Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:1282

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
02-201841-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte (15jr) wordt veroordeeld voor poging tot doodslag wegens steken met mes in bovenlichaam aangever. Voorwaardelijk opzet op de dood. Vrijspraak voor bezit kinderporno, omdat bewijs voor opzettelijk/bewust aanwezig hebben ontbreekt; verklaring verdachte wordt niet uitgesloten door aanwezige bewijs. Deels voorwaardelijke jeugddetentie, werkstraf en binnen de bijzondere voorwaarden behandeling bij de Catamaran.

Steken, voorwaardelijk opzet dood, vrijspraak bezit kinderporno

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugd

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/201841-19

vonnis van de meervoudige kamer van 19 maart 2020

in de strafzaak tegen de minderjarige

[Verdachte] ,

geboren op [Geboortedag] 2004 te [Geboorteplaats] ,

wonende te [Adres]

gedetineerd in de Justitiële Jeugdinrichting De Hartelborgt te Spijkenisse,

bijgestaan door raadsman mr. R.A.H. van Huijgevoort, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 5 maart 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Verhoeven-Ivankovic, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de aangebrachte vordering van de benadeelde partij behandeld.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 20 augustus 2019 te Oisterwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [Slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, door die [Slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes in zijn bovenlichaam, althans zijn lichaam te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 287 Wetboek van Strafrecht, art. 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 augustus 2019 te Oisterwijk aan [Slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een snijwond en/of steekwond in zijn oksel, heeft toegebracht door die [Slachtoffer] met een mes in zijn bovenlichaam te steken;

(art. 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2

hij op 20 augustus 2019 te Oisterwijk en/of Waalwijk, in elk geval in Nederland, (een) afbeelding(en), - en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen - van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verworven, in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het met de/een penis, mond/tong oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

en/of

het met de penis, mond/tong oraal, vaginaal, anaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

[Bestandsnaam] (pag. 4 geanonimiseerde toonmap)

[Bestandsnaam] (pag. 3 geanonimiseerde toonmap)

[Bestandsnaam] (pag. 1 geanonimiseerde toonmap)

[Bestandsnaam] (pag. 1 geanonimiseerde toonmap)

en/of

het met vinger/hand, en/of mond/tong betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de geslachtsdelen, van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

en/of

het met de/een vinger/hand, en/of mond/tong betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de geslachtsdelen, van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

[Bestandsnaam] (pag. 2 geanonimiseerde toonmap)

[Bestandsnaam] (pag. 2 geanonimiseerde toonmap)

[Bestandsnaam] (pag. 4 geanonimiseerde toonmap)

[Bestandsnaam] (pag. 1 geanonimiseerde toonmap)

en/of

het door een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt met de penis penetreren van een dier

[Bestandsnaam] (pag. 3 geanonimiseerde toonmap)

(art. 240b lid 1 Wetboek van Strafrecht).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Daarbij baseert de officier van justitie zich op de aangifte, de verklaringen van de getuigen [Naam 1] en [Naam 2] en op de door verdachte afgelegde verklaringen bij de politie, de rechter-commissaris en ter terechtzitting, in combinatie met de verklaring van de getuige [Naam 3] . De officier van justitie acht bewezen dat verdachte aangever met een mes heeft gestoken in het bovenlichaam. Een mes is geschikt om iemand van het leven te beroven en verdachte heeft op een manier (te weten met kracht en zonder te kijken) en op een plek gestoken die potentieel dodelijk kan zijn. Verdachte heeft door aldus te handelen voorwaardelijk opzet gehad op de dood van aangever, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie.

