en op een geldbedrag van € 210,=. Tevens blijkt uit het dossier dat op dit schip conservatoir beslag rust. Blijkens de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven goederen, is voor dit schip, de beslissing genomen tot vervreemding. Dit laatste betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat door deze beslissing tot vervreemding het beslag is geëindigd en dient ingevolge artikel 353 van het Wetboek van Strafvordering nog een beslissing ten aanzien van het strafrechtelijke beslag te worden genomen.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd het schip [naam schip] verbeurd te verklaren. Volgens de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven goederen werd de waarde van het schip geschat op € 150.000,=.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat door de verbeurdverklaring van het schip verdachte onevenredig zwaar in zijn vermogen zou worden getroffen en dat dit als bijkomende straf disproportioneel zou zijn.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de teruggave aan verdachte moet worden gelast van het schip [naam schip] en het in beslag genomen geldbedrag van € 210,=. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat het schip en het geldbedrag onder verdachte in beslag zijn genomen en ook niet vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 48, 49 en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 3 primair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair: Medeplichtigheid aan het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: Medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

feit 3 subsidiair: Medeplichtigheid aan het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

terwijl bij de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 subsidiair van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht sprake is.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 32 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een schip, genaamd [naam schip] , en een geldbedrag van € 210,=;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [naam 11] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam 11] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Dekker en mr. Fleskens, rechters, in tegenwoordigheid van Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 maart 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met onderzoeksnummer ZB2RO19048 Diemme van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 1573. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 38 van voornoemd eind-proces-verbaal

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 36 van voornoemd eind-proces-verbaal

3 Onderzoek naar vermoedelijke vervaardiging synthetische drugs, pagina 262 van voornoemd eind-proces-verbaal

4 Het proces-verbaal bevindingen van het LFO, pagina 110 van voornoemd eind-proces-verbaal

5 Het eindproces-verbaal van het LFO, pagina 175 van voornoemd eind-proces-verbaal

6 Het rapport van het NFI, pagina 262 van voornoemd eind-proces-verbaal

7 Het aanvullend proces-verbaal van [naam 7] van het LFO, gedateerd 6 februari 2020

8 Het proces-verbaal van het forensisch onderzoek, pagina 74 van voornoemd eind-proces-verbaal

9 Het proces-verbaal forensische opsporing, pagina 435 van het eind-proces-verbaal

10 Het deskundigenonderzoek van het MFI d.d. 11 november 2019

11 Proces-verbaal van doorzoeking, pagina 284 van voornoemd eind-proces-verbaal en het proces-verbaal van doorzoeking, pagina 300 van voornoemd eind-proces-verbaal

12 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 541 van voornoemd eind-proces-verbaal

13 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 671 van voornoemd eind-proces-verbaal

14 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 791 van voornoemd eind-proces-verbaal

15 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 11 en 13 februari 2020

16 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 10] , pagina 345 van voornoemd eind-proces-verbaal

17 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , pagina 1359 van voornoemd eind-proces-verbaal

18 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , pagina 1371 van voornoemd eind-proces-verbaal

19 Het proces-verbaal LFO, pagina 175 van het eind-proces-verbaal

20 Het eind-proces-verbaal van het LFO, pagina 185 van het eind-proces-verbaal

21 Het eind-proces-verbaal van het LFO, pagina 186 van het eind-proces-verbaal

22 Het eind-proces-verbaal van het LFO, pagina 185 van het eind-proces-verbaal