Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1305

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
AWB- 18_5166
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/5166 WIA

uitspraak van 18 maart 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. L.H.E. Sweers,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 juli 2018 (bestreden besluit) van het UWV inzake de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Het beroep is op 31 oktober 2019 in Breda op zitting behandeld.

Bij tussenuitspraak van 16 december 2019 heeft de rechtbank geconstateerd dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft en het UWV in de gelegenheid gesteld om dat gebrek te herstellen.

Bij brief van 23 januari 2020 heeft het UWV aan de rechtbank meegedeeld dat hij geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

De rechtbank heeft op 30 januari 2020 bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Voor een weergave van de feiten, de beroepsgronden en het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de verzekeringsarts b&b had moeten aanknopen bij de bevindingen en conclusies van psychiater [naam psychiater] van 3 april 2019, wiens expertise door eiseres was overgelegd. De door de verzekeringsarts b&b gegeven redenen om dat niet te doen heeft de rechtbank niet steekhoudend geacht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit, voor wat betreft de medische beoordeling, aan een motiveringsgebrek lijdt.

De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen door aan te knopen bij de bevindingen en conclusies van de psychiater en de FML van 4 januari 2018 op bepaalde onderdelen aan te passen.

3. In zijn brief van 23 januari 2020 heeft het UWV meegedeeld dat hij geen gebruik wenst te maken van de geboden mogelijkheid tot herstel.

4. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Nu het UWV het gebrek niet wenst te herstellen, kan de rechtbank niet beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zouden kunnen worden gelaten. De rechtbank kan evenmin zelf in de zaak voorzien. Het UWV zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

5. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het UWV op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.D. Sebel, griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.