Ook feit 2 acht de officier van justitie bewezen. Dat verdachte stelt dat hij de kinderporno niet opzettelijk op zijn telefoon heeft binnengehaald en niet heeft bekeken is niet van belang. De politie hoefde geen moeite te doen om de kinderporno aan te treffen op de telefoon van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag op aangever (feit 1) en wijst daarbij op het volgende. Er kan niet met zekerheid worden vastgesteld op welk moment verdachte aangever heeft geraakt met het mes en wat hieraan precies is vooraf gegaan. Gelet op de aanwezige bewijsmiddelen in het dossier kan slechts worden vastgesteld dat verdachte aangever op enig moment heeft geraakt met het mes en dat een snijwond is ontstaan in de buurt bij de oksel van aangever. Bij gebrek aan medische informatie met betrekking tot de precieze locatie van de wond en het gevaar dat daarvan uitging voor aangever, kan niet worden vastgesteld dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van aangever. Aangezien het dossier ook onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever dient verdachte ook voor de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit. Er kan volgens de verdediging niet worden vastgesteld dat verdachte een handeling heeft verricht waaruit opzet op het beschikken over de kinderporno blijkt of dat verdachte voorwaardelijk opzet daarop heeft gehad.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak voor feit 2

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie en met de raadsman, van oordeel dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. De rechtbank kan onvoldoende uitsluiten dat de verklaring van verdachte, dat hij niet opzettelijk en bewust de kinderporno op zijn telefoon voorhanden had. Verdachte heeft verklaard dat hij deelnam aan een what’s app groep waarin heel veel foto’s en video’s werden verspreid. Sommige van deze foto’s en video’s over politiek of voetbal vond hij leuk, maar het bleek dat deze vanuit de groepsapp ook gewelddadige content en dus zelfs kinderporno werd gestuurd. Verdachte verklaarde dat al deze foto’s en video’s direct in zijn galerij werden opgenomen, zonder dat verdachte deze opende, of hier kennis van nam. Het verwijderen van ongewenste content moest hij handmatig doen, om te voorkomen dat aanwezige privé foto’s en video’s verwijderd zouden worden. Er is in het dossier geen bewijs opgenomen dat verdachte een bewuste handeling heeft gepleegd om de afbeeldingen en video’s op zijn telefoon op te slaan. Evenmin is duidelijk waar de desbetreffende afbeeldingen en video’s zijn aangetroffen en om hoeveel materiaal het in zijn totaliteit ging ten opzichte van de totale afbeeldingenbibliotheek van verdachte. De rechtbank kan de verklaring van verdachte dan ook zeker niet uitsluiten. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

4.3.2.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

De rechtbank leidt uit de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter zitting de volgende redengevende feiten en omstandigheden af.

Incident en ontstaan letsel

Op 20 augustus 2019 is te Oisterwijk een confrontatie ontstaan tussen aangever [Slachtoffer] en verdachte. Volgens aangever kwam verdachte met zijn fiets aan achter het eethuis [Naam 4] en ontstond vrijwel direct een confrontatie tussen hen.1 [Naam 5] kwam tussen hen in staan, want verdachte en aangever begonnen aan elkaar te trekken en te duwen. Verdachte duwde aangever hard naar achteren en aangever duwde hem hard terug waardoor verdachte op de grond viel. Aangever draaide zich om om weg te lopen en hoorde toen [Naam 5] heel hard schreeuwen. Toen aangever zich omdraaide, zag hij dat verdachte een mes in zijn rechterhand had en dat [Naam 5] gestoken was. Verdachte liep op aangever af en er ontstond een soort worsteling tussen hen. Verdachte zwaaide met zijn arm en hij had daarbij het mes in zijn hand. Aangever zag en voelde dat verdachte met dat mes in aangevers linkerzij stak, net onder de oksel in de borstkast. Verdachte zwaaide toen nog een keer met het mes en stak in de richting van het gezicht van aangever, waarbij hij aangever miste. Aangever heeft een wond opgelopen met een lengte van ongeveer 10 cm. Van de arts heeft aangever gehoord dat het mes tot op drie centimeter van zijn long is binnengedrongen.2 Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat aangever een snijwond had in de linker oksel en dat sprake was van ernstig bloedverlies. Daarnaast dat de verwachte hersteltijd zes weken betrof.3 Ter terechtzitting heeft aangever zijn litteken en een foto van de gehechte wond kort na het incident getoond. De rechtbank heeft waargenomen dat sprake is van een stervormig fors litteken onder de linker oksel, in de borstkas van aangever.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij met zijn vriend [Naam 5] bij [Naam 4] had afgesproken. Toen hij daar aankwam bij de achterzijde van [Naam 4] zag hij aangever staan. Er ontstond een conflict, waarbij verdachte ook op de grond terecht kwam. Hij lag niet geheel op de grond maar hij zat meer op de grond. Verdachte heeft toen zijn mes gepakt. Toen kwam [Naam 5] ertussen en heeft verdachte [Naam 5] geraakt. [Naam 5] kwam met zijn arm tegen zijn mes aan. Toen zag verdachte dat [Naam 5] was gestoken. Hij heeft helemaal niet gevoeld dat hij [Naam 5] of [Slachtoffer] raakte. Volgens verdachte raakte hij [Slachtoffer] aan zijn linkerkant. Verdachte had het mes in zijn rechterhand. Het snijgedeelte aan een kant is ongeveer zeven of acht centimeter, het handvat was ook ongeveer even groot.4 Bij de rechter-commissaris heeft verdachte een vrijwel gelijkluidende verklaring afgelegd. Verdachte heeft daarbij tevens verklaard dat hij ervoor wilde zorgen dat aangever op afstand bleef door een beetje een steekbeweging te maken met het mes. Hij heeft aangever op zijn borst geraakt.5

De rechtbank leidt op grond van het voorgaande, in onderlinge verband en samenhang bezien, af dat tussen verdachte en aangever op 20 augustus 2019 te Oisterwijk een confrontatie is ontstaan en dat verdachte daarbij op enig moment een mes heeft gepakt en in zijn hand heeft vastgehad en dat aangever daarbij gewond is geraakt. De rechtbank komt tot het oordeel dat het letsel van aangever is ontstaan door toedoen van verdachte. Dat aangever dit mogelijk heeft veroorzaakt door tegen het mes aan te lopen komt de rechtbank hoogst onaannemelijk voor en zij zal dit scenario terzijde schuiven, gelet op de verklaring van verdachte dat hij aangever van zich af probeerde te houden en de verklaring van aangever dat hij verdachte tot twee keer toe een zwaaiende beweging heeft zien maken met de hand

waarin verdachte het mes hield. Eén van die bewegingen leidde tot de steekverwonding van

aangever en over de tweede beweging heeft aangever verklaard dat hij deze kon ontwijken.

Voorwaardelijk opzet op de dood

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen welk gevaar van de handelingen van verdachte is uitgegaan en hoe de handelingen van verdachte gekwalificeerd dienen te worden.

Opzet op de dood kan worden aangenomen als (minimaal) sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat er een slachtoffer zou komen te overlijden als gevolg van zijn gedragingen.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, of anders gezegd om een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans is bovendien vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

De rechtbank overweegt dat het steken met een mes in het bovenlichaam een geschikt middel is om iemand van het leven te beroven. De wond van aangever zat in het bovenlichaam bij de oksel ter hoogte van de longen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het bovenlichaam een kwetsbaar onderdeel is van het menselijk lichaam waarin zich belangrijke organen bevinden zoals de longen en dat een verwonding aan een dergelijk vitaal deel zeer levensbedreigend kan zijn en eenvoudig tot de dood van een persoon kan leiden. Verdachte wordt, net als ieder ander, geacht daarvan op de hoogte te zijn. De rechtbank overweegt dat het met een mes steken op de plaats waar de steekwond is toegebracht en de wijze waarop verdachte deze heeft toegebracht, namelijk met een zwaaiende ongecontroleerde beweging, naar algemene ervaringsregels het reële risico met zich meebrengt dat de persoon die op deze wijze geraakt wordt als gevolg daarvan komt te overlijden. De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer op een bepaald gevolg gericht te zijn geweest, in dit geval het veroorzaken van de dood van aangever, dat het behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is niet gebleken, nu juist het tegendeel wel uit de verklaringen van verdachte en aangever naar voren komt: verdachte heeft de bewegingen gemaakt zonder zelfs maar onderscheid te maken op wie hij richtte. Hij wilde kennelijk koste wat kost met zijn mes de aangever op afstand houden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever zou komen te overlijden als gevolg van zijn gedragingen, waardoor zij tot de conclusie komt dat verdachte gepoogd heeft aangever opzettelijk van het leven te beroven.

Bewijsverweren

De overige door de verdediging gevoerde verweren ten aanzien van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag merkt de rechtbank aan als bewijsverweren. Deze verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 20 augustus 2019 te Oisterwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [Slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [Slachtoffer] met een mes in zijn bovenlichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 300 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 162 dagen voorwaardelijk en een proeftijd voor de duur van twee jaren met daaraan gekoppeld de bijzonder voorwaarden zoals voorgesteld door de Raad voor de Kinderbescherming en zoals ter terechtzitting aangevuld door de Jeugdreclassering, inhoudende begeleiding door de jeugdreclassering onder meer gericht op de schoolgang van verdachte of een andere passende dagbesteding en dat verdachte dient mee te werken aan een behandeling bij De Catamaran. De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat de bijzondere voorwaarden direct uitvoerbaar worden verklaard.

Voorts vordert de officier van justitie een werkstraf voor de duur van 160 uren te vervangen door 80 dagen jeugddetentie aan verdachte op te leggen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met het relatief beperkte letsel bij aangever, de onderlinge gespannen verhouding die al langer bestond tussen aangever en verdachte, het feit dat verdachte geen relevante documentatie heeft, de jonge leeftijd van verdachte die in zijn examenjaar zit en de duur van de al ondergane voorlopige hechtenis. De verdediging heeft aangevoerd dat kan worden volstaan met een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder en in het nadeel van verdachte rekening houden met de volgende feiten en omstandigheden. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [Slachtoffer] . Tussen verdachte en [Slachtoffer] ging al enige tijd dreiging heen en weer en onder die omstandigheden heeft verdachte na schooltijd een mes gepakt en bij zich gedragen. Bij een confrontatie met [Slachtoffer] heeft dat erin geresulteerd dat verdachte het mes uit zijn zak heeft gepakt en in het gevecht heeft gebracht. Daarbij werd [Slachtoffer] met het mes in zijn bovenlichaam gestoken en heeft verdachte tevens, weliswaar onbedoeld, een vriend met het mes geraakt die daarbij gewond is geraakt aan zijn arm. [Slachtoffer] heeft van dit feit veel pijn ondervonden en heeft zich, ook na dit feit, erg angstig gevoeld, hetgeen ook blijkt uit de slachtofferverklaring die ter zitting is voorgedragen. Hij ondervindt nog dagelijks de negatieve gevolgen van dit feit en heeft nog steeds fysiotherapie om te kunnen herstellen van de gevolgen van de steekwond. Ter zitting heeft [Slachtoffer] verteld dat de wond is gaan ontsteken en opnieuw gehecht moest worden. Hierdoor is het herstel veel langzamer gegaan en is het litteken ook veel heftiger geworden. Het spreekt voor zich dat dit incident voor [Slachtoffer] een bijzonder nare en pijnlijke ervaring moet zijn geweest. [Slachtoffer] houdt hieraan tevens een blijvende herinnering over in de vorm van een ontsierend litteken. Verdachte heeft niet geschuwd om in een gevecht een mes ter hand te nemen, hetgeen ook voor de omstanders een nare ervaring geweest moet zijn. Dergelijke feiten versterken bovendien in zijn algemeenheid de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij met zijn handelen het leven van een ander persoon in gevaar heeft gebracht. De gevolgen voor [Slachtoffer] hadden vele malen ernstiger geweest kunnen zijn. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan. Wel waardeert de rechtbank het dat verdachte op de zitting zijn excuses heeft aangeboden aan [Slachtoffer] . Ook is het goed dat verdachte en [Slachtoffer] naar elkaar hebben uitgesproken dat er geen wraakacties zullen komen. De rechtbank hoopt dat daarmee de rust in de groep is weergekeerd.

De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en zij van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Voorts weegt de rechtbank mee dat ook de aangever een rol heeft gehad in het ontstaan van het conflict, tot het moment dat verdachte zijn mes pakte.

De rechtbank houdt rekening met de inhoud van de over verdachte opgemaakte psychologische rapportage door drs. M.E. Bredero-Ondris. Uit deze rapportage blijkt dat tijde van het tenlastegelegde bij verdachte sprake was van een andere gespecificeerde aandachtsdeficiëntie/hyperactiviteitsstoornis. Daarnaast was sprake van een negatieve invloed van ouderlijke relatieproblemen op een kind. Bij verdachte is sprake van enig probleembesef, maar van een gering probleeminzicht. Gedurende het onderzoek van de psycholoog kwamen aanwijzingen naar voren voor een lacunaire gewetensontwikkeling. Er is echter geen sprake van een verband tussen de diagnose bij verdachte enerzijds en het tenlastegelegde anderzijds. Hoewel bij verdachte sprake is van impulsiviteit, concludeert de gedragsdeskundige dat bij verdachte geen sprake is van een verminderde handelingsvrijheid of wilsvrijheid, waardoor het ten laste gelegde feit, volledig aan verdachte kan worden toegerekend. De kans op gewelddadige recidive wordt, zonder interventie, als matig ingeschat. Om de kans op recidive te verkleinen en voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte is het geïndiceerd dat hij behandeling krijgt gericht op zijn emotieregulatieproblematiek, het verwerken van de scheiding van zijn ouders en op het aanleren van adequate copingvaardigheden. Tevens is het van belang aandacht te hebben voor zijn moreel redeneren en gewetensontwikkeling. Daarna is het van belang om zicht te krijgen op eventuele resterende symptomen van ADHD om op basis daarvan te starten met psycho-educatie en behandeling gericht op symptoombestrijding en eventuele medicatie. De psycholoog heeft gerapporteerd dat een dergelijke behandeling zou kunnen plaatsvinden bij Fivoor. Tevens acht de gedragsdeskundige het van belang om de begeleiding van de jeugdreclassering door te laten lopen om zicht te krijgen op het sociaal netwerk van verdachte en zijn school te monitoren en eventueel bij te kunnen sturen in het in te zetten traject. De gedragsdeskundige adviseert deze behandeling en begeleiding op te leggen als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel.

De rechtbank houdt voorts rekening met het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) en de ter terechtzitting gegeven toelichting daarop door de raadsonderzoeker en de toelichting van de jeugdzorgwerker. De raadsonderzoeker heeft tezamen met de jeugdreclassering gekeken naar de uitvoerbaarheid van het interventieadvies vanuit het NIFP gegeven. Behandeling bij Fivoor is niet mogelijk aangezien zij geen forensische behandeling kunnen bieden. Dit zou wel mogelijk zijn bij De Catamaran in Eindhoven en de aanmelding bij de Catamaran is inmiddels gedaan. Een concrete startdatum van de behandeling bij de Catamaran is nog niet bekend, maar de verwachting is dat deze op korte termijn zou kunnen starten nu inmiddels de financiering daarvoor gereed is. Verdachte zit in zijn examenjaar en [Naam 6] heeft toegezegd dat verdachte op korte termijn weer zou kunnen starten op school, onder de voorwaarde dat hij begeleiding krijgt van de jeugdreclassering. De raad acht een voorwaardelijke jeugddetentie passend bij de ernst van de delicten en een behandeltraject bij De Catamaran of een soortgelijke organisatie waarbij de behandeling zich richt op verdachte zijn emotieregulatieproblematiek, het verwerken van de scheiding van zijn ouders en op het aanleren van adequate copingvaardigheden. Voortzetting van de ondersteuning vanuit de jeugdreclassering wordt noodzakelijk geacht, om verdachte te ondersteunen op de diverse domeinen van gezin, relaties, vrije tijd en school. Indien nog aanvullend gestraft zou moeten worden, adviseert de raad een werkstraf.

De oplegging van enkel een onvoorwaardelijke jeugddetentie die gelijk is aan de duur van het voorarrest, zoals voorgesteld door de verdediging, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 300 dagen passend en geboden is, met aftrek van de duur van de al ondergane voorlopige hechtenis. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 162 dagen voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan. Met de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel wordt mogelijk gemaakt dat verdachte verplichte begeleiding door de jeugdreclassering krijgt met bijzondere voorwaarden zoals door de raad geadviseerd. De rechtbank zal daarbij een proeftijd van twee jaar opleggen. De rechtbank acht het noodzakelijk dat de op te leggen voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten een poging tot doodslag met gebruik van een mes.
Gelet op de wijze waarop dit delict tot stand is gekomen en de rapportage van de psycholoog is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Het gevaar op herhaling wordt door de psycholoog immers als matig ingeschat op het moment dat verdachte niet behandeld wordt. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van art. 77z Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen jeugddetentie, omdat zij dit passend en geboden vindt.

7 De benadeelde partij [Slachtoffer]

De benadeelde partij [Slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 4.787,62, bestaande uit een bedrag van € 2.2.87,62 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade.

De vordering van de benadeelde partij dient volgens de officier van justitie deels te worden toegewezen, te weten voor wat betreft het eigen risico 2019, de kleding van Nike en de schoenen tot een bedrag van € 150,-, het T-shirt van Valentino tot een bedrag van
€ 100,- en het daggeld voor het ziekenhuis voor een bedrag van € 30,-. Het overig gevorderde, namelijk het tasje, de zonnebril, het eigen risico 2020, de reiskosten en het overig gevorderde aan de kleding dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. In totaal dient een bedrag van € 3.122,- (€ 622,- aan materiële schade en € 2500,- aan immateriële schade) te worden toegewezen met toewijzing van de wettelijke rente. Voor dit bedrag dient tevens de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair dient de vordering van [Slachtoffer] voor wat betreft de posten eigen bijdrage 2020, het tasje en de kleding niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de posten eigen risico 2019, daggeld ziekenhuis en reiskosten. Tot slot heeft de verdediging verzocht het gevorderde bedrag aan immateriële schade aanzienlijk te matigen.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade eigen risico 2019 tot een bedrag van €342,-, de gevorderde reiskosten (€ 33,80) en het daggeld (€ 30,-) een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal dat bedrag toewijzen. Het gevorderde bedrag eigen risico 2019 à € 1,37 zal de rechtbank afwijzen, omdat onvoldoende is onderbouwd dat dat schade betreft die door de benadeelde partij is geleden.

De gevorderde schade eigen risico 2020 groot € 152,80 acht de rechtbank eveneens een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit en voldoende onderbouwd, en zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade en zij zal dat bedrag toewijzen.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat schade is ontstaan aan de kleding en schoenen die [Slachtoffer] die dag aan had. Daarbij is voldoende onderbouwd dat het om de gestelde kleding ging. De aanschafwaarde is onderbouwd door middel van bonnen of prijzen voor soortgelijke artikelen, maar het is onduidelijk wanneer de kleding is aangeschaft. De nieuwwaarde zal niet worden toegekend. Gelet hierop, zal de rechtbank de waarde van de kleding en schoenen schatten en wel op € 500,- en zij zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering op dat punt.

De door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding voor de tas en de zonnebril (een totaalbedrag van € 687,-) zal de rechtbank afwijzen, omdat niet is gebleken dat die schade door het bewezen verklaarde feit is veroorzaakt. Er blijkt op geen enkele wijze uit het dossier dat het verdachte is geweest die deze goederen heeft meegenomen of kwijt gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat een bedrag aan immateriële schade van € 2.000,- alleszins aannemelijk en redelijk is en een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit. De aangehaalde jurisprudentie ging om ernstiger lichamelijk letsel, zodat de rechtbank om die reden tot een lager bedrag komt. Het meer gevorderde bedrag aan immateriële schade, zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal aldus een bedrag toewijzen van € 3.058,60 waarvan € 2.000,- ter zake van immateriële schade en € 1.058,60 ter zake van materiële schade. Zij zal tevens de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag toewijzen vanaf 20 augustus 2019.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1

De teruggave aan verdachte

De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen Apple iPhone XR verbeurd wordt verklaard, omdat dit voorwerp is gebruikt bij het strafbare feit 2.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen telefoon heeft de verdediging om teruggave ervan aan verdachte verzocht, in verband met de bepleite vrijspraak en omdat een verbeurdverklaring van de telefoon van verdachte disproportioneel zou zijn gelet op de waarde van de telefoon.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen telefoon aan verdachte, aangezien verdachte wordt vrijgesproken van feit 2. De rechtbank ziet wel aanleiding om te bepalen, dat verdachte de telefoon retour krijgt onder de voorwaarde, zoals ook de verdediging is voorgesteld, verdachte de telefoon in bijzijn van de politie dient te resetten, zodat al het strafbaar materiaal van zijn telefoon is verwijderd.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 77a, 77aa, 77g, 77gg, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het primair onder 1 ten laste gelegde feit bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging t.a.v. feit 1 primair

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 300 dagen, waarvan 162 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze voorwaardelijke jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de jeugdreclassering uit te voeren door de Jeugdbescherming Brabant afdeling Jeugdreclassering te Tilburg, als gecertificeerde instelling;

* dat verdachte zich houdt aan het door de Jeugdreclassering te bepalen programma qua school dan wel een andere passende dagbesteding en dat verdachte zich houdt aan de afspraken/gedragsregels die met verdachte daarover worden gemaakt;

* dat verdachte meewerkt aan een ambulant behandeltraject bij De Catamaran, of een andere soortgelijke instelling, gericht op emotieregulatieproblematiek, het verwerken van de scheiding van ouders en op het aanleren van adequate copingsvaardigheden, zolang als de Jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- geeft opdracht aan de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat verdachte gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 60 dagen;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een Apple iPhone XR onder bepaling dat verdachte de telefoon alvorens hij deze terug krijgt eerst in bijzijn van de politie dient te resetten, met dien verstande dat de afbeeldingenbibliotheek/-galerij en documentenmappen volledig leeg dienen te zijn;

Benadeelde partij t.a.v. feit 1

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer] van € 3.058,60, waarvan € 1.058,60 ter zake van materiële schade en € 2000,- ter zake van immateriële schade;

- bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij deels wordt afgewezen, te weten voor wat betreft de posten eigen risico 2019 à € 1,37 en een tas en zonnebril à € 687,-;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [Slachtoffer] (feit 1), een bedrag van € 3.058,60 te betalen, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 20 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Tempel, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Combee en mr. Bogaert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Balemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 maart 2020.

mr. Bogaert en mr. Balemans zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld het proces-verbaal van de politie, districtsrecherche Hart van Brabant, dossiernummer 2019198529, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 158, hierna: PV. PV, proces-verbaal aangifte [Slachtoffer] , p. 24.

2 PV, proces-verbaal verhoor [Slachtoffer] , p. 30 t/m 32.

3 PV, geneeskundige verklaring, p. 34.

4 PV, proces-verbaal verhoor verdachte, p. 112-113.

5 Proces-verbaal verhoor verdachte inhoudende een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris op 23 augustus 2019.